1 augustus zou ik Pakistan binnen vallen. Ook wel snorrenland geheten, zonder snor besta je niet. De weken vooraf waren er alarmerende berichten over suicide-bombers die in grote getallen zichzelf zouden gaan opblazen. Een paar dagen geleden was er al zo een in Islamabad geweest. En daar moest ik me tussen begeven. Ondertussen bleek het verlaten van India niet zo makkelijk. Maar de Karakoram Highway was wonderschoon en spannend. Dit verslag heeft 7.097 woorden, 38 minuten leestijd.
1 augustus was de datum dat mijn nieuwe carnet de passage inging (grens document), vandaar dat ik niet eerder kon. Op 30 juli lees ik in de Indiase krant ‘Er bevinden zich 600 suicide-bombers in Islamabad, en die zullen allemaal dood en verderf gaan zaaien. Lekkere berichten. Nu weet ik dat je dit soort berichten niet altijd serieus moeten nemen, zeker niet als ze in de Indiase kranten staan (dat zijn allemaal Telegraafs hier, zeker als het over Pakistan gaat), toch maak je je zorgen.
Oh oh wat maak ik dan op mijn laatste dag weer een staaltje Indiase dommigheid mee. Ik ga naar een Internet café, start Messenger op en krijg de melding dat het een oude versie is en eerst geüpdate moet worden. Dat duurt uren dus ik vraag om een andere computer. Men zucht diep maar geeft me een ander, helaas daar hetzelfde probleem. Ik dus naar die gast toe en zeg… Messenger doet het niet, hoe kan ik dat oplossen? (ik had de vorige dag daar ook geïnternet, toen werkte het wel). De gast kijkt me appelig aan, staart naar mijn scherm en zegt. ‘Yes it is working’. Draait zich om en loopt weg. Denk nog, die spreekt slecht Engels, weet je wat, ik zet de foutmelding van Messenger op het scherm, dan ziet ie wat het probleem is. Roep die gast weer en laat hem het probleem zien. Hij leest absoluut niet wat er op het scherm staat, drukt alleen op OK zodat de foutmelding weg is en zegt weer doodleuk.. ‘Yes, it is working.’ Ik heb wel afgeleerd om om dat soort dingen boos te worden, maar de neiging die gast te wurgen lag dicht aan de oppervlakte. In een internet café werken en dan absoluut geen idee te hebben wat zelfs maar Messenger is, of een foutmelding, en ook absoluut geen interesse hebben om iemand te helpen. Dokken en wegwezen is het devies. In mijn geval dus, niks dokken en weglopen.

Maar het leukste staaltje dommigheid van India’ers kreeg ik op mijn laatste dag. Ik reed op mijn scooter, komt er een man naast me rijden op een brommer en vraagt dood-leuk…. Rijdt ie op diesel. Alsof er in heel de wereld een brommer of scooter op diesel rijd. Duhhhh. Kon overigens niet nalaten om JA te zeggen. Kunnen ze daar de eerste tien jaar hun kop over breken haha.

Dat ijs is gesmolten bij aankomst.
De eerste dag rijden ging slecht. Het was 35 km tot de grens, en dat was geen probleem. Echter maakte Wagha Grens, de kant van India, zijn befaamde naam als moeilijkste grens van Azië waar. Men ontdekte dat ik de maximale tijd van het in India blijven met de auto overschreden had. Ik had maar 180 dagen mogen blijven en had er 197 dagen over gedaan. Ik had daar zelf nooit zo bij stil gestaan, had er wel eens naar gevraagd aan de Nepalese grens, maar die vertelde ‘ach mijnheer, maakt u geen zorgen, met het nieuwe kalender jaar tellen we gewoon weer van 0 aan. Dat bleek echter larie te zijn en de grens beambte wilde me India niet uit laten. Er moest eerst toestemming gevraagd gaan worden aan een hoge bons in Amritsa, maar dat kon wel even gaan duren,. Ik moest weer eens een brief schrijven met het verzoek tot clementie, dat werd met allerlei kopieën in een map richting Amritsa gestuurd zei men. Maar, om 2 uur was die map nog steeds niet weg. Ben toen wat gaan pushen. Je kan niet te geïrriteerd raken want dan kom je nergens, en kwam al doende weer eens bij het hoofd van de grenspost. Aardige man, kopje thee erbij, maar ook hij kon niet veel voor me doen, er moest echt een handtekening van een hoge piet komen. En omdat het nu al 2 uur was geweest en de grenspost om 4 uur dicht ging, zou dat allemaal niet meer lukken vandaag. Pikant detail was dat als die gast in Amritsar de toestemming niet zou geven, ik naar Delhi zou moeten om het verzoek bij de overheid te plaatsen, en dat zou een ernstige vertraging van dagen gaan opleveren.
