Zambia is groot en arm. Maar er waren een paar pareltjes om te zien. En de ontmoeting met de chimps zal ik de rest van mijn leven niet vergeten. Dit is een combinatie van twee verhalen dus nogal groot geworden. Met 12.768 woorden, 68 minuten leestijd
Op 19 mei 2011 melde ik me aan de poort van Zambia. Moest een Visum kopen, koste 50 US$. Alleen maar te betalen in dollars, als je die niet hebt, heb je pech. Ook wegenbelasting was verschuldigd, 200.000 Kwacha. Dat dan weer wel in lokaal geld. Gelukkig zat er een klein bankje in het gebouw anders was ik overgeleverd aan de wolverige geldwisselaars die al stonden te drammen. 200.000 klinkt veel, maar een euro is 6500 Kwacha, dat koste dus 30 Euro. Was te overzien. Had alle papieren gestempeld en wilde net wegrijden toen er een vaag ventje meende dat ik nog 10.000 Kwacha moest dokken voor de een of andere vage belasting. Heb er nog wat stennis over lopen maken maar niet te lang, ach, het is maar 2 euro.
Route door Zambia deel 1
Ik had een Braziliaans meisje meegenomen bij de grens. Die wilde Malawi in maar kreeg geen visa en moest dus pardoes weer terug naar Zambia, waar ze haar weer voor 50 dollar een visum probeerde te verkopen. Met wat overredingskracht van mij besloot de beambte de uitreis stempel te annuleren zodat haar oude visum nog geldig was. Maar erg dankbaar was het meiske niet. Nam haar mee naar Chipata, het eerste Zambiaanse plaatsje 30 km verderop en zette haar af. Een dank je wel was te veel. Die zoekt het maar uit.
Deed wat boodschappen bij een Shoprite supermarkt en vervolgde mijn weg naar Mama-Luca, een campsite 10 km buiten Chipata. Maar niet voor ik even 2 miljoen uit de muur trok.

Het was ondertussen 3 uur middag, ik voelde me ook niet helemaal lekker. Had twee dagen geleden bij een verkeerde beweging mijn rug verdraaid en sinds dien voelde ik me slap en grieperig, zonder echt koorts te hebben. Ik had spierpijn en wat keelpijn en wilde lekker vroeg in me nest.
Bij Mama-Luca aangekomen was dit een net camp. Er stond een zogenaamde overlander truck. Dat is een vrachtwagen met twintig stoelen waarin toeristen een tig-weekse tocht door Afrika kunnen maken. Er wordt voor de toeristen gezorgd, gekookt en zo, en men slaapt meestal met tentjes op een campsite. Ben zelf nooit zo gecharmeerd van dit soort ‘overlanders’, het zijn vaak jongeren die al lallend van campsite naar campsite gaan en weinig of niks van Afrika mee krijgen, behalve misschien de bier merken. Maar dit keer waren het aardige mensen en heb gezellig met ze zitten kletsen. Wilde net terug naar mijn auto lopen toen er nóg een overlander vrachtwagen binnen kwam rijden en 10 minuten later vrachtwagen nummer drie. Ook hierin geen lallende jongeren maar wat volwassen mensen waaronder twee Nederlanders, enfin, je snapt het, meer kleppen. De campsite was nu aardig vol. Bestelde een pizza bij de keuken en 5 minuten later hoorde ik nog meer auto’s aankomen, dit keer een hele kolonne. Ik hoefde maar een glimps tussen de bomen op te vangen van één van de auto’s en ik wist wie het was. Thomas Foo met zijn kolonne auto’s uit Maleisië.
Heb Thomas in Maleisie leren kennen. Hij, en zijn vrouw Daphne, waren zo gastvrij en aardig daar. Nu ontmoete ik hem dus puur per toeval 3 jaar later in een ander continent. Dat was echt super leuk en we hebben een hele poos zitten praten. Onder ander over de Mexicaan Leo, die ik gesponsord heb om Mount Everest te beklimmen en die momenteel ergens boven op de top zou moeten zijn(*). Drie jaar geleden had Leo ook een poging gedaan en verloor er bijna zijn leven mee. Anyway, dat is weer een heel ander verhaal. Thomas had wel 11 auto’s onder zijn hoede dus hij moest ook wat werken hier en daar en ik liet hem, we spraken of voor later.
Later werd de volgende ochtend. We wisselde wat info uit en praten nog wat over een bakje koffie maar Thomas en zijn groep moesten die dag nog naar Senga in Malawi. Ze rijden op een strak schema (wat een lol). Alle reserveringen tussen Cape-Town en Cairo zijn van te voren gedaan dus afwijken van het schema is vragen om problemen. Kreeg nog een t-shirt met hun rally-logo (en een sticker voor op mijn auto) en we namen afscheid van elkaar. Ik reed nog even naar Chipata om wat boodschappen te doen, te tanken en te pinnen en reed rond een uur of 11 richting South Luanga National Park.
Die weg was erg slecht. Het was 130 km, waarvan 30 km asfalt, de rest hotsen en botsen door kuilen en over stenen. Kwam pas tegen donker aan (gemiddelde snelheid 18 km p/u) en parkeerde mijn auto op de campsite Flatdogs, dicht bij de ingang van het park. Al snel werd me daar verteld dat ik me aan hun huisregels moest houden, anders werd ik van het camp verwijderd. En die huisregel was: loop nooit over de campsite in het donker zonder bewaker. Vreemde regel vond ik, maar ik was moe en wilde rusten. Wellicht hadden ze problemen met dronken touristen gehad in het verleden of zo.
Die avond bleek waarom ze die regel hadden. Dit is het echte Afrika met veel wild. Dit wild kent geen grenzen en kunnen het bordje ‘Verboden voor olifanten’ niet goed lezen. Gevolg is dat er, vooral ’s nachts, veel dieren over de campsite struinen, op zoek naar eten of gewoon, om een praatje te maken. In de nacht slenteren nijlpaarden rustig tussen de tentjes en auto’s door, op zoek naar gras en ‘suasage-fruits’. Dat zijn langwerpige grote vruchten die van de boom vallen. In de vroege ochtend zijn er meestal wel wat olifanten tussen de kampeerders en dan heb je nog de krokodillen die lui aan de rivierbank liggen. De campsite was aan de rivier oever, maar die beesten komen meestal niet ver het land op. Meestal is ook zo’n vaag begrip dus de camp eigenaar neemt geen risico. Slecht voor business als je gasten worden verslonden nietwaar.. Ook sterk aanwezig zijn de apen. Opvallend zijn hier de blauwbal apen. Die heten officieel niet zo maar dat is wel hun roepnaam, één keer raden waarom. Klopt. Heel vaag. De mannelijke aapjes hebben een fel blauwe balzak die, als ze je de kont keren, als een soort plastic zakje aftekent tegen hun achterste. Tezamen met de bavianen vormen deze apen de grootste bedreiging. Niet voor je gezondheid, maar wel voor alles wat rondslingert of eetbaar is, brutaal zijn ze.
In het kamp liepen in de avond 5 bewakers. Er was er altijd een die je begeleide van de auto naar de douche of restaurant. Rond een uur of 8 stond er een nijlpaard naast mijn auto te ‘chompen’ (zo klinkt het malende geluid van zijn enorme kaken), in de ochtend waren er inderdaad olifanten in de buurt, maar gelukkig bleven ze bij mij vandaan. Ik besloot die dag rust te houden, voelde me nog steeds zwakjes. Had een te lage bloedruk, geen idee hoe dat kwam. Maar wilde wel een nacht safari gaan doen die avond, om dan de volgende dag de dag safari te doen. Je entree ticket naar het park is 24 uur geldig dus zo kon ik dat mooi op één entree doen (ik blijf Hollander natuurlijk). Ontmoete Bas en Marjolijn, een Nederlandse jong stel. Zij ging in een ziekenhuisje in Malawi stage lopen, hij had wat voor leraar gespeeld in Uganda. Ze deden wat rondkijken in Afrika voor ze allebei aan de slag moesten.
De avond Safari vertrok om 4 uur in de middag. Het is hier in Afrika om half zes al donker. In een erg comfortabel zittende jeep met achterop 6 stoelen reed ik het park in. Moet eerlijk zeggen, gereden te worden is toch prettiger dan zelf rijden met zoiets als dit, waar je je ogen goed moet laten werken. Zag veel verschillende dieren, ook veel die ik al in andere parken of in het wild had gezien. De natuur in South Luanga wordt gezien als een van de mooiste in Afrika (maar dat claimt waarschijnlijk elk park) veel geel gras afgewisseld met bosjes, meertjes en struikjes. Zeker niet verkeerd. De gids voor in de auto was erg informatief en legde van alles uit. Over de kleine groene vogeltjes die zich aan het baden waren in het zand.

Of over de overbevolking olifanten die er 20 jaar geleden geweest is en bijna het hele park heeft verwoest. Olifanten zijn enorm vreters, wel 400 kg per dag schrokken ze naar binnen. De vele boomstompjes in delen van het park zijn er nog getuige van. En zo vrolijk keuvelend kwam dan eindelijk het verlossende moment. Plots, uit het niets, lagen er in het gele gras, aan de rand van een open veld, twee leeuwen. Waarschijnlijk opa en zijn kleinzoon. Opa was oud, en kleinzoon net tegen de pubertijd. De jeep waarin we zaten werd op tien meter van de twee geparkeerd, zo dicht bij deze twee beesten dat ik er kippenvel van kreeg. Ik zat in een open jeep, een sprong en die leeuw zat bij me op schoot. !!

