CamperCassie

Mali again ✓

Ik kon alleen in Mali mijn ruit laten maken, dus toog ik weer terug van het ene hete land naar het ander. Bezocht ook de Dogon en probeerde Timbouctou maar helaas. Mijn rugpijn nam zulke verontuste vormen aan dat ik naar het lokale ziekenhuis ging. Dit verhaal is groot en kent 11.283 woorden, 60 minuten leestijd.

De weg van Bobo door zuid Burkina is mooi. Veel groen, ongerept. Weinig tot geen platgebrande stukken bos, weinig dorpjes. Erg rustig en fijn rijden. De grensovergang naar Mali was zonder problemen en het ging allemaal snel en efficiënt. Aan de Malinese kant van de grens een lange rij met tankwagens die om de een of andere manier niet verder konden of mochten. De chauffeurs stonden me te smeken of ik aub diesel uit hun tankauto wilde kopen. Kreeg het idee dat dat hun manier was om wat geld te krijgen en zo te kunnen eten. Maar vond het prijsverschil te klein om dat risico te nemen van vervuilde diesel.

In Mali werd de weg kwaliteit duidelijk minder. Deze weg heet de trans shahel highway. Maar veel highway was het niet. Na Sikasso werd het zelfs heel veel minder en reed ik op een oude asfalt laag, breed genoeg voor een auto, met veel gaten en veel happen uit de zijkant. Vorderde daarom langzaam. En waarom die loslopende stomme geiten (echte geiten dan he) altijd willen oversteken net als ik er aan kom, dat snap ik nooit. Had die dag een hoog geit gehalte.

De weg kwaliteit viel wat tegen, maar de omgeving was mooi

Toen men ook nog eens aan de weg aan het werk was (in tegenstelling tot in Burkina, was het wel een rotzooitje van werkzaamheden maar zag ik niemand werken) was de doorgaande weg verplaatst naar een in de haast aangelegde vent-piste. Dat maakte de vorderingen nog langzamer, en ik besloot voor de nacht ergens het nog steeds aanwezige bos induiken. In dit deel van Afrika is het geen Jungle, maar wat bomen afgewisseld met struiken en gras. Zocht een pad uit wat niet vaak gebruikt leek te worden (kan je zien aan de sporen), en parkeerde mijn auto 100 meter van de weg. Ondanks dat ik dacht niet zichtbaar te zijn kreeg ik plots toch visite van een oude ingedeukte Ford Fietsa met vier jonge mannen er in. Het was al aan het schemeren en ik vertrouwde het niet. Dan is het wel eng dat je alleen zo in de jungle staat, geen sterveling verder in de buurt om je te helpen als er eens wat is. Gelukkig waren de vier alleen nieuwsgierig (maar ik schreef toch het nummerbord op voor de zekerheid) en ze draaide hun auto om en onder luid ‘Bon Soir’ stoven ze weer weg.

Ik lag net lekker onder de sterrenhemel op het dak te puffen van de hitte toen er een harde wind op stak. De lucht betrok ook gelijk en ik vermoede dat het zou gaan regen. Probeerde het toch daar boven, immers was het lekker koel met die wind, maar toen mijn muggengaas van de stokken sloeg door een rukwind toch maar in de warme auto gaan slapen.
Om 6 uur stond ik al zwetend op. Door naar Bamako waar ik goede verhalen had gehoord over ‘ Le Cactus’ , een soort camping op 15 km buiten het centrum van Bamako. Via een bezoek aan een bandenboer (proberen kan altijd) en de supermarkt raakte ik bij het oude Canadese echtpaar wat de Cactus runt. En oud waren ze inderdaad. De aardige dame zat in de stoel en we raakte wat aan de praat. Haar man had hier van allerlei werk gedaan voor de Canadese overheid en ze waren er na blijven hangen. Hij was ook oud en langzaam. Beide waren ze vriendelijk maar ik had toch een wat andere ambiance voorgesteld van de cactus. Ik kon parkeren op het veld, er was vrijwel geen schaduw. Er gingen continu grote kiep vrachtwagens voorbij, ze waren ergens in de buurt wat aan het bouwen waarschijnlijk. Er was geen stroom, er was geen water. Ok, je kon douchen maar ook dat water was van een melkachtige kleur en stonk naar toegevoegd chloor.

Op het moment van open doen van de deur van de camper stroomde er honderden vliegen de auto binnen en die waren er niet meer uit te krijgen. Je zat de hele dag vliegen uit je mondhoeken of andere delen van je lichaam te jagen, en vaak vlogen ze zo ‘ boink’ tegen je aan, blijkbaar hadden ze weinig vlieglessen gehad. In de avond na een uur of 7 gingen de vliegen blijkbaar slapen, maar die rust duurde niet lang, al snel haalden de muggen de ijzers uit het vet.. Bah bah. Dat alles, samen met de enorme hitte die hier nog steeds hing (vandaag 44 graden en geen zuchtje wind) maakte het voor mij geen paradijsje. Een ding was wel waar, men had me verteld dat de vrouw des huizes een enorme goede kok was, en de steak-frites die ik die avond bestelde was ook van uitstekende kwaliteit (edoch wel wat duur met 4500 Cfa).

Die avond begon het wederom, net toen ik lekker lag op het dak, enorm te waaien en weer moest ik naar binnen verkassen waar ik die nacht niet lekker sliep vanwege de enorme hitte. De verwachte regen bleef uit.

Had eigenlijk een paar dagen in Bamako willen blijven om te kijken of ik wat met mijn voorruit kon regelen en voor wat andere kleine dingen. Ik vond het echter te warm en ‘de Cactus’ had te veel vliegen en muggen, geen water en geen elektra. Het was volgens de oude eigenaar van ‘de cactus’ dit jaar uitzonderlijk warm en de hitte hield ook veel langer aan dan normaal. Besloot al snel om die klusjes uit te stellen en taaide in de ochtend af richting `Boly. Vond zowaar een snelle weg de stad uit en stopte na een uurtje bij een dorpje waar er markt was.

Het eerste wat de Malinezen kinderen op school leren in het Frans is de befaamde woorden “ Doné moi une cadeaux’ en die woorden oefende ze erg graag op mij.

Als je niet veel hebt moet je inventief zijn, een Afrikaans spatbord

In Kita, zo’n 100 km verder gooide ik voor 100.000 Cfa diesel in me tank. Ik realiseerde me goed dat het voor veel mensen die hier in de omgeving wonen even veel is als een jaar salaris. Moest bij het verlaten van het dorp tol betalen van 1000 CFA (1,6 Euro), maar de man had niet terug van 5000. Na wat onderhandelen mocht ik met een 1000xdank je biljet betalen. De man waarschijnlijk in de veronderstelling dat het 1000 Euro was , was erg in zijn sas. Ik ook trouwens.

Door via de jungle weg naar Manantali. Die weg was slecht, dat wist ik, dus geen verrassingen daar. Toch blijf ik het onprettig rijden vinden, en na een half uur over die weg was de melk in de ijskast zuur, en ik ook. Er zijn onderweg erg weinig dorpjes en toen ik al een half uur lang niemand gezien had parkeerde ik mijn auto tussen wat bomen voor de nacht. En GVD, het is altijd hetzelfde. Nog geen 3 minuten later komt er een man op zijn brommer langs, rijd voorbij, stopt, draait om en komt naast me staan om me aan te staren. Zijn tweede zin was ‘ Il ni a pas une cadeau pour mois?’ De man kreeg als cadeau wat Hollandse kracht termen.

Eenmaal bij Boly aangekomen de volgende dag was het eerste wat ik deed…plons…ahhhhhhh..

De mode hier in Mali, maar ook in omringende landen is simpel. Een voetbal shirt. Het mag oud zijn, verschoten, vol met gaten, maakt niet uit, als het maar een voetbal shirt is. Van de mannen dragen schat ik 60% er van een shirt van een van de bekende, meestal Europese clubs en 40% van bekende Afrikaanse voetballers of landen. Daaronder dan vaak een korte of lange broek, plastic zwemschoenen of teenslippers en dan heb je het gehad.