Met slechte gevoelens mijn auto buiten de grenspost geparkeerd voor de nacht, onmiddellijk besprongen door tig souvenir verkopers en restaurant houders. Die waren erg volhardend maar gelukkig allemaal om 8 uur weg, en zo werd het een rustige avond van een vrij nutteloze dag. Wederom gevangen in het bureaucratische web van de Wagha Grenspost, net als op de heenreis.
De volgende dag ging de grens om 10 uur weer open. Dat is zo laat denk ik om twee redenen. Ten eerste is er weinig tot zeer weinig verkeer, ten tweede is het in Pakistan een half uur, eerder, en die gaan om half 10 open. (eigenlijk 9 uur, maar het duurt minimaal een half uur voor je alles geregeld hebt). Ik reed onmiddellijk met mijn auto het douane terrein op en ging rond vragen. Ja zei de een, het is allemaal geregeld, het papier komt eraan, nog even 10 minuten geduld en je kan naar Pakistan. Enfin je snapt het al, niks 10 minuten. Een half uur later was er nog niemand die me kon vertellen of ik nu wel of niet door mocht, en ik begon al weer visioenen te krijgen dat ik zielig en alleen , oud zou worden aan de grens van Pakistan. Het begon inmiddels al weer snik heet te worden maar de Indiase papier machine heeft geen genade. Ik zag van allerlei mensen aan me voorbij gaan, bij wie nog geen glimps in de bagage word geworpen, zelfs een fietser uit Frankrijk die helemaal vanuit Vietnam hier naar toe was komen fietsen, arme Casper zat in de zinderende hitte te wachten op een stomme handtekeing van een gast die het waarschijnlijk te druk had met het drinken van thee e.d.
Om half twaalf kwam het verlossende antwoord, het papier is er, er staat een handtekeing op, je hebt toestemming gekregen voor de 17 dagen extra. Ik had nog even willen zeggen dat het er nu 18 zijn, maar ik denk, ik houd me bek. ‘We moeten nog even een formuliertje invullen, een copietje maken, over 10 minuten kan je verder. Jaja, blabla, schaap-aap, dat ken ik nu wel, want ondertussen viel de stroom natuurlijk uit, deden de computers het niet meer, men bedacht zich ineens dat ik ook een scooter had (maar dat verhaal herinnerde ze zich nog) en er moest nog een ander formulier gekopieerd worden. Plots kon met een letter niet ontcijferen, anyway, het duurde en duurde. Plots kwam er een hoge ome met allemaal sterren en strepen op z’n uniform aan lopen; Ik moest onmiddellijk meekomen. Ik werd bijna meegesleurd naar het kantoor van big-pik, oftewel hoofdbons, en wie zat daar… Sanjay, de man die me vorige keer met de scooter had geholpen en die had ook zijn baas weer bij zich, een van de hoogste mensen van de douane van India. Dat overviel me even, en na een wat stroef gesprek (geen idee wat ik tegen die man moest zeggen, hij zag er ook erg oninteressant uit) , werden die twee in een stafauto gepropt, iedereen salueerde (ik niet hoor) en ze zoefde weg, maar niet eerder dan dat er gecommandeerd werd tegen de pen-pushers dat ze onmiddellijk moesten zorgen dat ik verder kon. En zowaar, om twee uur Indiase tijd reed ik Pakistaans grondgebied op. Opgelucht, maar nog niet uit de shit, want de Pakistaanse kant van de grens is erg lastig, die willen namelijk altijd wat hebben. En het zijn sluwe vossen, ook dit keer weer.