De ouwe had nog wel tanden
De gids wist blijkbaar wat hij deed maar mijn hart klopte toch wat sneller dan normaal en ik verwachte elk moment door deze reuze kat te worde opgepeuzeld. De leeuwen bestudeerde ons alsof we lekkere hapjes waren maar naar een paar minuten was de interesse weg en de oude leeuw strekte zich behaaglijk uit in het lange gras. Wat een ervaring. Een ervaring waar ik deze hele Afrika reis al naar uit had gezien. Eindelijk, de koning der dieren in zicht.

Een jong mannetje, zijn manen nog niet volgroeid
Het zou die nacht nog beter worden. Eerst volgde een korte pauze. Vlak bij een klein meertje stopte de jeep. Een nijlpaard schrok van onze aanwezigheid, rende naar het water en deed een bommetje. De gids zette een tafeltje met biertjes en chippies op en onder de spetterende aanwezigheid van mijnheer nijlpaard, die zich duidelijk bedreigd voelde en zich navenant zo aanstelde in het water, dronken we een glaasje met de vallende Afrikaanse zon aan de horizon. Weer een super ervaring.
Nu het donker geworden was kwam de tweede gids in actie. Hij had een enorme zoek lamp waarmee hij onder het rijden wild alle kanten op scheen. Van alle kanten lichte er oogjes op uit de duisternis en de man, vakkundig als wat, kende het verschil tussen al die oogjes. De volgende twee uren waren nog indrukwekkender dan de twee daar voor. Na eerst een enorm stekelvarken te hebben gezien (porkypine) , wat fret-achtige beestjes en heel veel kudu’s en andere herten, dook er plots een luipaard op. Een luipaard zien is echt iets heel speciaal want de beesten zijn normaal erg schuw.

Deze grote kat had net een enorme hagedis van wel twee meter te grazen genomen en lag deze in stukken te scheuren. Een kwartier later zagen we onze twee leeuwen vrienden weer. Die hadden net een hert als avondmaal te grazen genomen. Wat voor een hert het was, was niet meer te zien want het dier lag helemaal in stukken gescheurd tussen de twee leeuwen, die, met bebloede bekken, zich tegoed deden aan het verse vlees.

Vers hert als avondmaal
Na weer een half uur zag de ogen-gids in de bosjes de ogen van twee hyena’s oplichten. Hij melde, dat als er hyena’s waren, er waarschijnlijk ook andere dieren in de buurt waren en de auto dook de bosjes in op onderzoek. De hyena steelt vaak de prooi van leeuwen of luipaarden en na wat zoeken vonden we een tweede luipaard die in het hoge gras met een dikke buik zijn lippen lag te likken. Iets verder op warren drie hyena’s bezig te vechten over de resten prooi die deze luipaard had opgegeven. Wat een gezicht, als of het zo van de Discovery Channel of Animal Planet kwam. Dit was een Safari om nooit meer te vergeten.

YESSS!!, een lui luipaard
Hoe veel geluk je op zo’n Safari moet hebben bleek wel bij terugkomst, toen bleek dat de andere auto die ongeveer dezelfde route had gereden, geen leeuw of luipaard gezien had. In de wolken liep ik, tussen de nijlpaarden door terug naar mijn auto en droomde van deze machtige ervaring.

Het was al weer vroeg op voor de volgende dag. De ochtend safari vertrok om 6 uur en was heel anders dan de vorige nacht. De leeuwen en luipaarden lieten zich niet zien. Wel veel ander wild en de koffie pauze spendeerde we tussen een kudde giraffen. Wel 30 van deze sierlijke beesten liepen rond ons. Terwijl ik aan een bakje koffie zat en knabbelde aan een biscuitje, knabbelde de lange nekken aan hoge bomen en de daarin hangende worst-vruchten. Het gele gras wuifde en in de verte stonden kuddes met antilopen, buffels en kudu’s doorspekt met hier en daar een wild zwijn. Machtig.

Mmmm, everzwijnen dacht ik nog, en dat deed me denken aan de opmerking van een van de gidsen van gisteren avond, dat er naast het park stukken wild reservaat waren waarin gejaagd werd, voor grof geld. Zelfs leeuwen, luipaarden en nijlpaarden werden afgeschoten wat bij mij een nare smaak in de bek gaf. Veel Zuid-Afrikanen betalen grof geld voor dit moord werk, geld dat in de zakken van de Zambiaanse regering gaat. Had zelf eigenlijk altijd gedacht dat dit soort praktijken toch langzamerhand wel uitgeroeid was maar helaas.

HEYY, jij ook hier
Zambia is een redelijk vredig land, ongeveer 20 x zo groot als Nederland. Het schijnt een bevolking van 11 miljoen mensen te hebben maar daar geloof ik niks van, ze zijn er vast vergeten een paar te tellen. Zambia is een presidentiele republiek, Afrika stijl. Geloof niet dat de Zambiaanse regering zo super slecht is als in sommige, hoewel je hier en daar wel morrende geluiden hoort (ja waar niet). Zambia wordt in het midden voor een groot deel opgevroten door DRC Congo die een hele hap uit Zambia neemt, waardoor Zambia eigenlijk een noord en zuid deel wordt gesplitst. In het noorden van Zambia ligt het Tangayika meer, twee na grootste zoetwater meer in de wereld. Men zegt dat er 18% van de zoetwater voorraad in zit, het meer is erg diep. Maar er zijn meer meren, zoals Mweru meer, Bangwuelu meer (allemaal in het noord deel) en het kunstmatige Kariba meer in het zuiden, op de grens met Zimbabwe.

Zambia heeft wel wat grondstoffen, vooral koper dat 65% van de buitenlandse handel in beslag neemt. En je raad wie dat in handen heeft. Juist, de president en de chinezen.
Volgende dag reed ik vroeg terug naar Chipata. Nam Bas en Marjolijn mee als lifter. Die zaten met z’n tweeën op de enige andere zitplaats die ik heb, ze werden door de hobbelige weg flink door elkaar geschud, maar hielden zich kranig. Wederom was het afzien en langzaam rijden, ik was nog steeds niet 100% maar met wat aspirientjes lukte me het wel. Vlinders vlogen me voorbij, lieve heer beestjes vlogen naar binnen maar vonden me te langzaam gaan en vlogen er weer uit. Fietsers kwamen me voorbij, maar ach, je komt toch altijd weer aan. Kampeerde tegen de avond aan in Dean’s camp, vlakbij het centrum van Chipata. Aten gezamenlijk een eenvoudige maar overheerlijk maaltijd van kip pastei met frietjes.
Het werd tijd om richting Lusaka te vertrekken. Dat ligt 600 km verderop en als je ergens in Zambia naar toe wilt, moet je altijd via deze hoofdstad. De weg was redelijk, op een paar gevaarlijke, plots opduikende, gaten in de weg na. Ging het niet halen die dag en sliep in een bergachtig landschap gewoon langs de weg. Niet ideaal maar veel keuze was er ook niet.

Deze vogels staan op elkaar, soms wel 4 verdiepingen hoog.
Via de grote hangbrug over de Luangwa rivier kwam ik de volgende dag bij Lusaka. Maar niet voor ik door een tse-tse vlieg controle kwam. Een man met een schepnetje liep rond mijn auto en keek in de stuurcabine. Ik vertelde hem dat ik het een prima idee vond. In mijn achterhoofd de enorme wolken tse-tse vliegen in Angola die een ware plaag zijn. Je kan daar alleen maar rijden als je airco hebt, zodat je je ramen dicht kan doen. Zo niet heb je 300 km lang hobbelweg met minimaal een paar steken per minuut. Gegarandeerd dat je daar ziek van word.
Zette mijn auto op het Pioneer camp. Een kilometer of 12 voor Lusaka is dit te bereiken via een erg slechte rotsige weg. Maar het Pioneer camp, eigendom van de Engelsman Paul, was net, rustig en had zowaar Wifi. Dus spendeerde twee dagen aan wat pruts werk en internet werk. Reed met de eigenaar Paul, Lusaka in voor wat boodschappen. Lusaka heeft anders niet zo veel te bieden. Het is een grote stad zonder bijzonderheden. Informeerde over de kosten om een pakketje naar huis te sturen. Bij de gewone post werd doodleuk gemeld dat de kans dat een pakket aan zou komen ongeveer 50% zou zijn. DHL rekende 100 Euro voor een pakket. Mmm, maar even wachten tot in Tanzania.