De eerste week aan het goddelijke water werd ik geveld door spit, een oor ontsteking (denk ik) en algemene lamlendigheid. Van de rugpijn kwam ik maar moeilijk af. Dacht eerste eens een of twee dagen niks te doen, oftewel rustig blijven en mijn rugspieren wat rust gunnen. Maar dit werkte niet echt. Omdat er dringend werk op me lag te wachten besloot ik me toch maar eens te gaan inspannen. Met een flinke dosis ibuprofen begon ik om mijn achter band, die waarschijnlijk lek was, maar eens te gaan plakken. Een band van een vrachtwagen plakken is geen licht werk maar het vreemde was dat ik na al dat til werk helemaal geen rugpijn meer had. Alsof de rugpijn kwam doordat ik niks deed. Dat zou natuurlijk best eens kunnen. Dus bleef de volgende dagen actief ondanks steeds pijn aan mijn oor en toch een niet helemaal weggaande rugpijn.

De auto was een zooitje van binnen, overal stof en zand en regelmatig moest ik lang zoeken om iets te vinden. Het werd tijd om de boel eens binnen-ste-buiten te zetten, uit te mesten en te reorganiseren. Het was en bleef echter warm zodat ik dit maar meestal tot 11 uur vol hield om me dan *plons * in het water te laten vallen en de rest van de dag moest uitrusten van deze hevige arbeid.

Na een week rugpijn vertelde een lokaal me dat hij mijn rug wel onder handen kon nemen, hij had ervaring en dat zou goed helpen. Dom, die fout heb ik eerder gemaakt in India, gevolg was dat ik hierna nog meer pijn had. Toch bleef ik wel elke dag wat doen, anders roest je helemaal vast denk ik.

Het regenseizoen begint er aan te komen en je ziet her en der mensen hun veldje in gereedheid brengen. Meestal vrouwen of kinderen, heel soms mannen, staan dan met hun bijltje de aarde los te woelen. Dat bijltje, wat iedereen hier gebruikt, komt zo uit de oertijd. Maar, toen ik er zelf ook eens mee werkte, lag het ding lekker in de hand.

Op een van die voortkabbelende dagen, het was zaterdag, kwam Boly langs om een uur of 9 in de morgen. Ik stond net een kastje uit te soppen en was van plan koffie te gaan maken. 10 minuten later zat ik met Boly, en een andere gast die ineens op kwam duiken, aan de koffie. Ja zegt Boly, vandaag ga ik eens niks doen. Het is zaterdag vandaag (onze zondag) dus vandaar. Ik vraag hem, maar waarom kom je dan hier. (Met hier bedoel ik waar ik sta, tussen zijn mango bomen en zijn groente en fruit tuintje, 750 meter van zijn dorp vandaan. Hier werkt ie op normale dagen een paar uur aan, maar niet al te hard hoor). Nou zegt Boly, ik kom om te slapen. Ik kijk hem verwonderd aan. Slapen? Maar dat doe je toch ‘s nachts. Waarna hij mij verwondert aankijkt. Nee hoor, ik kan de hele dag slapen, en dat ga ik dan vandaag ook lekker doen daar, onder die boom. Het blijven rare snuiters die Afrikanen. Op mijn suggestie om op de vrije dag eens met zijn vrouw en kinderen op te trekken keek hij op zijn beurt mij verwondert aan. Die gaan wel naar de markt of zo. Pardoes legt hij zich dan ook een half uurtje later onder de aangewezen boom en komt er niet mee onder vandaan. Ik maakte ondertussen al weer een volgend kastje schoon, dook 6 keer het water in en poetste de kruiden potjes een extra goed. Pff, om moe van te worden, zou die Boly toch gelijk hebben?

Boly met vrouw en kids. Straalt intelligentie uit nietwaar..

De tijd sleepte zich voort. De eerste week was snel voorbij, en op de eerste dag van de tweede week begon het tegen de avond plots enorm te waaien. Moest me haasten om de ramen dicht te gooien. De enorme wind werd gevolgd door enorme zwarte wolken en 15 minuten later goot het op zijn tropisch, met bakken dus. Dat haalde snel de warmte weg en een heerlijke koele nachtrust was het gevolg. Nadeel zag ik pas de volgende ochtend. Twee van mijn wielen stonden waarschijnlijk op zwakke plekken want die waren zeker 5 cm in de sompige grond gezakt. Dat is nog te overkomen, maar als het wederom zou gaan regenen zou dat wel eens verder kunnen zakken. Kon zo snel geen oplossing bedenken, er zijn hier geen stukken hout of zo voorhanden of onder de wielen te gaan zetten. Toen Boly de volgende dag aan kwam zetten wees hij mij op een grote stapel stenen een stuk verder op, die ik mocht gebruiken om onder mijn wielen te gaan zetten maar daar was ik toch echt even te lamlendig voor. Toen het de nacht daarop echter weer vreselijk tekeer ging bleek de ochtend daarna mijn vrees waarheid te zijn geworden en stonden mijn twee voorwielen bijna 10 cm in de grond gezakt. Ik moest nu dus wel. De krik zakte echter ook diep weg en het duurde even voor ik de betreffende wielen zo hoog had dat ik er wat stenen onder kon gaan leggen. Maar kijken hoe lang dit het uithoud.

Overigens heeft de storm van afgelopen avond me flink overvallen. De snelheid waarmee de storm aan kwam zetten en de heftigheid had ik nog niet eerder meegemaakt. Op het moment dat de eerste windvlagen begonnen lag ik in het water. Holde snel richting auto en begon de boven luiken dicht te draaien. Daar net klaar mee pakte een rukwind een van mijn zijramen die nog open stond, rukte het raam helemaal los uit de sponning en deponeerde het hele raam 15 meter verder. Gelukkig viel, bij nadere inspectie de schade mee. Er zat wel een scheurtje in het plexiglas van het raam maar die is dubbelwandig, en de beide stelpoten die aan het raam zaten bleken op zo’n manier te zijn afgerukt dat ik ze nog kon herstellen.

Vond het altijd raar dat ik in deze landen brommer rijders met een mondkapje zag. In de grote stad kan ik me er nog wat bij voorstellen in verband met de luchtverontreiniging, maar op het platteland zie je die dingen ook. Ineens snapte ik het. Ze dragen een mondkapje tegen de insecten. De mensen hier hebben nogal vaak de gewoonte om hun mond open te laten (zware lippen denk ik), en als er dan een wesp naar binnen dreunt onder het rijden, dat is niet gezond. Vandaar natuurlijk, nu is het me wel duidelijk ja.

De regelmatige hoosbuien zorgde er voor dat het langzamerhand steeds minder warm werd. De temperaturen van 44 graden overdag zakte naar 35 toe, de nachten kwamen ook al in de buurt van de 25 graden. Dat maakte alles wel een stuk aangenamer en het had perfect geweest als ik niet steeds meer last van mijn rug bleef krijgen. Ik zwom wel een keer of 10 per dag alhoewel ik daarin steeds voorzichtiger werd. Dit omdat ik de melding kreeg dat er een grote krokodil in de rivier zwom, nog geen 500 meter verderop stroomopwaarts. Ook zat er niet ver stroomafwaarts een troep nijlpaarden en die wil je ook niet graag tegen komen in het water.

Ook op de grond enge beesten. Deze megaspin had het kroost op het achterlijf zitten. Dat grijze, zijn duizenden kleine spinnetjes.

De pijn aan mijn rug straalde langzamerhand ook uit naar mijn nier en ik begon me zorgen te maken. Fietste dus op een dag naar de apotheek die me prompt, zonder eigenlijk maar goed naar mijn verhaal te luisteren, een doosje pillen gaf. Ze bleken wel goed te helpen want die avond was ik van mijn pijn af. De volgende ochtend echter, was het wederom zelfde verhaal, alleen werd het steeds erger. Begon de noodzaak in te zien dat ik het lokale ziekenhuis maar eens moest gaan bezoeken. Het was zaterdag, dus nam me zelf voor om op maandag, als ik nog steeds pijn had, naar het ziekenhuis te gaan. De pillen van de apotheek hielpen ook niet meer en de pijn begon uit te stralen naar regio blindedarm. Foute boel.

Op zondag werd ik wakker met pijn en naarmate de ochtend vorderde werd die pijn heviger en heviger. Maar ja, ik was daar helemaal alleen. Om 11 uur in de ochtend was de pijn zo hevig dat ik me niet meer kon bewegen zonder de tranen in mijn ogen te krijgen. Toen er een klein jochie uit het dorp hier in de buurt langs kwam om zijn kleren te wassen, vroeg ik hem om Boly te gaan zoeken want ik moest echt naar het ziekenhuis nu. Het jochie begreep het en liep terug naar huis maar naar een half uur had ik nog niemand gezien. Omdat de pijn nog verder toe nam besloot ik met de eigen auto te gaan.