De enige Pakistaan zonder snor.
Geheel voorbereid als ik dacht dat ik was, had ik een goede fles whisky gekocht (Mohammedanen drinken niet , ahum) er een fles cola en een zak chips bijgedaan en zo ingepakt dat niemand kon zien wie het was. Ik denk, kijk, dat bied ik aan, mogen ze mooi tevreden mee zijn.
Kom daar dus aangereden, eerst de paspoort controle mijnheer, die kende me nog van de vorige keer. Heb je wat voor me zegt ie. Ik zeg ja, ik heb een goede fles met alles erop en eraan, dat krijgen jullie van me als ik snel de grens over kan, zonder gezeik en inspecties, het moet echt snel. Geen probleem zegt ie. Hij vult zelf mijn formulier zelf in en 2 minuten later mocht ik door naar de douane. Denk erom, niet die fles aan de douane geven hoor. Ja duh… jullie kunnen toch wel delen. Neee, dat mocht niet en dat kon niet, absoluut die fles is voor mij. Ik denk ja krijg nou de schijt, ik heb maar een fles, en jullie zoeken het maar uit. Dus ik op naar de douane, en die vent is altijd erg lastig en daar had ik die fles eigenlijk ook voor. Dus toen ie me al aan begon te kijken zo van .. wat heb je voor me,, ik het hele verhaal weer afsteken van die fles en snel en zo. Ik zie zijn gezicht nog zo de vorige keer, toen ie de fles met bier in een seconde in zijn mouw liet glijden. Maar wat schertst mijn verbazing, wat zegt ie nu : Ik houd niet van whisky of van drank, ik wil wat anders. SHIT, en dan is het een spelletje spelen, wat wil ik geven, hoeveel kan ie krijgen. Na een paar minuten naar elkaar fluisteren (want niemand mag dit horen natuurlijk) wilde hij 50 euro van me wisselen voor Pakistaanse roepies, en krijg ik er eigenlijk maar voor 40 euro aan roepies voor terug. Aan de ene kant wilde ik niet, aan de andere kant wilde ik weg, ik had ook nog mijn scooter zonder carnet, wilde geen gezeik dus ik zeg ok. Tja, dan komt ook de grote baas nog eens om de hoek, die wilde 10 pennen hebben. Al om koste het dus wel wat, maar ik was wel in 15 minuten de grens over, zonder inspectie, een hele doos bier in de kast, whaoaoaoaoao.
Nou, ik was weer in snorrenland. Iedereen heeft hier een snor, zonder snor geen man. Reed in eerste instantie de rondweg op, maar die was nog steeds zo slecht van kwaliteit dat ik na 500 meter omkeerde en dwars door Lahore richting GT-Road naar Islamabad en M2 snelweg nam. Dat ging allemaal vlot. ‘S nachts op de snelweg geslapen, zonder kijkers staarders of kloppers, en de volgende dag door naar Islamabad, ook nu weer zonder problemen.
Islamabad is momenteel denk ik de gevaarlijkste stad van de wereld na de steden van Iraq en Afghanistan. De camping waar ik sta is op steenworp afstand van de befaamde rode moskee, dat is wel wat angstig. Ben in de middag met de taxi langs de Lal Majud (rode moskee) gereden, dat is dus echt een puinzooi daar.
Erg veel moeite moeten doen om een werkende pin automaat te vinden. Alleen de City Bank werkte, zelfs bij de ABN Amro kreeg ik met mijn normale pin pas geen geld. Had geen zin een credit kaart te gebruiken als het niet hoeft, die vragen 10 euro bemiddelings kosten of zo.