De regering van Zambia heeft een paar jaar geleden, in al hun wijsheid, besloten dat alle kinderen op scholen uniformen moeten dragen. Als je geen uniform hebt, mag je de school niet in. Nu is ook Zambia een arm land en zo maar even geld neertellen voor een uniform is voor een groot deel van de bevolking onbetaalbaar. Vele leven van een dollar per dag of minder, een uniform kost 20-30 dollar. Gevolg… een deel van de kinderen gaan niet naar school. En dat zijn dan, zoals altijd, de kinderen van arme families. Die gaan dan maar op het land werken of gaan de handel in, verkopen eieren op de markt of flesjes water. Jammer. Als ik Zambiaanse regering geweest zou zijn, had ik een internationale sponsor benadert. Bijvoorbeeld Adidas of Benneton of noem maar een wereldwijde kleding naam, en gevraagd hun die kleding beschikbaar te laten stellen in ruil misschien voor wat reclame op de shirts of misschien wat concessies in handel. Dan was iedereen blij geweest, nu is er weer meer ellende want de armste moeten het weer ontgelden.
De 28ste reed ik richting Lake Kariba. Dat is een van de grootste kunstmatige meren in Afrika. Gevormd door een dam in de Zambezi rivier ligt het op de grens tussen Zambia en Zimbabwe en zou erg pittoresk moeten zijn. De Zambezi was ik natuurlijk al eerder tegengekomen. Deze machtige rivier kronkelt van de binnenlanden van Angola en volgt dan de grens van Angola, Zambia en Botswana om uiteindelijk in Mozambique de zee in te stromen. Het was dus een oude bekende voor me.
De weg er naar toe, 150 km of zo, was redelijk. Halverwege donderde de weg echt het plateau af, zakte van 1200 naar 400 meter hoogte. De weg was druk want het is de hoofdweg tussen Lusaka en Harare in Zimbabwe en Johannesburg in Zuid Afrika, dus veel vrachtverkeer. En als de weg dan een beetje moeilijk wordt, veel bochten en steile hellingen, zie je onmiddellijk hele enge ongelukken, vrijwel allemaal met trucks. Op een van de steile afdalingen hadden ze zo’n noodstrook gemaakt waar vrachtwagens in geval van falende remmen een noodstop zouden kunnen maken. In Europa heb je die ook. Die noodstops worden dan gemaakt doordat die strook gevuld is met een diepe laag grof grint die de vrachtwagen laat remmen. Maar in Zambia had men dat grint vergeten, of iemand had het gejat. Aan het eind van de strook een afgrond (ook lekker) en een vrachtwagen stond aan die rand. De stuurcabine hing in de afgrond, de laadbak achter stond nog op de strook. De hele boel was afgefikt en stond nog te smeulen, de lokale bevolking stond de vrachtwagen leeg te roven. 500 meter verder lag een vrachtwagen op zijn kant in de geul, en weer 500 meter verder stond een vrachtwagen geschaard over de weg. En dat alles omdat het 5 km ‘moeilijke’ weg was.
Ik sloeg van de grote weg af rechts richting Kariba over de M15. Een erg mooie weg door een vrij leeg gebied. Dat was lang geleden en ik was bijna gestopt om er te slapen voor de nacht, maar het was pas 2 uur dus reed ik maar door. Bij Kariba aangekomen, of eigenlijk Siavonga, vond ik de eagle rest camp. Beetje aan de dure kant maar de locatie was dan ook erg mooi. De campsite was op een klein schiereilandje pal aan het meer. Het water in het meer stond erg hoog en ik moest deels door het water rijden om er te komen. Parkeerde mijn auto bijna aan het water, maar wel een 10 tal meter er vanaf vanwege de dieren in het water. Jammer genoeg kan je hier niet zwemmen. Behalve de Bilhartsiose zit het meer ook vol met krokodillen en nijlpaarden. Geen fijne zwemgenootjes.

Ik zat aan een kopje thee toen er een bootje langs kwam varen vol met riet. Een klein roeibootje (soort piraatje) dat zo diep in het water lag dat dat nooit goed kon gaan. Boven op het riet zaten een oude man en een jongen, ze hadden erg veel moeite het bootje vooruit te krijgen. Ze legde bij mij aan en de oude man vertelde dat er teveel water in het bootje zat. Hij haalde een paar bundels riet van zijn bootje, legde die op land en de jongen begon te hozen. Dat deed hij met een leeg half liter flesje melk, dat ging dus even duren. Ik ga hem een 2liter fles en knipte er de hals van af, dat scheelde en het hozen ging sneller. Maakte een praatje met de oude man. Hoe oud ben je, vroeg hij me. Ik vertelde het hem, en hij zei dat ik een broekie was. Hoe oud denk je dat ik ben zegt ie. Pfff, altijd moeilijke vraag, dus ik zeg 65. Haha lacht ie, ik ben 103 jaar oud!!!! Hij begin te vertellen over de tijd in de dertiger jaren, toen waren er veel Hollandse priesters bij ons in de kerk (oeps, dacht ik). En nu verbouw ik mais en groei appels en yams, dus ik houd mezelf bezig. En ik eet geen rood vlees, dat is mijn geheim. Hij snuifde wel tabak, dat was zijn enige zonde. Ondertussen was de boot weer enigszins ontdaan van water, de oude man legde de bundels riet weer op zijn bootje, klom er boven op en de twee peddelde rustig verder naar huis. 103 jaar oud, echt, ik had hem de helft gegeven. Ik eet nooit meer rood vlees (doe ik toch al niet vaak).
Luisterde die avond naar de Europacup finale en viel in slaap met het gebulder van de nijlpaarden een paar meter verder op.
Had geen zin in Kariba te blijven dus reed de volgende dag terug naar Luskaka. Daar parkeerde ik in het Eureka camp, vlak onder Lusaka dit keer. Mooie grote campsite maar erg druk en lawaaiig en ongeïnteresseerd personeel. Had net een plekkie gevonden en was bezig een kop thee te zetten toen er een overlander truck aankwam met een stuk of 12 toeristen. Bijna allemaal lelijke luidruchtige Engelse wijven, die hun tent pal, maar dan ook echt pal, naast mijn deur begonnen op te zetten. Niet een tent, maar een stuk of 6. Rood haar, dikke witte lijven en schelle schreeuwerige stemmen. Heb mijn auto maar 150 meter verderop verkast toen ik hoorde dat ze om 6 uur in de ochtend zouden vertrekken. Gecko’s Adventures safari, boek daar in godsnaam geen reis mee.
Overigens zat er ook een Duits echtpaar tussen de overlanders en daar sprak ik mee. Die gingen twee maanden mee, van Cape-Town naar Nairobi. Op mijn vraag wat ze nu van het echte Afrika gezien hadden moesten ze bekennen dat ze van campsite naar campsite gingen en onderweg weinig stopte. Ze brachten de hele dag met andere overlanders door, aten ook altijd op de camping en ze kwamen alleen ‘los’ buiten als ze in een shopping centrum waren. Ze gaan natuurlijk wel de grote attracties af, dus dat kunnen ze dan in hun vestzak steken. Maar ze maakte lange dagen met veel rijden. Vaak kwamen ze pas in het donker op een camping aan, om er dan de volgende ochtend om 6 uur weer te vertrekken. Niks voor mij.

Na een bezoek aan Lusaka in de ochtend voor wat eten inkopen besloot ik naar het Kafue nationale park te gaan, in het westen van Zambia. Maar het verkeer in Lusaka stond helemaal vast. Stond al een uur in een heel erg langzaam bewegende file en dacht handig te zijn en een sluipweggetje te nemen, met als gevolg dat ik weer helemaal terug moest en achterin de file aan moest sluiten. Zal me leren. Net als in vele andere grote Afrikaanse (en Aziatische) steden laat het openbaar vervoer hier de boel flink in het honderd lopen. De klein blauwe busjes, waarvan er duizenden zijn in Lusaka (ik noem ze de blauwe maffia) stoppen overal en nergens om passagiers te ronselen, blokkeren de weg en zorgen er voor dat er geen doorstroming is. De andere weggebruikers proberen dan er tussen door te kruipen en blokkeren vervolgens alles nog meer. Het is nog niet zo erg als in India maar als het zo door groeit duurt dat vast niet lang meer. En daar sta je dan in de file. De zon schijnt onverbeten. Uitlaatwalmen van vrachtwagens en bussen stromen je raam binnen. Lopend tussen het verkeer proberen opdringerige mannetjes je van alles aan te smeren. HEY MAN!! schreeuwen ze, en houden een kitscherig tasje omhoog, of een fles met water, telefoon hoesjes, beltegoed, chemisch uitziende sinaasappel sap, langs de weg zitten bedelvrouwen in de uitlaatgas walmen je triest aan te staren, in de hoop dat je een biljet laat vallen. Een man met een afgehakte koeienkop in een kruiwagen loopt laverend tussen het verkeer. Kruiers met van allerlei waren wagen hun leven met oversteken. Taxi’s en minibusjes toeteren voortdurend in de hoop klanten te trekken. Enfin, genoeg om naar te kijken en luisteren, maar als het dan zo lang duurt, wordt je er niet vrolijk van.
Het was pas middag voor ik eindelijk de weg naar het park op draaide. De weg was goed maar saai en ik stopte om half 5 in de bush bush om te overnachten. Had eerste een ander weggetje ingereden in de hoop op een stil plekje maar die belande plots bij een luchtmacht basis van Zambia. Oeps, geen goede plek om te parkeren, snel weer door.
Was in Malawi het Kuche Kuche bier niet zo, in Zambia drinkt men Mosi. Dit bier smaakt uitstekend en vind je overal. Ander opvallende zaak in Zambia is dat men geen muntgeld heeft. Alles met briefjes, maar wel veel te veel er van. Het kleinste briefje is van 50 Kwacha, nog minder dan een Eurocent. Daar kan je niks meer voor kopen. Dan heb je vervolgens biljetten van 100, 500, 1000, 5000, 10.000, 20.000 en 50,000 Kwacha. Dat laatste is dan het grootste biljet en is dus omgerekend 8 of 9 Euro. Ga je de supermarkt in en betaal je groot, dan krijg je dikke stapels met biljetten terug. In no time was mijn portemonnee te klein voor al dit papieren geweld.
In de ochtend was het koud. Met 16 graden heerlijk koud. En maar goed ook want toen ik in de buurt van het Kafue park kwam begonnen de Tse-Tse vliegen irritant te worden. Had het eerst niet zo goed in de gaten. Toen ik even voor een bakkie stopte had ik al snel had ik 5 of 6 van die horzels (daar lijken ze op) in mijn cabine. En die Tse-Tse beesten zijn enorme sluw en goede vliegers. En onbeschrijfelijk doelgericht. Die sla je niet even van je af, want halve seconde later zitten ze op een andere lichaamsdeel. En als je ze eenmaal te grazen hebt, moet je dat flink doen want het beest is taai en sterk. Deed snel mijn ramen dicht en ging op jacht. Ik bleef er één in de cabine houden, die was zo slim dat ik die niet te pakken kreeg. Op een gegeven moment zat ie op de neksteun achter me, me aan te staren. Ik vermoed dat ie me te grazen heeft genomen zonder dat ik het weet.
De Tse Tse vlieg verspreid de slaap ziekte, alhoewel de kans op infectie tegenwoordig erg klein is. Lokalen worden vaak meerdere malen per minuut gestoken en zijn er aan gewend geraakt. Maar ik had liever geen lekken in me lichaam, heb er al genoeg.
Bij een volgende koffie stop deed ik dat in grasland, want in bosjes is het dus niet te doen. In plaats van Tse Tse kreeg ik lokale om me heen. Een oude man op een fiets begon met ‘geef me een sigaret’. Wat kom je hier doen? Vroeg een ander. Wie kom je helpen? In wat geef je les? Zo gewend aan hulpgevende westerlingen waren zie hier verbaasd te horen dat ik een toerist was die wat rond kwam kijken en helemaal niks kwam geven of brengen.