Mensen die zelf een camper hebben weten, dat als je eenmaal ergens wat langer staat, je niet zomaar weg kan rijden met je auto. Alle kastjes staan open, er slingert van alles rond je auto, warm water douche hangt aan de buitenkant, luifel is uitgedraaid, alle ramen staan wijd open, enfin, normaal gesproken ben je dan wel een uurtje bezig om de boel rijklaar te maken. In mijn toestand nam het 10 minuten in beslag. Flikkerde alles wat los lag op de grond, deed de kastjes en ramen dicht en liet verder alles buiten op de grond liggen. Met heel veel pijn en nog meer moeite stapte ik achter het stuur, startte de auto en reed de eerste 100 meter. Ik kon door de pijn echter niet rechtop zitten en de tranen sloegen me in de ogen. Ik moest mezelf dubbel vouwen van de pijn, maar dat gaat wat moeilijk achter het stuur. Stopte de auto en liet me zelf naar buiten vallen. Op handen en knieën was de pijn het minst. Begon er ook nog eens bij te hyperventileren en hevig te transpireren, enfin, ik dacht dat ik ter plekke het loodje zou leggen. En zo vond Boly me. Die kwam met een kennis op een motor, en ze wilde me op die motor naar het ziekenhuis brengen. Ik zag dat niet zo zitten. Ik wilde liever met mijn eigen auto, als ik dan daar moest blijven stond de auto ieder geval safe en niet op een stuk onbewaakt land aan een rivier. En als ik achter op een motor zou kunnen zitten, zou ik ook met eigen auto kunnen. Verzocht Boly dan ook even wat geduld te hebben tot ik uit gehyperd was.

Zo zat ik, op handen en knieën, hoofd richting grond, straaltjes zweet van me gezicht af lopend, te proberen de pijn onder controle te krijgen. Na een minuut of 10, die wel een uur of 10 leken, had ik ademhaling onder controle en zette mijn tanden op elkaar om weer in de auto te klimmen. Kermend van de pijn propte ik mezelf achter het stuur en begon ik de 5 km naar het ziekenhuis te rijden. Na een kilometer leek het weer fout te gaan, maar met wat wilskracht, de airco op 10, de tanden knarsend en heel scheef achter het stuur zitten kreeg ik het voor elkaar bij het ziekenhuis aan te komen. Daar was een slagboom en een bewaker, die wilde me niet naar binnen laten. Ik siste tussen me tanden door (want ik had het nu echt gehad), HOSPITAL, JE SUIS MALADE, maar de man had geen meelij en wees me dat ik maar achteruit moest rijden en elders moest parkeren. Toen ik dat volgens hem ook nog niet snel genoeg deed begon ie tegen me te snauwen dat ik snel weg moest. Ik wilde de man als een mug dood drukken, maar ja…

Eenmaal uiteindelijk in het ziekenhuis aangekomen te zijn, strompelde ik de behandelkamer binnen. Ik was de enige klant, het was duidelijk  zondag dienst. Ik kon alleen nog maar op me knieën zitten en voorovergebogen als een aap op me handen staan, anders was de pijn onhoudbaar. En zo vertelde ik stamelend mijn verhaal. Er werd wat gevoeld, wat gevraagd , wat gedrukt, en al snel begon de doctor een receptje te schrijven. Die medicijnen moesten bij de lokale apotheek gehaald worden, dat wilde Boly wel voor me doen. Die was, tezamen met motormuis, achter me aan gereden. Ik kon niks en toen ze 3 minuten later terug kwamen bleek dat ze de medicijnen eerst moesten betalen. 15.000 Cfa (24 euro of zo), maar niemand had zoveel geld bij zich. Ik had 8000 Cfa ik mijn portemonnee, en ik verzocht ze het daar mee te doen en zo gauw de medicijnen zouden werken zou ik uit de auto het restant halen.

5 minuten later kreeg ik twee injecties. De pijn is nu over 3 minuten weg claimde de doctor. Maar na 10 minuten lag ik nog steeds te creperen op de grond. Het duurde een half uur voor de pijn in zo verre zakte dat ik mezelf van de grond op kon hijsen en kon denken aan een strijdplan. De doctor gaf aan dat hij vermoede dat ik of een lelijke niersteen had, of een blinde darm ontsteking, of beide. Maar ze konden in dit ziekenhuis niets voor me doen, want men moest eerst zeker weten wat het was. Dat kan men alleen vaststellen door of de boel open te gooien (niet aanlokkelijk), of via een echo machine binnen in te kijken. Dichtstbijzijnde plek waar dat kon was in Kita, 150 km verderop.

Er werd me aangeraden om een auto te huren, en met die auto naar Kita te gaan, of een chauffeur te huren en die mijn auto naar Kita te laten rijden. Als derde optie kwam men aan met de mogelijkheid een ambulance te regelen, maar dat zou wat duurder zijn. Na niet al te lang wikken en wegen besloot ik de ambulance te bestellen. Koste dan wel 100 euro, maar dan zou ik er wel snel zijn. Snel op zijn Afrikaans dan he. Ik zal je de details besparen van al het regelwerk dat er bij kwam kijken, laat ik dit zeggen, om 3 uur besloot ik een ambulance te bestellen, om 7 uur was die er dan ook eindelijk en om 8 uur reed hij weg. Mocht mijn auto op het bewaakte ziekenhuis terrein laten staan. De pijn was afgezwakt naar een hevige pijn in mijn zij en zo begon de rit naar Kita.

De eerste 100 km van die weg is een zandpad /puinhoop, heel veel kuilen en wasbord. Ik had er zelf, van Kita naar Manatali met mijn auto, bijna een hele dag voor nodig. De ambulance deed het in 3 uur en 15 minuten. In het donker. Daar lag ik dan, op een houten stretcher, met een stekende pijn in mijn zij, terwijl de ambulance er in het donker met zo’n rotvaart over heen scheurde dat ik me afvroeg of het nemen van de ambulance niet gevaarlijker was dan mijn huidige medische situatie. Af en toe vloog de auto zo hard door kuilen dat ik bijna tegen het plafond zat (en ik lag op de bodem, dus das een heel eind omhoog vallen).

Een nieuwe steel voor mijn schop werd met de hand gemaakt. Schuren deed hij met de ijzerzaag.

De Doctor in het ziekenhuis van Manantali had me gevraagd of ik naar het ziekenhuis wilde, of naar een kliniek. Omdat ik het verschil tussen beide niet kende vroeg ik…: wat is beter. Een kliniek werd onmiddellijk vermeld, dus wilde ik naar een kliniek. De doctor belde naar een kliniek en men werd daar op de hoogte gesteld van mijn komst. Om 11 uur in de avond kwam ik aan in Kita. De kliniek bleek een armoedig gebouw te zijn, vies en vuil, afval slingerde in het rond. Ik moest 5 minuten buiten wachten en daarna werd ik geholpen door een jonge arts. Ik moest op de behandel tafel (vol roest, scheuren en gaten) en er werd een toestel naast me gezet dat leek op een oud tv scherm. Ook een soort hand scanner kwam er bij en na het opspuiten van een dikke laag gel op mijn onderlijf ging hij op die manier kijken. Het apparaat was een oud echo apparaat wat men gebruikt om bij zwangere vrouwen te zien of alles goed gaat. Voor dit probleem bleek het ook goed te zijn want als snel hoorde ik ooooo’s en aaaa’s en begon de doctor met zijn mobiele telefoon foto’s te maken van het scherm. Na een kwartiertje met die scanner over mijn onderbuik en zijkant te hebben gegleden kwam het hoge woord er uit. Ik had geen blindedarm probleem, mijn nieren zagen er verder goed uit, maar ik had een kalksteen van anderhalve cm in mijn rechter nier. Toch wel een beetje opgelucht (want dat is niet levensbedreigend) vroeg ik hem wat ik hier aan moest doen. Jaaa, maar dat weet ik niet, dat moet je aan je eigen doctor in Manantali vragen, ik doe alleen maar de scan.

Het was ondertussen 12 uur in de nacht en ik vroeg of ze bedden hadden hier in de kliniek. Nee , je moet naar een hotel melde de man. En zo reed ik, om 12:30 achter op de brommer van de jonge arts, een hotel binnen. Ondanks dat ik nog niet dichter bij een oplossing was, wist ik ieder geval wel wat het probleem was. Kreeg van de doctor ook nog wat pillen tegen de pijn (die wonderbaarlijk hielpen) en de volgende dag pakte ik de bus terug naar Manantali (6 uur, volgepakt, kippen, stinkende mensen enfin, het normale publiektransport van Afrika en Azië).