De volgende dag een heel stuk de Karakoram highway op gereden, tot Besham. Weer dezelfde fout gemaakt door bij de eerste afslag Haripur al noordwaarts af te slaan. Je komt dan op een binnendoor weggetje, erg pittoresk en zo, maar het schiet niet op. Daarna de grote weg gevolgd. Nou ja …, groot. Vooral druk eigenlijk, zeker tot Baffa is de weg vol met vrachtverkeer.

Een nep Pakistaan
Daarna zakt het af en wordt het rustiger, maar de weg kwaliteit wordt er niet beter op. Je komt vervolgens door gebied wat getroffen is door de aardbeving twee jaar geleden. Je ziet er niet zo veel meer van, behalve erg veel tenten en opvang kampen van de Unicef, die ogenschijnlijk nu leeg staan. Ook word er veel gebouwd, iedereen loopt met stenen te sjouwen. Het gebied was vorige keer erg vijandig, met stenen gooiende jeugd en mensen die rare gebaren maakte. Nu was dat minder, wellicht hebben ze toch een warm hard gekregen dankzij onze hulp verlening. Zag nog een man, midden in de bergen in het niets, sjouwend met een 20 kilo zak met waarschijnlijk meel, groot erop…donated by unicef.

De Karakoram Highway.
De PTDC in Besham stelde niet zo veel voor, ik had verwacht het aan de rivier te vinden maar niks ervan. Ze waren ook druk aan het bijbouwen, dus me maar vermaakt op de parkeerplaats. Was toch erg moe, dus kwam wel goed. Tot nu toe is de Karakoram Highway (KKH) nog niet wat men er van hoort en leest. Nog geen kaak-vallende berg zichten of machtige besneeuwde toppen. Maar dat zal vast gaan komen.
Door naar het noorden bleek de KKH van slechte kwaliteit. Het wegdek was enorm hobbelig, er waren héél erg veel landslides geweest die nauwelijks waren geruimd en er waren hele stukken met veel gaten. Dit tezamen met de enorme bochtigheid, de enorme afgronden en het machtige schouwspel der bergen maakte dat het deze dag niet echt opschoot. Dat laatste dan omdat ik veel stopte om te kijken. Het was heel vermoeiend rijden ik geloof dat ik twee uur over de eerste 20 kilometer heb gedaan. Sterker nog, toen ik aan het einde van de dag , na 10 uur rijden, op mijn GPS keek bleek ik gemiddeld 15 km per uur gedaan te hebben. Dat schiet niet op maar het is hier niet anders. Aangekomen in Chilas had ik gehoopt in de koele bergen te zijn. Nou bergen klopt wel, mar erg koel was het niet met 36 graden. De hitte was wel anders , veel droger, en dus beter te harden maar nog steeds geen pretje. In het Shangrila Hotel geparkeerd en stroom voor het AC gebruikt, wat prompt natuurlijk uitviel zodat ik nachts badend in het zweet wakker werd.
In de ochtend kwam er een groep toeristen naar buiten die blijkbaar in het Hotel hadden geslapen. De meeste met korte broek, vrouwen ook. In elke, maar dan ook ELKE gids over Pakistan en al helemaal over Noord Pakistan staat dat het belangrijk is om je lijf te bedekken. En dan snap ik die mensen niet, zouden die nooit een boek lezen? Zijn die nou echt zo dom? Hebben ze les van Kees & Els gehad? Of ben ik nou zo dom? Gruwelijk.
Van Chilas naar Gilgit was nog maar 180 km. Ook dit stuk weg was niet al te best, dus veel oponthoud door landslides en slechte wegen, maar ook nu vandaag was het schouwspel weer spectaculair. De rood-achtige bergen veranderende van kleur met de zon. Dit schouwspel is een lust voor het oog en erg moeilijk met de camera te vangen. Achter elke bocht is er weer een ander schouwspel, meestal mooier dan de vorige. De weg voerde dan weer door nauwe kloven, dan weer door wat wijdere bergkammen, maar altijd de Indus rivier volgend die al luid kolkend altijd onder me ligt, als een soort van bloedvat diepe groeven trekkend door het gebergte. Soms had je, als je een stuurfoutje van 10 cm maakte, een afgrond van honderden meters de kolkende rivier in. Geen weg voor watjes dus.