Een van de mannen had een groot schrift achter op de fiets. Wat is dat, vroeg ik. Een oogst boek. Daarin schrijf ik wat er geoogst word en waar, hoeveel kilo etc. En hoe was de oogst dit jaar, vroeg ik. Mwahh, het ging. Maar alles is duur, pesticiden, kunstmest etc. Waar heb je pesticiden dan voor nodig vroeg ik. Voor het onkruid, om dat tegen te gaan. Maar dat kan je toch ook met de hand doen? Nee, dat is veel te veel en zwaar werk, we bestrooien de boel liever met chemische middelen. Dat is toch ongezond, al die chemie komt in je lichaam. Nee, het is juist gezond, we worden er sterker door. En de oogst wordt er beter door. Echt waar.
Een staaltje onzin dat de Afrikaan wijs gemaakt wordt, waarschijnlijk door de verkopers van pesticiden. Iets later had ik het volgende gesprek met de oude man.
Geef me een sigaret, zegt ie. Ik rook niet zeg ik, want het is slecht voor je gezondheid. Dat is niet waar, het is juist goed voor me. Als ik hard moet werken, dan is roken juist goed voor me want als ik de hele dag sta te hakken (bomen omhakken bedoelde ie) dan moet ik gewoon roken anders houd ik het niet vol. Maar, opperde ik, het is toch slecht voor je gezondheid? Daar heb ik nog nooit van gehoord zegt de man. Het staat groot op jullie pakjes sigaretten. Smoking damages your health staat er. Ik heb nog nooit een pakje sigaretten in me handen gehad, ik koop altijd maar een of twee losse sigaretten, meer geld heb ik nooit, dus dat weet ik niet hoor. Geef me een sigaret herhaalde hij.
Tegen de middag bereikte ik het Nationale Park. Dit is een van de grootste parken ter wereld, met de grote van 2x België. Maar echt ontwikkelt is het nog niet. Ik wilde proberen vanaf de ingang naar de zogenaamde Karbanga-gate of te wel de noord uitgang te rijden. Dat was dwars door het park maar ik had geen idee of het kon. Bij de park entree wisten ze dat ook niet. Ze verwezen me naar het huis van de Rangers. Die man wist het ook niet. De weg tot Lufupa zou te doen zijn, daarna moest ik het maar vragen daar. Mmm, ik wil best een risico nemen maar als ik vast komt te staan, in me eentje, tussen de leeuwen en tse-tse vliegen, nee dank je. Dus reed ik naar de Mukambi Safari Lodge. Een duur resort, maar ze hadden ook een campsite. Die was met 15 dollar de duurste tot nu toe in Zambia. Het lag dan wel aan de rivier, die vol met nijlpaarden en krokodillen zat, maar dan nog was het te duur. Besloot om die avond een nacht safari te doen. Had zulke goede herinneringen aan die in het Luanga Park, moest het gewoon nog eens doen. Dus om 5 uur werd ik , samen met drie Nederlandse meisjes die ook daar zaten in een bootje, tussen de krokodillen door, naar de overkant gevaren om een toertje door het park te maken.
Het viel me al gelijk op, dat er grote stukken geel afrikaans gras afgebrand waren. Dat word expres gedaan om te voorkomen dat het gras nog hoger zou groeien en het in de droge tijd in de fik zou vliegen, dan zouden hele delen van het reservaat worden vernietigd. Nu kon het nog gecontroleerd worden. Helaas was men zo hard aan het affikken, dat volgens mij de dieren allemaal naar een ander deel van het park waren gevlucht.
Ik zag wel veel soorten herten, maar daar werd ik niet warm van. Ik was al een beetje suf en slaperig van het hobbelen geworden (het pad was erg slecht) toen er ineens geroepen werd : OLFANTEN!! Ja hoor, links in de bosjes stond een groepje van 6 olifanten. De enorme baas olifant begon gelijk te tetteren en met zijn oren te klapperen en begon gelijk boos op de auto af te stormen. De gids gaf gas, maar de weg was zo slecht dat hij niet hard weg kon. De olifant bleef zijn achtervolging voortzetten en kwam steeds dichter bij. Ik begon het een beetje benauwd te krijgen. Weer zo’n boze olifant, minimaal zo groot als mijn vrachtwagen, die tetterend op me af kwam galopperend. Gelukkig vond de chauffeur de tweede versnelling en gaf een beetje extra gas maar de olifant gaf niet op. Ik zag mezelf al gespiesd aan de enorme slagtanden van het woeste beest. Na een minuut, die er wel 30 leken, gaf de olifant het op en kan ik weer normaal adem halen. In de consternatie had ik niet er niet aan gedacht het te filmen. Shit.
Na een korte stop bij zons ondergang heb ik geen dieren meer gezien. Een hyena in de verte, maar zo ver weg dat het niet boeiend was. Jammer. Een klein beetje teleurgesteld kwam ik terug bij mijn auto.
De volgende ochtend werd ik wakker gebruld door een groepje leeuwen. Het geluid kwam van de overkant van de rivier, over water draagt geluid ver. Het was te koud om op te gaan staan en te kijken met de verrekijker.
Bij het afrekenen hoefde ik geen park-entree te betalen, dat scheelde weer 20$ en maakte de teleurstelling van niks zien iets minder. Wilde eigenlijk het park zelf nog wel inrijden maar bij navraag bleken ook hier de wegen niet toegankelijk te zijn. Er stond nog te veel water waardoor ik gegarandeerd ergs vast zou komen te zitten wist men mij te vertellen, dus reed ik maar in een ruk door terug naar Lusaka waar ik een dagje in het Pioneer camp verbleef om de komende weken de route te plannen.
3 juni reed ik door naar het noorden. Maar niet voor eerst in Lusaka wat zaken bij de supermarkt gehaald te hebben. Ik zat vol plannen. Had tips gekregen van collega reizigers over noord Zambia en Zuid Tanzania, dus ik kon weer even vooruit. Een van die tips van de Fringilla boerderij. Die lag niet zo heel ver van Lusaka af en ik was er al om 2 uur, maar besloot er toch te blijven. Het was een grote boerderij die een eigen slachterij en slagerij had. Kocht er wat heerlijke T-bone steaks en vage worstjes, voor weinig. Na wat geprutteld te hebben op een lekker vuurtje gleden die avond een joekel van een T-Bone en wat vage worstjes naar binnen.
Zambia is geografisch een wat raar land. In het midden heeft Congo (DRC) een flinke hap uit Zambia gegeten, waardoor je eigenlijk Noord en zuid Zambia heel anders zijn. Boven aan het zuidelijke deel van Zambia ligt de zogenaamde koper-gordel. Hier komt een groot deel van de koper van de wereld vandaan. Ik scheerde dan ook de volgende dag vlak langs DRC Congo (een land waar ik liever niet meer naar toe ga) en reed door de koper gordel naar het noordelijkste deel van Zuid Zambia. Het klinkt wat ingewikkeld, maar kijk maar op de GPS kaart boven aan het verhaal. Het was er druk, langs de weg overal kraampjes waar van alles en nog wat werd aangeboden. Vooral tomaten en aardappelen, maar ook kippen, vleermuizen en watermeloenen. Als er een riviertje in de buurt is staan er steevast wat mensen langs de weg die een trosje verse vis omhoog houden, een er van had zelfs een vers gevangen buidelrat om op te peuzelen. Rond de grote stad van Kitwe was er een heel stuk vierbaanse weg, iets wat ik sinds zuid Afrika niet meer gezien had. De mijnbouw brengt veel werk en industrie met zich mee en dat brengt natuurlijk weer mensen met zich mee. Reed die dag veel kilometers en zag enorme hopen met zand, gigantische vrachtwagens en veel, heel veel verkeer. De weg was in diepe geulen gereden door het zware verkeer. De omgeving was niet spectaculair, maar hoe verder ik naar het noord-oosten kwam hoe rustiger, heuvelachtige en mooier het werd. Er kwam meer groen en eenmaal voorbij de koper gordel werd het weer prettig rijden. Mijn doel voor die dag was de Chimfunsi Farm. Ik had er wel goede dingen van gelezen en gehoord maar wist niet helemaal wat ik kon verwachten. Wist dat er een boel Chimpansees leefde. Het schijnt het grootste Chimpansee opvangcentrum ter wereld te zijn. Arriveerde er net voor het donker en had de hele dag gereden, dus was moe. Parkeerde op hun campsite (lees weiland) en had de volgende dag eigenlijk pas door dat ik een prachtig uitzicht had over de Kafue rivier.