Ondertussen begon, in de bus, mijn bovenbeen steeds een slapend gevoel te geven. Ik dacht dat het was van het lange zitten in een houding in de afgeladen bus (het was een vrachtwagen met achterop een soort bus gebouwd), maar ook buiten de bus bleef het been slapen. Dat gevoel kende ik van 5 jaar terug, toen ontstond er een hernia en had ik ook zo’n levenloos gevoel in mijn been, maar toen in het onder-achterbeen, nu in het boven-voor been. Dat in acht nemend ging bij mij het lampje branden.

Ik had niet alleen last van een niersteen, ik heb er een tweede hernia bij gekregen. En dat was het gene dat zo veel pijn deed. Mijn eerste Hernia ontstond in 2004 of zo in India, ik heb toen ook lopen janken van de pijn. Maar die hevige pijn was plots over, daar voor in de plaats had ik een zeurderige rugpijn en een gevoelloos onderbeen. De lokale doctor daar vermoede een hernia en een scan van mijn rug een aantal jaren later bleek inderdaad dat dat het geval was. Ook dit keer hevige pijn. Omdat die echter van twee dingen af kwam heb ik niet herkend waar het vandaan kwam.

Volgende dag, terug bij de doctor in het ziekenhuis van Manantali. Ik zou terug naar Bamako moeten voor een oplossing. Maar een oplossing voor een hernia is er niet, dus zal ik nu voortaan met een dubbele hernia door het leven moeten.

Maar is dit vaag of niet. Mijn eerste Hernia kreeg ik in Manali, mijn tweede in Manantali. De eerste in Juni, de tweede in Juni. De eerste toen ik een paar weken niet reed, maar uitrustte, gevlucht voor de warmte, en mijn tweede idem dito. Bij mijn eerste hernia stond ik aan een rivier geparkeerd, bij mijn tweede ook. Allemaal overeenkomsten, dat kan geen toeval zijn lijkt me.

Ik had ondertussen een heel trosje medicijnen en die hielpen erg goed. Besloot dus nog een of twee daagjes aan het water te blijven. In de ochtend als ik wakker werd had ik veel pijn, maar na het nemen van een grosje pillen was alles na een uur alsof er niks gebeurt was. Ik kon zwemmen, lopen, zelfs tillen als het moest (maar dat deed ik maar niet).

Ik kende langzamerhand zowat iedereen van het dichtstbijzijnde dorp. Daar was een kind geboren. Lijkt me niks bijzonders, er zijn hier zo veel kinderen. Maar nee hoor, er werd vandaag niet gewerkt, het hele dorp nam vrij. Op de vraag hoe vaak ze per jaar dan wel niet vrij namen, kreeg ik geen antwoord. Maar ik was uitgenodigd, en, werd er bij verteld, men hoopte wel dat ik dan de camera mee zou nemen.

Op naar het dorp. Er werd me gelijk veel duidelijk. Een Malinees dorp bestaat uit een verzameling van ronde hutjes. Per familie staan de hutjes bij elkaar in een soort cirkel, soms door een rieten schutting afgebakend van de hutjes van andere families. Maar alles staat vrij dicht bij elkaar en zo word een dorp gevormd. Komt er een vrouw bij, dan komt er ook een hutje bij. Ook als de kinderen wat ouder worden, en er geld is, krijgt die zijn eigen hutje. En zo wordt het dorp als maar groter en voller.

Een dorp bestaat uit wat ronde lemen hutjes met rieten daken.

Geiten, schapen en kippen lopen vrij rond in het gehele dorp. En kinderen. Héél veel kinderen. Toen ik al bij het dorp aan kwam, kwam er een hele zwerm kinderen op me af die me bij de hand namen, een vinger per kind dus ik had 10 kids aan me hangen.

Van die kinderen wordt je wel wat moe

Moe-met-het-nieuwe-kind zat binnen in een hutje wat vaags te koken. Ik had een kokosnoot meegenomen als cadeau (niet wat ze verwacht hadden haha) en had besloten een paar mooie foto’s te maken van Moe en kid, om die dan uit te printen en te geven. Op het moment dat ik de camera uit mijn zak haalde gonsde het als een elektrische golf door het dorp heen en in no time had iedereen zijn ‘ goede kleren’ aan en moest men op de foto. Na 50 foto’s had ik er wel genoeg van en ging ik eens rond het dorp lopen. Begon te snappen waarom iedereen altijd zo stonk. De kippen en geiten/schapen kakken overal, dat word dan weer plat gelopen, de kinderen spelen erin en gaan stinken doordat ze onder de dieren kak zitten. De ouders gaan vanzelf dan ook stinken, alles leeft en slaap immers in een hutje.

Het kind (volgens mij was ze niet ouder dan 18) met het kind. (de blauwe)

Ook werd mij duidelijk waarom er in elk groot dorp altijd veel ‘ accu laad winkels’ zijn. De kleine dorpjes hebben geen elektra, maar men wil wel muziek, dus staat er bij elk huis een accu waar de radio dan op draait. Het dorp had ook een TV, maar hiervoor moest dan wel de generator gestart worden. Helaas had niemand geld voor benzine dus was er meestal geen stroom. De accu kan geladen worden in het grote dorp maar ook dat kost geld, en tijd. En je moet er voor heen en weer, een hoop werk waar je erg moe van wordt.

Toen ik, twee weken daarvoor had geopperd dat ik graag naar de WK wedstrijden van Nederland zou kijken en dat ik dan wel benzine zou kopen voor de generator was iedereen heel blij. Helaas wilde ik, vanwege mijn rugproblemen terug naar de hoofdstad Bamako, en daarover was met erg verdrietig.

Overigens is het hebben van meer dan een vrouw hier de normaalste zaak van de wereld. Dat dit bij moslims zo is was bekend, maar ook de katholieken laten zich niet achterstellen en trouwen twee drie of vier keer. En dat is een gewoonte die denk ik mede zo is omdat veel vrouwen betekend dat er veel vrouwen voor je werken. Dan kan je zelf langer onder de boom liggen, zo is het maar net.

Neem onze foto… we zijn zo blij. De twee mannen zijn de `Imans’ van het dorp.

Op 10 juni verliet ik Manantali en kwam de volgende dag heelhuids in Bamako aan. Had wel wat rugpijn gehad onderweg maar de medicijnen werkte goed. Op zondag melde ik me bij de kliniek Pasteur. Werd er door een jonge doctor geholpen die me vertelde dat er weinig aan te doen was. Zowel de steen als de rug moest ik maar aanzien, opereren was een optie maar een allerlaatste en zou ik beter in mijn eigen land kunnen doen. Kreeg wederom andere pijnstillers mee, daar kon ik het mee doen.

Er zit niet veel anders op dan om mijn reis gewoon voort te zetten. Keek vandaag Nederland-Denemarken, Tjonge jonge wat een stelletje arrogante lui dat Nederlands elftal. De hele eerste helft durfde er niemand een bal diep te spelen en was elke Nederlandse speler bang om de confrontatie aan te gaan. Resultaat saai brei en ping-pong voetbal, tikkie terug en nog een tikkie terug. Ik schaamde me wederom Nederlander te zijn (net als in Nepal 4 jaar terug). Door een mazzel doelpunt  voor komen was helemaal schandalig. Diep in de tweede helft werd het beter met een zwarte invaller (iedereen hier vond dat prachtig), maar op deze manier komt Nederland niet ver.

De gezondheid was nog niet geweldig maar onder controle en ik wilde verder. Het werd tijd om richting Ghana te rijden. Dat wilde ik via Timboektoe en Dogon land in Mali, dan Burkina Faso door en hoppa, ik zou er zijn….

Op dinsdag 15 juni verliet ik Bamako (hoofdstad Mali). De les van mijn vorige verhaal was om niet meer voor lange tijd stil te gaan staan. En als je het wel doet, niet bij een rivier in de buurt. En omdat ik nu aan de Niger rivier stond was het : hoppa in actie.

Met de gezondheid ging het wel ok. Nam nog wel medicijnen tegen de pijn maar merkte wel dat het iedere dag wat minder nodig was. Minderde dus al snel de dosis en een week later nam ik helemaal niets meer, zonder grote problemen.