Echte uitzicht, zonder photoshop tussenkomst
Werd gewekt door eerst een haan (om 4 uur in de ochtend) en niet lang daarna door het grazende geluid van een koe die vond dat het gras naast mijn auto het lekkerst was. Bij zonsopgang genoot ik van het uitzicht. Dikke wolken mist over de rivier, een machtige gele bol die omhoog kwam zetten en een verre blik over de graslanden die met hoog water onder lopen maar nu droog stonden. Om half 8 kwam Sylvia langs, de dochter van de eigenaresse en die vertelde me een beetje hoe de boel er in elkaar zat. Ik zal het even in het kort vertellen, want het is een indrukwekkend verhaal.
In 1947 verlieten Sheila Siddle en haar man David, Engeland in een oude leger truck. Waarschijnlijk waren ze de eerste overlanders en ze reden hun truck, die ze toen al als camper hadden ingericht, via Algiers de Sahara door en kwamen uiteindelijk in zuidelijk Afrika terecht. Na wat omzwervingen kochten ze hun huidige stuk land net ten zuiden van Congo en bedreven er veeteelt. Op een gegeven moment kwam hun zoon thuis met een bijna dode chimpansee baby, die hij van een aantal stropers had afgenomen. Over de grens in Congo DRC wonen nog steeds chimpansees in het wild en die beesten zijn goed verkoopbaar. Het circus, rijke lui die een huisdier willen hebben en de slager vinden dit beest allemaal interessant. Sheila, die altijd al wat met beesten had, nam het op sterven na dode beest in huis en na veel liefde en tijd kwam het beest er weer boven op en leefde deels bij haar in huis. Dit praatte zich in de rondte en het duurde niet lang of iemand anders kwam ook met een chimp aan en dat bleef zo groeien. Na verloop van tijd kon men de boerderij met land er naast bij kopen en men kreeg een vergunning van de Zambiaanse overheid om Chimpansee opvang centrum te worden.
Het groeide en groeide, de Chimps kwamen uit Afrika, maar ook uit Zuid en midden Amerika en het midden oosten waar veel sjeiks een Chimp als huisdier poogde te hebben. Alle beesten werden opgevangen en gevoed, alles uit eigen zak. De beestenboel groeide met kippen, pauwen, ganzen, honden (waaronder een super lieve boerboel), een kat (Biggels) en, 20 jaar geleden, een nijlpaard baby van 5 dagen oud wiens moeder was afgeschoten. Sheila nam ook dit beest onder haar hoede en het Nijlpaard Billy woont er nog steeds, nu na 20 jaar. Maar daar over zo meer.
De dochter van Sheila vertelde me dat ik mee kon met de Chimp uitlaatservice die ochtend, maar dat het me wel even 100 $ zou kosten. Normaal zou ik daar van schrikken maar ik had vooraf al van andere reizigers gehoord dat dit echt de moeite waard was. Niet alleen het uitlaten van de beesten, maar ook omdat het geld besteed word voor de opvang en dus goed terecht komt.
Voor info kijk op http://www.chimfunshi.org.za/
Ik twijfelde dus niet en om 8 uur stond ik, met een overal aan, waarvan ik de zakken volgepropt had met koekjes en snoepjes, mijn bril en pet af en mijn schoenveters dubbel geknoopt, in het chimpansee bos. Dat is een stuk bos van ik weet niet meer hoe veel hectare, geheel omringd door een stroom draad hek, de beesten kunnen daar naar harte lust vrij rondlopen. Maar in de nacht gaan ze de hokken in, en daar kwamen nu dus 6 Chimpansees uit. Ik had geen idee wat ik moest verwachten maar was wel geïnformeerd dat de twee jonge Chimps echte deugnieten waren. Als ze me zouden bijten moest ik maar een tik uitdelen werd me gezegd. Het begon rustig, De beesten kwamen op me af en binnen 4 seconde had ik een Chimpansee op mijn rug terwijl twee andere me vakkundig aan het zakkenrollen waren.

De koekjes en snoepjes werden uit mijn zakken gehaald in een nood tempo. De koekjes werden op de grond gegooid, de snoepjes waren duidelijk veel lekkerder. Sprong de ene Chimp van me rug, kwam de ander en zat in me nek, op een gegeven moment had ik drie beesten op me zitten terwijl er een mijn overal-broek aan het uittrekken was op jacht naar meer snoepjes.

De beesten waren niet hardhandig, zelfs teder, en ik begon wat meer vertrouwen te krijgen, het zelfs leuk te vinden. Na een kwartiertje dit spelletje gespeeld te hebben werd het tijd om te gaan lopen. Nou ja, ik ging lopen en de beesten werden liever gedragen. Ik droeg Domino, het stoute 4 jarige vrouwtje en onder het lopen hadden we samen lol. Ze probeerde mijn zakken nog eens goed na te voelen en ik probeerde haar er van te weerhouden. Af en toe vond ik nog een gummi beertje onder in een zak en dat at ze smakkend op, terwijl ze in mijn nek zat.

Ik houd van kaal, zegt ze tegen me
Bij een open plek in het bos aangekomen gingen de apen met elkaar spelen. Op een na, het wat oudere mannetje had blijkbaar slecht geslapen en zette zich tussen ons in. Hij liet alles met zich doen. Aaien, kietelen (en dat lachte hij als een aap) en ik had eens tijd om deze beesten van heel dichtbij te bestuderen. Opvallend de overeenkomsten met de mens, maar dat wist iedereen denk ik al.

Ik vlooide het beeste, voelde aan zijn handen en voeten en hij vond alles best. De voeten van een Chimp zijn net handen en groot en sterk. Na 20 minuten liepen we wat verder het bos in naar een andere open stuk bos en plots dook Domino, zonder waarschuwing, vanuit een boom in mijn nek. Ik had haar helemaal niet gezien en het kwam best hard aan. Ze stak ook nog eens haar vinger in mijn oog. Maar het mocht de pret niet drukken want het was zo indrukwekkend om met deze beesten te kunnen omgaan. Hun mimiek, hun tederheid en speelsheid, de twee uur vlogen voorbij. Ik had nog wel een dag zo door kunnen brengen.

Die met die blauwe overal, dat ben ik.
Na het Chimp loopje maakte ik kennis met Sheila zelf, een kranige oude dame die voor niks en niemand bang was. Ze maakte en kopje koffie voor me en melde dat ze even wat werk moest doen. Ik zat in mijn uppie op haar veranda aan het kopje Nescafé toen er plots een enorme zwarte snuit over de veranda rand richting mijn voeten werd gestoken. Ik schrok me de pleuris en deinsde een meter achteruit.

Het was Billy het nijlpaard die me welkom hete. Er sterven meer mensen door nijlpaarden in Afrika dan door welk ander dier, dus kan je beter respect voor zo’n kolos hebben. Billy kwam melden dat het tijd was voor haar warme melk (koude melk laat ze zo haar bek weer uit lopen).
Vanaf een veilige positie achter een laag muurtje kon ik Billy aaien. Haar huid is heel ruw met een soort bultjes er op. Hieruit stroomt een constante laag zweet. Als je met je hand er over gaat heb je een dikke laag slijm in je hand. Sheila melde dat dit zweet geur en kleurloos is (en dat klopte) en dat dit slijm uitstekende zonnebrand melk was. Ook schijnt het een prima anti kanker medicijn te zijn, dus ik heb maar wat op me arm gesmeerd. Zo leer je nog eens wat. Wist je bijvoorbeeld ook dat een Nijlpaard niet over en greppel heen kan of durft. Wil je dus je spullen tegen een nijlpaard beschermen, graaf een greppel. Ik meld het maar even, je weet nooit wanneer dat nuttig kan zijn nietwaar.

Slurp
In de middag reed naar de grote groep Chimps om die te bekijken, op een ander gedeelte van het landgoed. Wel 100, in een groot omheind bos. Hier kon je alleen naar de beesten kijken achter een groot hek en het gaf me een beetje dierentuin gevoel. Zeker na de ervaring van die ochtend had ik het hier snel gezien. Men vroeg of ik nog een nachtje op hun campsite wilde blijven maar eerlijk gezegd vond ik deze, ondanks het mooie uitzicht, te duur. Reed dus het landgoed af en parkeerde voor de nacht midden in het super rustige bos.
Kreeg nog het verhaal van de muggen netten mee. Europa, vol goede bedoelens, stuurt duizenden, tienduizenden, geïmpregneerde muggen netten naar Afrika om de Malaria te bestrijden. Maar ja, dit is Afrika. Dus in plaats van de muggen netten te gebruiken tegen muggen, worden ze hier gebruikt om vis mee te vangen. Men vergiftigd er gelijk de hele rivier mee, want dat impregneer goedje is super giftig. (je kan in Europa het impregneer spul ook niet meer los kopen, zo giftig is het). Weer een teken dat de Westerse bemoeizucht de ellende alleen maar erger maakt. Maar daarover was mijn mening al bekend geloof ik.
Moest het hele stuk weg langs en om de DRC Congo weer terug. Stopte in Chingola om een pakketje naar Nederland te sturen. Mijn mooie houten truck en wat andere zaken. 6 kilo, 750.000 Zambiaanse kwacha (toch effe 100 euri’s), maar het was goedkoper dan met DH. Een bedrijf overigens, waar mee ik in mijn tig jaar reizen vijf keer wat heb verstuurd en vier keer ellende heb gehad, dus die kunnen voor mij de boom in.
Verder door, over niet echt spannende maar wel redelijk goede weg en aangekomen bij de kruising met de de T2 (the great North road) sloeg ik noordwaarts onbekend terrein in. Veel overnachting mogelijkheden zijn er niet en omdat ik eigenlijk water nodig had besloot ik wat vroeg te stoppen bij de Forest inn, Een aardige campsite in het midden van niks. Ontmoete er nog een Zuid Afrikaan op weg naar Rwanda en met een uitnodiging op zak om hun, in hun ziekenhuis, op te komen zoeken, reed ik de volgende dag het deel van Zambia in waar eigenlijk geen toeristen komen.
Verliet om kwart over 8 de campsite van de Forest Inn. Stopte net buiten het hek omdat ik zag dat er een raam niet helemaal dicht zat en ik werd benaderd door een jongeman van een jaar of 18. Hij vroeg alleen of alles goed was en ik zag dat hij een klein zakje whisky in zijn hand had. Drink je NU al, om 8 uur in de morgen vroeg ik. Ja, dat heb ik nodig. Ik wordt er sterk van en dus drink ik een zakje drank elke ochtend. Als ontbijt. Hoofdschuddend reed ik weg.
Stopte in Serenje in de hoop wat verse groenten te vinden. Kocht er wat zanderige spinazie. Vond ook eindelijk weer eens een internet plek. Mooie moderne computers, flatscreens en makkelijke stoelen, het plastic hadden ze overal overheen gelaten ter bescherming tegen stof en zand. Alles aanwezig om eens lekker te browsen , behalve stroom. Reed zonder internet ook lekker verder.
Tot nu toe heb ik het naar mijn zin in Zambia. Maar dat komt omdat er veel te zien is. Moet eerlijk zeggen dat tot nu toe, het landschap niet spectaculair is en de mensen ook niet. Het landschap is veelal vlak met afwisselen wat boompjes of struikjes. Dat gaat snel vervelen. De mensen zijn op zich vriendelijk, maar beginnen na de derde zin al te zeuren. En dat houd de gesprekken dan erg kort. Zoals vanmiddag. Ik probeer dan voor een bakje thee in een dorpje te stoppen. Gelijk komen er een tiental mensen je aanstaren. Geen probleem, dus ik ga buiten mijn bakje thee drinken in de hoop op een gesprek. Krijg een jongeman van een jaar of 22, die redelijk Engels spreekt. Waar kom je vandaan, waar ga je naar toe, die vragen zijn standaard in Afrika. De derde vraag was, geef me een sigaret. Ik rook niet is dan het antwoord. Geef me dan 500 kwacha zodat ik er een kan kopen. Ik begin de man te negeren, dat heeft ie snel door. Wat drink je, vraagt ie. Thee zeg ik. Owww, ik heb nog nooit thee gedronken meld hij, in de ijdele hoop dat ik hem een bakje thee aanbied. Nu is er in elke winkel, hoe klein ook, in heel Zambia, thee te koop, voor weinig, dus ik weet dat ie liegt. Ik bied hem dan ook geen thee aan. Een andere jongen komt er bij. Hij stonk naar alcohol en begon te zeuren over bier en andere alcoholische versnaperingen. Kijk, met dat soort gesprekken is bij mij de lol er snel af. Ik probeer nog over wat anders te gaan praten en zijn opmerkingen negerend, maar op mijn vraag wat voor een werk hij doet, krijg ik dan ‘er is hier geen werk, we zijn zielig en arm geef me drank’ antwoord. Ik kiep het restje van me thee weg en rijd weg. Jammer, want ik probeer het veel, maar loop elke keer op hetzelfde stuk. Wil heel graag contact maken met de lokalen, maar het mag maar niet lukken. Vanochtend bij de koffie precies hetzelfde. Ook zo’n jochie van een jaar of 25. Ik rook base-coke, ik heb geld nodig. En zo gaat het elke keer. Snif.
In dit deel van Afrika ben ik de Mzungu. Dat is het woord voor blanke. Als je ergens op een markt loopt hoor je van alle kanten het woord Mzungu klinken. En de Mzungu is altijd rijk en heeft veel geld. Dat gelooft men oprecht.
Het is overigens wel de perfecte tijd om nu hier te reizen. Het is over het algemeen helder en droog. Overdag lekker warm rond de 30 graden en in de nacht zakt het kwik naar 15, gister zelfs 12 graden. Prima slapen. Ook de muggen laten zich bij die temperaturen weinig zien en dat is een hele verademing.
Weg wijzer borden zijn er hier in het midden van Zambia helemaal niet, Echt noppes. Ben daarom super blij met mijn GPS (en mijn tracks4Afrika kaart), dat heeft me al een hoop verkeerd rijden gescheeld.
Er zijn weinig goede wegen in dit deel van Zambia, met als uitzondering de chinese weg. Zo heet deze aftakking de rimboe in, uiteraard omdat deze weg door de Chinezen gebouwd is, en nog steeds in aanbouw is. Maar tot Mansa zou de weg af moeten zijn. En dat klopte ook, de weg was een genot om te rijden. Er zijn ook wat minder mensen, dacht ik, en tralala zingend sloeg ik de weg op richting Kasanka nationaal park. Ik had van andere gelezen dat het daar duur was en niet erg boeiend, tenzij je in November/December komt, dan is er een migratie van miljoenen vleermuizen bezig, die regelmatig de zon doet verduisteren (of de maan) door de enorme zwermen van die beesten. Bij de ingang van dit park aangekomen viel de prijs wel mee, maar de man aan de poort gaf eerlijk toe dat er , op wat speciale herten na, niet zo veel te zien was. Nou boeien me die herten niet, ook niet als ze speciaal zijn. Misschien een streepje zo, of een paar grotere oren, het blijven herten.
Had een boeiend gesprek met een erg aardige politie agent die er stond. Die was zogenaamde ‘voter registration cards’ aan het controleren. Dat is voor iedereen het bewijs dat ze mogen stemmen. Er zouden, volgens de man, dit jaar verkiezingen komen maar niemand wist nog wanneer. Reed dus door en passeerde de Luapula rivier. Deze heeft een enorme delta gecreëerd met kilometers lang drijvend gras, kleine stroompjes en prachtige natuur. Anders dan de rest van het traject was het hier vlak, uitgestrekte gele gras velden met af en toe een boompje.