Wilde voor het verlaten van de stad twee tussenstops maken. Een bij de supermarkt om wat vlees te kopen en een bij een ruitenbedrijf om te kijken of ze een nieuwe voorruit voor mijn auto hadden. Ik was toevallig gisteren langs die ruitenwinkel gelopen en vroeg op goed geluk of ze een vooruit voor me hadden. Oh geen probleem hoor, kom mee naar ons magazijn en dan halen we er een voor je. Ik stond even met de mond vol tanden maar herinnerde me snel dat altijd alles mogelijk is in Afrika, maar als het puntje bij het paaltje komt dan krijg je altijd een smoes. Niet geprobeerd altijd mis, om 10 uur stond ik voor die winkel met mijn auto. De man reed met mij mee naar het magazijn 4 km verderop. Had ik zelf nooit gevonden. De eigenaar van het magazijn kijkt 2 seconde naar mijn auto, liep het magazijn in en kwam 1 minuut later terug met een raam. Kijk hier is ie zegt ie. Zonder iets te meten.

Ja ik ben gek, daar trap ik echt niet in. Zomaar een raam pakken en dat aan mij verkopen, en als ik het wil inzetten blijkt het niet te passen en zit ik helemaal zonder voorruit. Maar de man bleef beweren dat het de goede was. ‘Wij zijn professional hoor’. Ik ging meten, de maten leken te kloppen. Ik ging nog eens meten, en nog eens meten maar kon niks fout ontdekken. Een raam van een auto heeft behalve een lengte en breedte, ook een bepaalde kromming en dat is niet op te meten. Sprak een prijs met de man af voor het raam inclusief het inzetten (voor die prijs kon ik in Nederland nog geen half raam kopen) en na 3 uur hard werken had ik een perfect passend nieuwe voorruit. Mijn achting van en voor de Afrikaan steeg zienderogen, dit had ik echt niet verwacht.

Vakkundig werd mijn voorruit vervangen

Pompiedompiedom reed ik naar de supermarkt, kocht wat vlees en zette aan voor de rit richting oosten. Het was ondertussen al 4 uur dus ik reed niet lang en zette mijn auto na 50 km aan de kant voor de nacht. Het was een vruchtbare dag geweest.

Ik kocht veel vlees bij de supermarkt, omdat je op het platteland vrijwel alleen maar geit kan kopen, en dan vaak nog zo onhygiënisch als wat. Vlees met vliegen, ach, daar lig ik niet wakker van, maar als ik dan zo’n rotte geur er bij ruik, hoeft het voor mij niet meer. En dat heb ik vaak meegemaakt. Ik vermoed dat dan het vlees wat men verkoopt niet bedorven is maar dat men de afval om de hoek of achter de muur gooit, en dit al jaren zo doet, met gevolg dat alles naar rottend vlees ruikt. Men maakt dan ook het hakblok niet goed schoon, en bingo, lekker luggie. Ik had ooit in Manantali ook voor 80 cent geroosterd vlees gekocht. Toen ik het papieren zakje waar het in zat, thuis open maakte kwam er zo’n walgelijke lucht uit dat ik de hele boel aan een lokaal cadeau deed, die met plezier alles op heeft lopen smikkelen.

De volgende dag reed ik 500 km richting Djenné. Zo ver omdat er tussen Bamako en Djenné eigenlijk niet veel te beleven is. Een paar kleine steden (Segou, Bla etc), maar daar was ik al een geweest en die stelde ook niet veel voor. En ik wilde wel eens kijken met mijn ‘ nieuwe’ rug of ik nog lange afstanden kon rijden. En dat ging wonderbaarlijk goed ondanks dat ik wel een pijnstiller nam in de ochtend.

In Djenné (of eigenlijk er net voor) zocht ik mijn bekende plekje aan de rivier op (riskant om weer aan een rivier te gaan staan). Het was die dag ouderwets warm geweest met 40 graden, maar in de nacht kwam er een fikse storm opzetten. Hield het gelukkig wel redelijk droog (ik stond op kleigrond. Veel water en ik zou er niet meer wegkomen), maar het waaide hard en in de ochtend was het 24 graden !! Oh wat was het lekker die dag.

Bij een politie controle post net voorbij Segou zag ik nergens een agent en de slagboom stond open. Dus reed ik er rustig doorheen. Ik was net halverwege de slagboom toen er hard op een fluitje geblazen werd. Ik keek in de spiegel en zag een agent zwaaien, dus stopte maar. De man kwam aanlopen en begon tegen me te foeteren dat dit een controlepost was en ik behoorde te stoppen. Ik deed maar een beetje dom en knikte ja en amen. Ik moest achteruit rijden en de auto aan de kant zetten zegt ie. Dus ik reed twee meter achteruit, ondertussen nog steeds de weg blokkerend en stapte uit. Blablabla kwam ie al weer aanlopen, heftig gebarend, de man was duidelijk niet in zijn sas. Kalm blijven is het devies, dus ik stond hem een beetje appelig aan te kijken terwijl hij zijn gram in het Frans over me heen gooide. Plots kwam er een hoge ome aanlopen, en hij zegt wat tegen de agent die onmiddellijk boos tegen zijn superieur over mij begon te razen. De superieur zij tegen de man (dit in de lokale taal, maar ik ving genoeg op om het te begrijpen): Beste man, toeristen laten we met rust, laat die man doorrijden en haal je gram maar bij een lokale bus chauffeur. Ik bedankte de superieur, zei nog pardon tegen hem, en gaf de boze agent een knipoog. Stapte snel in en reed weg, want kreeg het gevoel dat de agent me ter plekke wilde villen.

Ik had er al een keer over geschreven maar het blijft irritant al die geiten, koeien en schapen op de weg. Er lopen in Mali héél veel beesten op de weg. In tegenstelling tot in India mag je hier wel de koe aanrijden maar het blijft onverstandig. Geiten steken vaak net over als je aan komt rijden. Je kan in Afrika niet echt hard rijden maar zelfs als je met 50 of 60 aan komt rijden is het irritant dat er zo’n beest voor je auto springt. De lokale bestuurder trekt zich er niets van aan en rijd gewoon op die beesten af, er van uitgaand dat ze op tijd opzij springen. Dat dat lang niet altijd zo is, is te zijn aan de vele dieren lijken langs de kant van de weg liggen. Ik als Europese chauffeur druk toch altijd op de rem. Ik wil geen dierenleed op mijn geweten als het niet hoeft, en al helemaal geen bloed aan, of deuk in, mijn auto. Daarbij had ik net een vet mooi nieuw raampje, en dat wil ik zo houden. Dus veel remmen en vloeken, claxon ingedrukt houden. Het meest irritant zijn die geiten die niet weten wat ze willen. Meestal lopen geiten in een kleine kudde. Als dan de ene helft van de kudde aan de ene kant van de weg staat te grazen en de andere aan de andere kant, staan er altijd een paar geiten aan de kant van de weg. Als je dan aan komt rijden worden ze zenuwachtig en weten niet of ze nou naar link of naar rechts gaan vluchten. En dan maken ze rare bokkensprongen die regelmatig, in paniek, pal voor mijn wielen eindigen. Grrrr.

Zo hebben veel jongens hun navel. Noemen ze een outie

In de avond kan je momenteel geen lamp aan doen. Zo gauw je dat wel doet, wordt je onmiddellijk afgestraft met een zwerm vliegjes, mugjes, motten, sprinkhanen en andere rare vliegbeesten met van allerlei tentakels, voelsprieten of vage vleugels. De aantallen zijn zo enorm dat je dit al snel afleert. Ook werken op de computer is niet handig in de avond. Je scherm zit onmiddellijk helemaal vol met kruipende insecten. Dus een film kijken is moeilijk. Dat houd in dat je bezigheden in de avond nogal gelimiteerd zijn. Tenzij je een afleiding manoeuvre toepast. Als je , zeg op zo’n 10 meter van de auto, een felle lamp zet (bijvoorbeeld mijn Coleman benzine lamp) dan trekt die alles aan wat vliegt en kan ik nog redelijk een filmpje kijken zonder dat het scherm te veel onder de creepy-crawlers zit. Het wordt wel eens tijd dat iemand me dat nou uitlegt. Ik bedoel het zijn allemaal nacht beesten neem ik aan. Ik vermoed dat die verblind worden door het licht (alhoewel een computer scherm nou niet zo veel licht uit straalt) en er dan op af vliegen omdat ze niets kunnen zien. Maar gisteren avond ging ik buiten douchen en ik zette het kleine lampje aan binnen in de klep waar de douchekraan zit. Toch wel prettig als ik kan zien of alles ingezeept is, maar na 3 minuten kon ik het hele lampje niet meer zien, zo erg. Toch maar weer de grote felle lamp buiten gezet.

Na een dagje rust aan de Niger door naar Savaré. Daar was ik al eerder in het kampement Via-Via geweest en dat was bevallen. Er waren toen wat Belgische stagiaires, beetje vaag verhaal, maar ik at toen lekkere Belgische patat met een vissie. Daar aangekomen kon ik voetbal kijken, kon ik mijn auto neerzetten en alles was mogelijk. De wedstrijd Nederland-Japan gekeken, wederom geen fraaie wedstrijd en daarna geprobeerd om vervoer naar Timboektoe te regelen.
Timboektoe is eigenlijk niets bijzonders, een stad aan de rand van de woestijn maar het heeft een mythische aantrekkingskracht. En sinds het maar 250 km hier vandaan is, moet je dat gewoon doen. Vorige keer dat ik hier in de buurt was, was het veel te warm.

Eerst bij het kampement Via-Via zelf geprobeerd. Maar van de 14 mensen die er rondhingen (letterlijk), had er maar een interesse om zijn bek open te trekken. Een auto om daar naar toe te gaan koste me maar liefst 55.000 Cfa per dag. Das bijna 100 Euro. Dacht het niet. Dan maar met openbaar vervoer. Bij het bus station aangekomen werd me al mede gedeeld dat er geen directe verbindingen naar Timboektoe waren. Ik moest via via, maar niemand die eigenlijk wist te vertellen hoe. Begon er al een beetje de pee in te krijgen, graag of niet. Liep net het bus station uit toen er een ventje achter me aan kwam. Ja mijn oom heeft een jeep, en die gaat morgen naar Timboektoe. Toevallig zeg. Wat voor een jeep? Ja dat wist ie niet. Hoeveel mensen gingen er in? Ja veel. Wat koste het (en ik wist dat het 15000 Cfa of zo p.p. zou moeten kosten). Ja 20 of 25.000. Ik denk ja zak er in, als het allemaal zo moeilijk is dan hoeft het niet voor mij. En dus verliet ik de volgende dag met eigen auto het plaatsje Savaré op weg naar Dogon land.

Eerste stuk weg naar Bandiarga was bekend, daarna wilde ik door naar Sanga. Dat was het dorpje dat het dichts bij Dogon gebied lag, en van hieruit kan je lopend het gebied gaan bekijken. Het stuk Bandiarga naar Sanga was 45 km of zo maar koste bijna de hele dag. Erg slecht zandpad met veel rotsen er tussen door haalde de snelheid er wel uit.

Welkom in Sanga. de weg was klote, de boog wel mooi

Vlak voor Sanga werd ik al een paar maal aangesproken door gidsen die zich aanboden. Ik ging daar op in, om eens in te schatten wat de prijzen zouden zijn. Was van plan twee dagen rond te gaan lopen en wilde de prijs weten van deze twee dagen geheel inclusief, eten slapen , belastingen, gids etc. De eerste snuiter begon al gelijk met 150 Euro. Niet in Cfa maar Euro. Die man heb ik vrolijk bijna omver gereden. De tweede had het over 80.000 Cfa (110 Euro), dat leek er meer op maar ook die wuifde ik weg. Vlak voor het dorp kale sjaak met brommer. Ja ik ben echte gids, papiertje laten wapperen, je kent dat wel. Hij noemde 60.000 CFA, 90 Euro, dat leek mij een redelijk uitgangspunt. Dus zeg tegen hem, ik ga naar het kampement in Sanga, als ik daar gestelled ben dan praten we er over. Ik breng je wel roept hij. Hoeft niet, zeg ik. Er is maar een weg, zo moeilijk is het niet. Ik rijd wel voor je uit zegt ie. NEE zeg ik, hoeft niet, rijd maar door ik tref je in het dorp wel. Enfin, dat bleef zo maar door gaan en het ventje begon me danig te irriteren.

Bij het kampement aangekomen stond kale sjaak al glunderend binnen op me te wachten. Vond dat vervelend want dat kost weer commissie. Het kampement stelde ook niet veel voor en toen ik vroeg om de douche en toilet te zien sprongen de tranen me in de ogen van de pis-lucht. Zo erg heb ik dat vast niet meer geroken sinds ik als baby in me luier pieste. De eigenaar leek erg ongeïnteresseerd en de immer aanwezige kale sjaak die aan me plakte alsof ik met hem ging trouwen deden me besluiten wat anders te gaan zoeken. Ik liep weg, onder de vermelding dat het mij teveel stonk in hun toilet en misschien wel terug zou komen. Kale sjaak wist onmiddellijk een ander adres; ik zal je voor rijden roept ie me toe. Ik loop op hem af en vraag of ie wel oren heeft. Hoezo zegt ie. Ik zeg, als jij oren hebt, dan heb je gehoord dat ik al drie keer aan je heb gevraagd of je me alleen wilt laten. Maar je hoort het niet, dus ben je ook geen goede gids. Met andere woorden, ik wil jou niet als gids, ga naar huis of zoek een andere toerist.

Danig op zijn flinke neus kijkend, liet ik de kale sjaak achter me. Maar het duurde niet lang. Onderweg naar een ander kampement kwam ie achter me rijden op zijn brommertje, grote smile op zijn bek. Ik wijs je wel even de weg. AHHHH,…… dat is het nadeel als je off-seizoen komt, je bent als een licht in de duisternis, en alle motten komen als blinde debielen op je af.

Het bordje ‘camping’ dat ik vervolgens zag verwees naar camping maar er was alleen een restaurant en verder helemaal niks. De eigenaar bleek een aardige gast die wat woordjes Hollands sprak. Hij deed veel met tour-groepen, ook Nederlanders, en was bezig iets verderop een camping te maken maar die was nog lang niet klaar. Het enige wat dus klaar was, was het bord ‘ camping’. Maar de man kwam met een redelijk voorstel voor een twee daagse loopje. Dus parkeerde mijn auto op zijn nog-niet-affe camping en vertrok de volgende dag om 7 uur in de ochtend richting de Dogon’s.

Even dan maar over de Dogon’s, want dat is een verhaal apart. De geschiedenis van het Dogon volk is een beetje een mythe en eentje die, zo heb ik het idee, graag in stand word gehouden voor het toerisme. De geschiedenis van de Dogon zoals die bijvoorbeeld in de Lonely Planet staat beschreven wijkt op een aantal punten af van wat mijn gids me vertelde. Ik zal even in het kort vertellen hoe ik vermoed dat het gegaan is.

In de 13e eeuw vluchtte er een groep mensen die de Dogon hete, vanuit het oosten van Mali, op vlucht voor een leger van Islamieten. De Dogon zijn animisten (geloven in interactie met dieren) en aangekomen in dit gebied zochten ze schuil voor het nog steeds naderende leger in en rond de kliffen alhier. Deze kliffen zijn op sommige plekken  600 meter hoog en lopen 250 km van noordoost naar zuidoost Mali. Boven op de kliffen is het plateau, onderop de vallei.
In en rond deze kliffen woonde op dat moment de pygmeeën. Deze hadden opslag plaatsen en grafkamers in de klif wand gebouwd. De Dogon, die arriveerde met 4 mannen en 4 vrouwen, geloofde dat de pygmeeën konden vliegen.
Nadat de Dogon zich daar gesetteld had, kapte de Dogon veel bomen om het hout te gebruiken voor koken en bouwen. De pygmeeën leefde van het fruit van de bomen, en omdat men dus hun maaltje verloor, trokken de pygmeeën weg. De Dogon maakte touwen van de baobab boom en ging hiermee steile klifwanden op om ook zo hun doden in de oude pygmee graven te gaan neer te leggen. Een gebruik wat nog steeds in stand word gehouden.

De Dogon zijn ondertussen uitgegroeid tot een fikse bevolking (en dat allemaal van die 4 paartjes waar het mee begon. Wel 100% meer dan alleen Adam en Eva), en bezetten nu een kleine 30 dorpen in de hele lengte van de klif wand. Veel van deze dorpen zijn van de buitenwereld afgesloten (zo beweert men, maar ik zag in een aantal dorpen jeeps, brommers en andere westerse vervoersmiddelen), en men hanteert nog steeds de gebruiken van 700 jaar geleden.