Pracht plaats voor wild, maar dat is in de loop der tijd allemaal gestroopt. Je moet wat eten nietwaar. Bij een parkeerplaats dacht ik te stoppen voor de nacht. Het was er heel rustig met gigantische vergezichten over de grasvelden. Maar toen ik uit de auto stapte werd ik onmiddellijk aangevallen door miljoenen hele kleine mugjes en als een haas stapte ik weer in. Maakte het plan om net na de delta, als de bossen weer begonnen, ergens het bos in te duiken. Fout. Na de langste brug van Zambia te hebben overgestoken (3 km of zo) begonnen de hutjes en de mensen weer. Aaneengesloten mensen massa’s. Elke 50 meter een hutje, probeer daar maar eens rustig te parkeren. Dus reed door op zoek naar een rustig plekje, maar het werd alleen maar drukker. Probeerde het bij een parkeerplek maar er kwamen onmiddellijk tientallen kinderen en diverse volwassen aangesneld alsof ik honing aan mijn auto had. Reed weer snel door. De zon begon onder te gaan en ik vond maar niks. Besloot bij de volgende parkeerplek toch maar te gaan staan ondanks de mensen. Net toen het vrijwel donker was zag ik ineens een gravel groeve. Altijd favoriet om te parkeren want de grond is daar hard, ook bij regen. Er groeit niets op gravel dus woont er niemand. Zonder te denken reed ik er in, in de hoop dat niemand me gezien had. Omdat het vrijwel donker was bleven de mensen weg, ondanks dat er de hele avond stemmen van links en rechts kwamen, kinder geschreeuw, radio muziek. De hutjes stonden links, rechts en achter de afgraving maar niemand kam me opzoeken en ik sliep heerlijk rustig.
Maakte dat ik vroeg we was de volgende dag. Begrijp me niet verkeerd, de mensen zijn allemaal aardig maar als ze je eenmaal gevonden hebben heb je een schare van staarders om je heen. Als er al iemand Engels spreekt, is het meestal een ‘give me money’ gesprek en als je dan niks geeft heb je natuurlijk kans dat men je niet aardig vind, met mogelijke gevolgen van dien.
Reed door naar Samfya over de nog steeds uitstekende weg. Mijn Lonely planet classificeerde de plaats als een stoffige slaperig dorp, en dat was het dan ook. Vond zowaar een internet plekje. Had wel hulp van een lokaal nodig want het bevond zich in een school gebouwtje ver van de weg, zonder ook maar een bord of aanwijzing. Daarna reed ik naar het Samfya beach hotel. Daar zou een camping zijn aan het enorme Bangweulu meer. Dat was er ook maar het was vervallen en duur en om nou 15 euro te moeten betalen voor een parkeerplek vond ik wat overdreven. Er was geen stroom, en de douches hadden alleen maar water uit het meer. Geen idee of er Bilhartsiose in dit meer zat maar ik loop het risico liever niet. Ook hier weer miljoenen van die kleine mugjes, moet er niet aan denken hoe het er in de avond is. Daarbij was het nog vroeg, dus verliet ik Samfya weer richting Mansa.
Stopte voor de koffie bij een parkeerplaats. Er kwamen wat mensen op me af en ik begon een leuk gesprek met ze. Liet ze wat foto’s van Holland zien uit mijn Holland boek. Vol ontzag zagen ze de grote gebouwen op de foto’s zoals het centraal station in Amsterdam en het Loo. Een van de jongere jochies had een zelfgemaakte voetbal bij zich, gemaakt van plastic zakjes omringd met touw. En de mensen waren vriendelijk en vroegen om niks. Had heel graag die jongens een voetbal gegeven maar dat is een moeilijk dilemma. Als ik het doe worden ze waarschijnlijk ook zo dat ze bij elke blanke om iets gaan zeuren en dat is geen goed plan. Maar dit waren echt lokale die ik het gunde. Reed zonder wat te geven weg en voelde me er niet lekker bij. Dat is echt een probleem in Afrika.
Mansa is een stad. Men had er een Shoprite supermarkt waar ik nog wat blikvoer kocht. Stond vlak bij de Shoprite wat op de computer te lezen met mijn deur open toen ik wat geritsel hoorde. Ging kijken en een zwerver had een tijdschrift uit mijn tijdschriften houder gestolen. Die staat vlak bij de deur. Ik zag hem nog net het ding in zijn achterzak stoppen dus ik gebood hem het onmiddellijk terug te geven. ITS MINE schreeuwde hij, duidelijk niet 100%. Na dreigen met de politie gaf hij het terug en liep, waarschijnlijk zonder zich van enig kwaad bewust te zijn, al prevelend verder.
Mansa heeft geen camping en erger nog, ook geen diesel. Reed alle 5 benzine stations af zonder geluk. Had nog wel een halve tank maar de volgende dagen zou ik in de rimboe zijn en was de kans om diesel te vinden klein. Reed toch maar door richting Mbereshi. Die weg was de hel. Omdat die weg grotendeels langs een rivier loopt waren er weer overal mensen. Naar Mbereshi was 183 kilometer. De hele weg was er links en rechts om de 50 meter een hutje. Elk hutje met elk 10 kinderen voor de deur. Nog erger was dat de weg in bijzonder slechte toestand was. Een of andere halve zool had besloten dat de weg gerepareerd moest worden. Dat op zich is een nobel streven, maar het ging op zijn Afrikaans. Men had alle gaten in de weg uitgesneden en uitgediept, om ze dan later te gaan vullen. Alleen was er blijkbaar voor dat vullen geen geld meer dus waren er alleen diepe grote gaten overgebleven. Zo groot dat er langs rijden meestal onmogelijk was, dus moest je door de gaten met scherpe randen. Zo rijdend met een vaartje van 5 a 6 km per uur gemiddeld, is het geen pretje. Ik kreeg sterke India visioenen. Overal mensen die je aan staren en elke 50 meter remmen, door het gat heen, weer optrekken, remmen voor het volgende gat, etc etc. Mijn humeur zakte naar een laagtepunt en de zon ook. Maar ergens parkeren was ondoenlijk. Kan op dat soort momenten mezelf alleen maar opbeuren door mijn favoriete muziek op shuffle op de ipod hard aan te zetten. Zo overstem je ook de roep van de kindertjes langs de weg, hoewel ik toch heel wat afgezwaaid heb. Uiteindelijk, toen het helemaal donker was parkeerde ik aan de rand van de straat voor een groot school terrein. Hier stonden geen hutjes en ik hoopte een beetje rust te hebben. Na zo’n zwaar stuk rijden had ik echt geen zin in zinloze gesprekken met lokale, ik wilde alleen maar eten en slapen.
Het werd een rumoerige nacht waar ik weinig sliep. Het was net alsof ik in een zwembad sliep. Van alle kanten kwamen geluiden van mensen, uiteraard schreeuwende kinderen maar ook muziek, hard gepraat, dansen, lallende mensen, geratel met potten en pannen etc. Hoorde steeds mensen om de auto lopen. Om 4 uur kon ik de slaap echt niet meer vatten en stond om half vijf maar op. Vervolgde bij het eerste ochtend gloren de weg die nog 40 kilometer super slecht bleef.
Na Lufubu werd de weg beter. Bij een politie controle post was de agent erg vriendelijk dus bleef ik er voor een kopje koffie. De zon was op , de kou was uit de lucht en mijn humeur ging even hard omhoog. Bij Mbreshi sloeg ik rechts af richting Mporokosa. Mijn doel voor die dag waren de Lumangwe watervallen. Daar zou een campsite zijn. Na nog 30 km uitstekende weg hield deze plots op. Ik vind dat altijd zo raar. Midden in de bush-bush een pracht weg en dan plots, zonder reden verander het strakke asfalt in een bospad. Ik wist wel dat het asfalt op zou houden maar dat de weg zo small en slecht zou zijn had ik niet vermoed. Toch is dit beter rijden dan asfalt met gaten en ondanks de slechte weg was het toch wel prettig rijden. Stopte voor de lunch op, wat ik dacht, een stil stukje weg maar had al snel diverse Afrikanen aan de deur hangen. Dus ging buiten eten en probeerde een gesprek te voeren. Dat ging best redelijk tot er een jong vrouwtje met een 6 maanden oude baby bij kwam staan. Die begon vrij snel al te zeuren dat haar baby honger had en waarom ik haar geen eten gaf. Dan is de lol er al snel weer af. Ik melde zoiets als dat ik de baby niet gemaakt had en dat een baby moedermelk nodig had en niet een tomaten salade (die ik aan het eten was). Uiteindelijk wipte ze haar borst uit haar jurk en begon het kind te voeden. Ze veranderde haar tactiek en begon om geld te zeuren, ik sloot de deur en reed weg.

Lange dagen van slechte wegen
De weg bleef slecht. Ooit was hij netjes aangelegd door gravel te storten. De weg lag dus wat hoger dan het omringende land. Maar door jaren lang geen onderhoud was het gravel weg gespoeld en waren modder geulen ontstaan boven op de weg. Die waren nu droog en hard en eigenlijk niet te berijden. Dus reed het weinige verkeer wat er was (zag de hele dag maar 1 auto) links of rechts van de weg. Omdat het daar schuin af loopt rij je de hele tijd 20 graden schuin. En omdat het schuin loopt krijg je watergeulen in die schuine stukken. Je rijd dus hotsend schuin en dat is erg zwaar, zeker ook voor mijn zielige rug.
De aftakking naar de watervallen was een nog slechter bospad. Dacht eerst dat dit de verkeerde weg moest zijn maar bij navraag bij diverse lokalen (die prompt allemaal om geld vroegen) was het echt de enige weg naar de watervallen. Voorzichtig over het pad van 12 km rijdend door mooie natuur met weinig mensen, kwam ik bij de ingang van het zogenaamde nationale monument. De watervallen van Lumangwe. Er was een grote poort met slagboom en de vriendelijke man melde dat ik 15 dollar voor camping moest betalen en 5 dollar om er met de auto binnen te mogen. Probeerde wat te regelen want ik vond het wat duur. Immers was er geen douche of toilet, zelfs geen water. Eigenlijk was er gewoon niets, behalve de watervallen. Gaf het onderhandelen op en betaalde 100.000 kwacha maar besloot ook om maar een nacht te blijven ipv de 2 die ik in mijn hoofd had. De ‘campsite’ was wel mooi gelegen, echt pal aan de watervallen. Het enorme gedonder overstemde alles en de grond trilde en dreunde van de vallende watermassa. Het waterniveau was laag maar toch waren de watervallen imponerend. Niet te vergelijken met Iguacu in Argentinië«/Brazilië of de Victoria watervallen van zuid Zambia/Zimbabwe, maar toch. Sliep die nacht met een gratis massage doordat de grond en dus mijn auto constant stond te schudden door de donderende watermassa.

Opvallend in de dit deel van Zambia zijn de vierkante hutjes met strooien dakjes. Vele hebben echte ramen er in en een deur en sommige hutjes zijn versierd met diverse kleuren, potjes met planten of gekleurde stenen. Vrijwel alles is van baksteen gemakt en sommige hutjes zijn erg mooi. Ook hebben sommige hutjes een naam. De leukste vond ik toch echt het hutje met opschrift ‘Kenny’s Space centre’. Toch wel gevoel voor humor die Zambianen.

Vertrok de volgende ochtend niet al te vroeg. De care-taker was hoogst verbolgen dat ik nu al weg ging en ik was hoogst verbolgen dat ik weer een dag hotsen en botsen voor de dag had. Ik zal je de details besparen. Het is genoeg om te zeggen dat ik die dag 103 kilometer aflegde met een gemiddelde snelheid van 14 km per uur. Vond pal voor het vallen van de duisternis weer een gravel groeve. Het geluk was aan mijn kant, en ik sliep als iemand die gehypnotiseerd werd, wham ik was weg.
De volgende dag herhaalde het ritueel zich maar ik begon wel steeds moeier te worden. (die dag 135 km, met 13 km per uur gemiddeld, bijna loopsnelheid) Dagen van heen en weer schudden kosten zijn tol. Je moet 100% geconcentreerd rijden en het schiet niet op. Dus ga je je maar vermaken met muziek of met mensen pesten langs het pad. Elke keer als ik hoorde ‘give me money’ (een beetje de standaard begroeting van de Zambianen heb ik zo langzamerhand het idee) ging ik of héél boos kijken, of stak ik me middelvinger op, of maakte ik een ander niet net gebaar. Al zo experimenterend merkte ik wel dat de Zambianen daar allemaal niets van snapte en men bleef rustig door zeuren. De omgeving bleef op zich wel mooi, heel veel bossen en groen, afgewisseld met kleine akkertjes. Veel cassave zag ik weer. En mais natuurlijk. Hielp nog twee jonge mannen die langs de weg stonden met hun kapotte fiets. Er op een 50 kilo zak mais, maar de ketting was stuk en de trapper afgebroken. Bracht de zware zak naar hun dorp 4 km verderop. Als dank kreeg ik een ‘God Bless you’. Aardig.
Op het hele traject van drie dagen hobbelen ben ik twee (!) keer een auto tegen gekomen. Om maar aan te tonen dat deze weg niet echt populair is.