En nu even heel wat anders. Had een poosje geleden zelf mango ijs gemaakt en toen ik dat op een gegeven moment aan het opeten was kwamen er twee gastjes voorbij die uiteraard naar me bleven staan kijken. Dus, in een goede bui, schepte ik een brok mango ijs en gaf dat aan ieder in hun hand. Ze staken het in hun mond maar ik zag aan hun gezicht uitdrukking dat ze dat niet verwacht hadden. Met heel veel moeite ging het stuk ijs eindelijk door de keel. Ik vond dat wat vreemd want het was gewoon gepureerde mango met wat melk en slagroom poeder. Dus het smaakte eigenlijk gewoon naar mango, en dat eet iedere halve zool hier. Pas een half uur later bedacht ik me ineens waarom. Mensen hebben hier erg slechte tanden (gebitten worden halfhartig gepoetst met een tak van een bepaalde plant, die erg op zoethout lijkt), maar enthousiast is men er niet mee. Gevolg is veel rotte tandjes, en als je dan een stuk koud ijs daar tegen aan krijgt…..weet je vast hoe zeer dat kan doen. Het was dus waarschijnlijk niet mijn ijs bereiding kunst maar hun rotte gebitten die de zure bekjes veroorzaakte. Volgende keer als ze langskomen krijgen ze een tandenborstel.

Goed, terug naar Dogon land. Om 7 uur in de ochtend zette ik, tezamen met mijn gids Buba Napo (kan ik aanbevelen, mail me voor zijn tel nr), de pas er in. Ik had een rugzak met wat reserve kleding (het zou kunnen gaan regenen), mijn medicijnen, anderhalve liter water, mijn water filter en nog wat ander klein spul mee. Bij elkaar kilo of 4 denk ik. Bupa had een tasje van 200 gram bij zich en een fraaie besneden wandelstok. Het was die dag heiig, dat maakte het niet te warm en dus lekker om te lopen. Het eerste uur liepen we over een soort platte rots grond. Dat zou in de felle zon super warm zijn denk ik.

Via een kloof naar beneden klauteren

Na een uurtje ontstond er zich een spleet in de grond en die spleet, die hier en daar een paar honderd meter breed was, om 300 meter verder weer in een enge kloof te veranderen, daalde langzaam naar beneden. Het vergde hier en daar nogal wat hachelijk klimwerk maar er liepen op het pad ook oude dametjes dus als die het konden, moest het mij ook lukken. Daarbij heb ik nu een dubbele hernia, dus dat is dubbel lol.

Twee uur later en 600 meter naar beneden, kwam ik aan in Ireli, mijn eerste Dogon dorp. Tja wat moet ik er van zeggen. Het is een wirwar van hutjes en muurtjes tegen de klif wand aangebouwd. Er worden veel stenen gebruikt in de bouw, de boel wordt afgesmeerd met modder en hoppa, er is weer een huuske. Het stonk er overal naar poep en pies. Zowel menselijk als dierlijk want iedereen doet zijn behoefte waar die hem op voelt komen.
Het is rustig in de dorpjes. Er is geen elektra dus geen radio’s of blèrende TV’s. Ook geen auto’s of brommers, en dat maakte het erg gemoedelijk.
Het was duidelijk dat hier regelmatig toeristen kwamen. Vrijwel 100% van de kinderen die hier los rondlopen uiten de ‘ Doné moi une kado’ kreet. Toen ik er wat tegen over mijn gids van zei, zei hij….ja, maar sommige toeristen geven ook dingen, en zo leren we het ze nooit af. Vooral Spaanse toeristen hebben altijd pennen, snoepjes of muntjes om weg te geven volgens hem.

In de klif wand liggen de dooie

Zoals ik reeds schreef worden de doden van de Dogon in de klif wand begraven. Hier worden de lichamen opgegeten door de beesten en zo is er al snel weer plaats voor meer lichamen. Voor de ‘begrafenis’ word het haar van het hoofd afgeschoren, dat blijft beneden in een potje, en word geofferd aan de bergwand.

Elke familie heeft een huis. Omringd door opslagplaatsen en een midden plaats. Net als in heel Mali. De opslagplaatsen zijn verschillend. Je hebt mannelijke en vrouwelijke opslag plaatsen. Ondanks dat de Dogon over het algemeen geen moslim zijn (je hebt ze wel), trouwen ze meestal met meer dan een vrouw. Je kan zien hoeveel vrouwen er zijn, door de voorraad schuurtjes te tellen. Het is namelijk zo dat elke man, en elke vrouw, zijn eigen schuurtje heeft. Dat zijn van die vierkante (of ronde in andere delen van Mali), wat hoge gebouwtjes, vaak met een rieten dakje, en meestal staat het gebouwtje op een soort vlonder constructie tegen overstromingen en beesten. Er zitten wezenlijke verschillen tussen de mannelijke en de vrouwelijke schuren. Ten eerste zijn die van de man groter (duhhh). Deze bevat het graan of gierst of wat er dan ook verbouwd is dat jaar. Alleen de man heeft toegang tot die schuur, de vrouw mag er niet in. Dit omdat er dus vaak 4 vrouwen zijn, en als iedereen maar lukraak voedsel pakt, dan haal je er het einde van het jaar niet mee.

De schuur van de vrouw is wat kleiner en is verdeeld in vieren, met twee verdiepingen, dus acht delen. Dit ter verering van de 8 voorvaders. De man heeft ook geen toegang tot de schuur van de vrouw. In de schuur van de vrouw worden privé zaken van de vrouw opgeslagen, juwelen, haarstukjes of dingen voor de keuken.

Elk dorp heeft een gerecht gebouw. Denk niet aan een echt gebouw maar een soort afdak met daarop heel veel lagen riet. Het dak is heel laag, zo laag dat je er net onder kan zitten, de vloer is belegd met stenen. De reden hiervan is als volgt. Als Piet een probleem heeft met Klaas, dan gaan ze samen in het ‘gerecht gebouw’ zitten om er over te praten. Als een van de twee een beetje nerveus wordt, zoals ze dat hier mooi zeggen, zal hij boos opstaan, zijn kop aan het dak stoten en dan is zijn ‘nerveusheid’ ook weer gelijk over. Mochten Piet en Klaas er nog niet uitkomen dan moeten ze naar het hoofd gerecht gebouw in het hoofddorp. Zelfde soort gebouw, meer riet er boven op, en daar wordt dan weer een hoop gepraat. Als ze er dan nog niet uitkomen komt de dorps oudste er bij (of de dorps wijste) en dan maakt hij een beslissing die bindend is.

Gerechts gebouw

Als de vrouw ongesteld is, is ze onrein. Ze mag dan niet thuis wonen maar er is speciaal voor haar een ongesteldheidhuis. Ze woont daar 5 dagen, of ieder geval tot de meeste bloedingen over zijn, dan mag ze weer naar huis. Ze slaapt en eet daar, mag wel haar werk op het land doen overigens. Het huis is gewoon midden in het dorp, dus niet zo dat ze verbannen wordt of zo.
Als iemand dood gaat is er ook een speciaal huis waar de familie de dode opbaart voor die de klif op wordt gehesen. De hele familie komt mee wonen in dat huis, een paar dagen, ter rauw.

De Baobab boom is heilig voor de lokalen hier, de boom wordt dan ook vrijwel geheel gebruikt. De bast wordt gebruikt om er touw uit te maken. Met die touwen kan men tegen de klif aan klimmen om de doden te begraven. Er worden rondom stroken bast afgesneden, er blijft dan een soort ring in de boom over. Deze ring in Dogon geloof, is de slang, die zijn eigen start vast houd. Op het moment dat hij die loslaat, vergaat de wereld. Verder worden van de vruchten van de boom muziek instrumenten gemaakt (er hangen een soort grote kiwi’s aan) en de blaadjes wordt gebruikt voor de prutjes die over de rijst gaan.

De heilige baobab boom met de cirkel vormige slangen

Dogon hebben geen bank en als ze geld hebben beleggen ze dat in een koe. Dat is overigens in de rest van Mali en Burkina Faso ook zo. Een koe in Mali kost tussen de 150.000 en 200.000 CFA (das tussen de 240 en 300 euro). We spreken dan over een stier, die zijn duurder dan een koe. Wat vreemd, maar het zal we een reden hebben. De stier word gebruikt voor het ploegen van het veld, en heb je dus maar een of twee keer per jaar nodig, de rest van de tijd gaat ie met een hoeder mee. Een zogenaamde Peul heet dat, dat is een herder die je stier mee neemt om te grazen en zo met hele kuddes over het land trekken elke dag. De peul verwacht maandelijks een bijdrage uiteraard.
Een koe kan je ook meegeven aan de hoeder, die geeft melk en kindertjes. Dat levert dan weer wat geld op.

Voor vracht vervoer word de ezel gebruikt. Die zal goedkoper zijn dan een koe vermoed ik, en eet ook minder. Als de ezel niet gebruikt word wordt ie meestal gewoon los gelaten, dan kan ie gaan eten en in de avond keert ie meestal gewoon terug aan huis, en zo niet moet ie in de ochtend gezocht gaan worden. Wij kennen de ezel van het I-A geluid, maar laat ik je vertellen dat een ezel geweldig kan jammeren. Sommige ezels slaken kreten die door merg en been gaan en doen vermoeden dat het arme beest flink wordt mishandeld. Als je dan gaat kijken staat het beest gewoon ergens in het veld, niemand in de buurt. Misschien is ie ongelukkig of heeft ie onopgeloste jeugd trauma’s. Of misschien durf een ezel alleen maar te klagen als de baas niet in de buurt is, uit angst voor nog meer stokslagen?

Na een kleine rustpauze van 5 minuten liepen we door naar Banani, het volgende dorp op de route. Dat was zo’n 5 km verder, langs de onderkant van de klif. Hier lag een soort van zandgrond waar men gierst verbouwd en het plant seizoen was in volle gang dat was duidelijk. Niet alleen duidelijk omdat men op het land aan het werk was, maar ook duidelijk omdat er vrijwel niemand in het dorp aanwezig was. De zon arriveerde rond dit stuk en dat maakte het super warm en vochtig,. Het lopen werd er niet makkelijker onder. Rond een uur of 12 arriveerde ik in Banani. Hier werd de lunch gebruikt en eerlijk gezegd was ik best moe. Het was toch 4 a 5 uur lopen en klauteren en ondanks dat er geen haast was, was het duidelijk dat ik dit niet meer gewend was. Het duurde een uur voordat de lunch van rijst met tomaten saus kwam en toen mijn gids opperde om na de lunch even een siësta te houden, vond ik dat een uitstekend idee.

Als je niet zwanger kan worden moet je hier wat offeren. Voor mij niet meer nodig

Om een uur of twee in de middag was ik weer helemaal bij mijn positieven. De zon bleef schijnen en het was warm. Een plan de campagne werd opgemaakt. We zouden naar het volgend dorp lopen (dat was in gezichtsafstand), daar wat rondkijken, daar eten en slapen en dan de volgende ochtend de kliff omhoog klimmen en dan via wat dorpjes boven rond het middag uur weer terug zijn. Ik veranderde het plan om nu onmiddellijk Ibi en Nemi te gaan zien en dan terug naar de auto te lopen. Slaap ik in me eigen bedje en dan de volgende dag de dorpjes rond Sanga te gaan bekijken. En zo klom ik de steile klif weer omhoog (deed me heel erg denken aan een deel van de Anapurna trek in Nepal) en was ik om 5 uur gebroken bij de auto terug. Het was op zich maar 15 kilometer, maar dat gecombineerd met klauter en klimwerk en de hitte maakte het vrij slopend. Omdat mijn gids het avondeten moest verzorgen werd het couscous met vlees en een grote bier er naast. Ik heb niet geslapen die nacht, ik was bewusteloos.

Iedereen groet elkaar hier. Op zijn Afrikaans. Of op z’n Dogons misschien. Het woordje Teeuw (zo klinkt het) betekend ‘alles gaat goed’. Kom je nu iemand tegen, dan vraagt de een aan de ander ‘ Hoe gaat het’ de ander antwoord TEEUW. Pal daarachter aan vraag je over de gesteldheid van de familie (TEEUW) de koe (TEEUW), de kinderen (TEEUW), het gewas (TEEUW)etc etc. Dus er wordt 6 of 7 keer iets heel korts gevraagd en TEEUW terug gezegd, heel snel achter elkaar. En dat doet iedereen tegen mekaar dus je loopt onder weg de hele tijd een vraag/antwoord spelletje te spelen.

In de avond barste er een enorm noodweer los. Ik zag plots wolken aankomen, liep naar mijn auto om de camera te halen. Dat duurde twee minuten. Toen ik terug was was ik al bijna te laat, de wolken, zo leek het wel, vielen aan. Enorme rukwinden en gigantische stortbuien volgde.

De volgende dag rondje Sanga gelopen. Oude huizen, oude offerplekken en oude mensen gezien. Het was op zich allemaal boeiend, de gids loodste me door heel veel kleine steegjes, stinkende rioolpaadjes, langs heilige gebouwen, heilige beesten en hij vertelde er boeiende verhalen bij. Ik kon ze niet altijd volgen, maar onderop dit verslag geef ik ieder geval dat weer wat ik gesnapt heb. Kocht nog een fraai Afrikaans beeldje (echt gebruikt bij oude rituelen volgens de verkoper) en in de late ochtend, na een vrachtwagen geholpen te hebben met starten, gemaakt dat ik weg kwam. Er stond alweer regen op komst en de weg naar Sanga was al slecht, na zoveel regen gisteren moest er niet nog meer bij komen. Ik hield het niet droog en parkeerde de auto 25 km verderop op een veilige stenen ondergrond en wachtte af tot het noodweer over was. Dat duurde even en ik besloot er maar de nacht te blijven.

In de ochtend was de weg een heel eind opgedroogd en ik reed die dag helemaal tot de grens, stak de grens over, Burkina Faso in (fluitje van een cent-grens) en vervolgde mijn rit richting Ouagadougou.

In een van mijn gesprekken met Boly, de eigenaar van het veldje waar ik eind mei een paar weken stond, vertelde hij me dat hij ooit gehoord had dat er mensen in de ruimte waren. Dat is toch wel zeker een grap nietwaar? vroeg hij me. Toen ik ontkennend antwoorden zag ik aan zijn gezicht dat hij het niet geloofde. Dat kan toch niet claimde hij. In mijn beste Frans heb ik hem geprobeerd uit te leggen dat er een space-station bestaat, dat er mensen op de maan zijn geweest en dat het heelal zo groot is, dat je je dat onmogelijk voor kan stellen. Toen Boly na een uurtje huiswaarts ging, geloofde hij nog steeds niet dat er mensen in de ruimte zijn en waren geweest. Kan me er wel wat bij voorstellen hoor, je zit hier zo ver van de westerse beschaving dat zoiets onmogelijk lijkt.

Dogon huis van de (Voodoo) doctor

Ander voorbeeld was dat ik, toen er wat mensen rond de auto ‘ hingen’ ik eens aardig dacht te wezen en een filmpje op zette. Omdat ik niks in het Frans heb en er ook kinderen bij waren, zette ik Mr Bean op. In de betreffende aflevering begon Mr Bean zich te scheren met een scheerapparaat en op een gegeven moment zat er een neushaar vast in zijn scheerapparaat, allerlei komische gezichtsuitdrukkingen ten gevolg. Ik moest er wel om lachen maar de lokalen snapte er niks van. Ze hadden geen idee wat een scheer apparaat was, ze hadden er ook nog nooit een gezien. Zo merk je hoe groot het verschil is tussen wat een Afrikaan beleeft (op het platteland) en een westerling.

De meeste huizen in Dogon bevatten alle heilige elementen van het volk. Zo representeert elk huis het lichaam van de mens, een deel het hoofd (rond, bovenop het huis), het middenrif (de binnenplaats), twee armen (twee slaapkamers aan beide kanten een), navel (de put), en benen. Je moet wel wat fantasie hebben om het te herkennen hoor. Ook heeft elk dorp een gemeenschappelijke open plaats waar feesten en dansen gehouden worden. In het midden ligt altijd een stapel stenen, de navel van de mens voorstellend. Hieromheen wordt gedanst.

Nog wat verlate Mali info:
Mali is 30 keer zo groot als Nederland en telt 14 miljoen mensen. (nagekomen 2021 , dat zijn er ondertussen al 19 miljoen geworden) Een groot deel van Mali ligt in de Sahara en is dus niet lekker bewoonbaar, dat is wel te zien aan de verhouding oppervlakte/mensen. Het land is arm. Op het platteland wonen de meeste mensen in kleine dorpjes van lemen en rieten hutjes en leven van hun eigen landbouw. De hoofdstad Bamako is net als de meeste hoofdsteden in ontwikkelingslanden een puinhoop, een mierenhoop van ongeplande uitbreiding.

Diesel kost er net als Burkina tussen de 560 en 590 CFA. Bier is duur, vaak 1000 tot 1200 CFA voor een fles in een bar, in de winkel de helft. Levensonderhoud in Mali is duurder dan in welk land dan ook tot nu toe, maar dat komt omdat ik veel in import winkels kocht, dus dure geïmporteerde westerse producten. Als je puur Malinees eet is het spot goedkoop, maar ook vaak niet echt lekker