Voor collega overlanders, rijd deze weg NIET in de regentijd. En vanaf Kaputu wordt de weg iets beter (verwar niet met Kaputa in het noorden). Verder gewoon geduld hebben en van de schone natuur genieten.
Opvallend in Zambia zijn de grote aantallen Jehova getuige kerken. Of geloofs hallen noemen ze het hier. Al hotsend over deze lange weg kon ik daar eens goed over nadenken en ben er van overtuigd dat de Jehova hier zo veel aanwezig is omdat de mensen geen deur in hun huis hebben. Die kan je dus ook niet dicht gooien als ze langs komen. En dan komt van het een, het ander.
In de avond kwam ik helemaal gaar aan bij de Chishimba watervallen. Daar was een campsite maar ook deze stelde weer niks voor. Een grasveld. Water was er niet (ja uit de rivier), ook geen douches. Dus ging, zo gaar als ik was, met de man in onderhandeling over de prijs. Na gezakt te zijn van 75.000 naar 50.000 vond ik het wel goed en zette mijn auto tussen de weekend vierende Zambianen. Een er van was erg aardig en ik werd uitgenodigd voor de barbecue, we wisselde adressen uit.

Kreeg een uitnodiging om op de koffie plantage en fabriek te komen kijken waar een van de dochters werkte. Maar toen ik daar de volgende dag langs kwam was het zondag, en dus de fabriek dicht. Reed verder naar Mpulungu aan het Tanganyika meer, een van de grootste zoetwater meren van de wereld. Vlak voor ik daar aankwam zakte de weg van een hoogte van 1400 meter naar 600 meter en steeg de temperatuur van lekker warm naar vies heet. Vond er Nkopi lodge net buiten het centrum en besloot daar een weekje te gaan staan om wat onderhoud aan de auto te doen. Mijn visa voor zambia loopt de 18e af. Ik had het zo gepland dat als ik op de laatste dag de grens over zou gaan naar Tanzania, ik daar met een 30 dagen visa precies goed uit zou komen voor mijn vlucht naar Nederland op de 17e.

En nog meer watervalletjes
Hing wat rond in Mpulungu, het dorp op zich stelde niet veel voor. Het was er druk, warm en stoffig maar ik vermaakte me er wel. Ik houd van dit soort chaotische dorpjes, ik weet niet waarom. De markt was niet groot en veel was er niet te halen. De groente markt bood tomaten, aardappelen en wat sinaasappelen, af en toe een avocado, maar dan hield het op. Dat werd dus teren op mijn blik groente. Er lag wat vage bladgroente. Op mijn vraag wat het was (ik hoopte spinazie) melde de vrouw..’ Kwacha’. Ok zeg ik, maar wat is het. ‘ 500 Kwacha’ was het antwoord. Enfin wat ik ook vroeg, het was het enige Engels wat de dame kende en ik moest er wel om lachen.
Er is een officieel markt gebouw met lange betonnen tafels waar de waren in stapeltjes zijn uitgestald. Maar waarschijnlijk kost het geld om hier te staan dus is er een straat verder op ook een groente markt. Op een open plek achter wat winkels zitten vrouwen op de grond, hun waren uitgestald op een zeiltje of doek. Het zijn altijd vrouwen die de verkoop doen, geen enkele man. Kocht daar wat gele aubergines, die had ik nog nooit zo gezien.
Overigens zijn winkel en markt tijden hier nog vreemder dan bij ons. Op vrijdag is het de bid dag voor moslims, dus in de middag zijn vele winkels dicht. Op zaterdag is het gebedsdag voor een groot deel van de christenen en is vrijwel alles dicht. Op zondag is het de dag voor de andere christenen om naar de kerk te gaan en is er ook veel dicht, dat geeft dus drie dagen dat je beter niet kan gaan winkelen. Niet echt productief.
Had een cd gekocht met lokale muziek bij een van de winkeltjes. Mooie Zambiaanse Gospel zang, alleen deed een deel van de cd het niet. Ging er de volgende dag mee terug. We maken een nieuwe voor je zei de man, maar ik zag al dat dat lang zou gaan duren dus opperde dat ik het de volgende dag op de zelfde tijd op zou halen. Geen probleem zegt de man en begon gelijk er over te bellen. De volgende dag keek hij me appelig aan. Oh ja zegt ie en klimt weer in de telefoon. 5 minuten later komt de verantwoordelijke man binnen lopen en zegt nergens wat van te weten. Dat euvel was snel bijgepraat en hij beloofde naar huis te lopen, waar zijn computer stond, om een nieuwe te branden voor me. Ik ben over 20 minuten terug zegt ie. Ik doe ondertussen wat boodschappen en kom 20 minuten later terug, uiteraard geen man te bekennen. Ik vraag in het winkeltje. Hij komt zo zegt de eigenaar. Ik ga buiten zitten wachten, ik weet hoe dat gaat in Afrika. Na nog een kwartier stapt de eigenaar naar buiten met wat papieren, doet zijn winkeldeur op slot en zegt dat ie zo terug komt, mijn cd was in aantocht. Ik zit nog een half uur te wachten voor een dichte winkel en krijg er genoeg van. De eigenaar had zijn muziek cd’s buiten uitgestald en de cd’s zaten in de hoesjes. Dom dom. Ik neem er eentje waarop staat ‘greatest zambian hits 2011 MP3′ en zegt tegen een andere man die voor de winkel staat te wachten dat ik nu een uur heb gewacht. Vertel maar aan de eigenaar van de winkel als ie terug komt, dat deze Mzungu een andere cd heeft meegenomen en niet langer wacht, en ik loop weg. Verwacht half of politie, of een schreeuwende eigenaar van de winkel achter me aan te krijgen maar niemand kraait en ik heb nu 150 extra dunki-dunki nummers.
De Nkopi lodge eigenaar, Dinesh, was een man uit India en we kletste heel wat af. Ik ontmoete ook Michael en Cynthia Stemmet met hun klein zoontje Joshua. Er was, toen ik hier aan kwam een TV crew die opnames deed voor een nieuw programma, ’80 ways around the world’. Michael en Cynthia zaten met de producer te praten en al snel had ik dus nieuwe vrienden. Het waren erge sympathieke mensen. Ze nodigde me uit voor een picknick aan het meer de volgende dag. Heerlijke curry met zelfgemaakt brood. Het zijn zuid afrikanen die wat in de godsdienst doen (alhoewel dat nooit ter sprake kwam) en ze waren bezig zelf een huis te bouwen op een stukje land vlak bij de Lodge waar ik verbleef. Ik nodigde ze uit voor de lunch de volgende dag en we konden het goed met elkaar vinden. We wisselde gegevens uit, ik schonk ze wat drop en ze gaven een cadeau mee voor mijn moeder die volgende maand 80 wordt. Aardig toch. Het is fijn dat je in een land als Zambia af en toe dit soort sympathieke mensen tegen komt, dat geeft ieder geval weer eens een goede afwisseling met de ‘give me money’ Zambianen.

Stemmet Familie
Dinesh vertelde me dat hij hier en daar wat land bezat, en nu bezig was een stuk land in Botswana te kopen. Ik vroeg wat een stuk mooi land hier koste, aan een meer of zo, hij had het over 15 of 20.000 dollar. Eigenlijk best wel interessant, maar ik had geen tijd er verder op in te gaan, ik moest de volgende dag weg. We spraken af email contact te houden, je wet nooit wat er op komt.
Het laatste stukje weg in Zambia was slecht, bar slecht. Tot Mbala nog asfalt, daarna een zanderig pad vol met kuilen en soms met een laag stof van wel 15 cm diep. Van dat héle fijne stof. Ik liet, ondanks de lage snelheid, een gigantische wolk stof achter me. Minder leuk was het, toen de wind op kwam zetten. Die kwam namelijk van achter. Elke keer als ik moest remmen voor een gat of een steen, waaide de stofwolk bij me naar binnen. Aangekomen bij de grens kon ik niet eens de snelheids meter meer lezen door de dikke laag stof die zich voor in de auto had afgezet. Een keer mijn neus snuiten keverde een kilo stof op. Bah. Had ik alles gepoetst vorige week, werk voor niks geweest dus.
De grenspost was klein. Een gebouwtje met daarin douane en immigratie. De papieren waren snel rond en de beambten waren erg vriendelijk. Ik had als beroep opgeschreven dat ik computer engineer was en prompt kwam de douane beambte met een laptop aanlopen. Mijn geluid doet het niet, zou je er eens naar willen kijken, vroeg hij. Dat deed ik met plezier natuurlijk maar alle instellingen waren in orde dus ik vermoede een hardware probleem. Kon hem niet verder helpen. Hobbelend reed ik Zambia uit, op weg naar de grenspost van Tanzania, 500 meter verderop.
Mijn samenvatting over Zambia kan kort zijn. Er is wel het een en ander te zien en doen in dit land, en dat maakt het boeiend. Ik vind de mensen aardig maar niet erg sympathiek en erg zeurderig. Doorgaande wegen zijn goed en het was er prettig rijden. Ik hoef niet terug naar Zambia, alhoewel ik het geen straf zou vinden, maar ik heb het wel gezien hier. Landen waar het moeilijk contact leggen is met lokalen, bezoek ik meestal maar een keer.
Om te onthouden.
Pita = sigaret in lokale taal (Pemba of zo)
Diesel kost 7700 kwacha per liter
Wisselkoers in 6500 kwacha per euro
Flesje bier 8000 kwacha
250 gram versie sperciebonen 5000 kwacha
4 of 5 tomaten (ze verkopen per stapeltje) 5000 Kw
(*) Leo de Mexicaan heeft het gehaald. Ongetraind maar wel gezond, heeft deze Mexicaan het gepresteerd om de hoogste berg van de wereld te beklimmen. Petje af voor deze doorzetter. Daar zal ik nog wel eens op terug komen.