Kon het niet nalaten om vandaag veel te stoppen, maar ja daar doe ik het ook voor. Langzamerhand veranderde de wat onaangename bevolking van het eerste stuk van de Karakoram Highway in prettigere en gastvrije mensen, zodat ik ook wat minder voorzichtig hoef te zijn. OP een gegeven moment kwam dde Nanga Parbat in zicht, een machtige berg van 8100 meter hoog, en de snelst reizende berg ter wereld (7 mm per jaar) Hij is zo indrukwekkend omdat de zuidkant, waar ik tegen aan kijk, 4000 meter loodrecht omhoog gaat. Dus echt een loodrechte muur van 4000 meter hoog. Er ligt geen sneuw op dat stuk omdat het loodrecht is, en dat valt gelijk op. Helaas pindakaas was het rond de berg bewolkt dus kon ik niet al zijn pracht aanschouwen.

Grootste gedeelte van deze weg is een ‘accident waitting to happen’weg. Dat wil dus zeggen dat er maar iets hoeft te gebeuren of er komen miljoenen tonnen zand en stenen naar beneden die de weg dan weken onbegaanbaar maken. Omdat dit op zoveel plekken mijn inzien zo op springen staat, ben ik blij dat ik er voorbij ben.
Bij een van de uitkijkposten liep Saleem. Hij was doof en stom en had ook nog een gezwel aan zijn voet (krijg je met al dat inteelt hier). Een soort water-voet dus. Omdat ie niet kon praten hadden ze maar zijn naam met balpen op zijn kale kop geschreven. Toch was het een prettig vrolijk kereltje die me de oren van de kop gebaarde terwijl ik van een bakkie thee aan het genieten was. Niet dat ik er enig idee van had wat ie bedoelde, maar ik knikte en lachte maar, hij vond het wel ok. Toen ik weg reed had ie een pen van me en een visite kaartje, dus hij was ‘de man’ van het dorp. Ook eens leuk om zo’n gehandicapt kind belangrijk te maken, meestal word ie door iedereen denk ik gepest.

Opvallend was wel weer, dat iedereen broer is van elkaar. In India is dat ook zo. Als je vraagt ‘wie is dat’ dan is het altijd ‘mijn broer’. Als je dan verder gaat vragen blijkt het de zoon van de broer van zijn vader te zijn of zo, soms nog wel verder verwijderd, maar het is altijd ‘mijn broer’. Wel verwarrend soms.
In Gilgit aangekomen was het nog steeds warm, alhoewel het minder was. Geparkeerd bij de PTDC die en mooi stukje gras achter hadden en besloot hier ieder geval een dag te blijven. Naast mijn parkeerplek een huis met veel lawaai en toen ik een zoon die op afstand naar mijn auto aan het staren was vroeg of ze een feest hadden antwoordde hij negatief, er was iemand dood. Wie dan vroeg ik. Oh zegt ie, mijn moeder. Alsof het elke dag gebeurde. Ik wist niet meer wat ik zeggen moest.
Er zijn drie bekende passen in Pakistan. Er zijn er wel meer natuurlijk, maar deze drie zijn wereldwijd bekend.
De eerste is de Bolan pas, die in zuid Pakistan, in Baluchistan, het oosten met het midden verbind. Hier ben ik vorig jaar door heen gereden. Deze pas is niet zozeer hoog, maar wel heel spectaculair omdat ie door hele nauwe kloven gaat.
De tweede is de Kyber pas, dat is de verbinding tussen Pakistan en Afghanistan. Hier wil ik voorlopig nog maar even niet over.
De derde is de Khajura, die Pakistan met China verbind, daar ga ik straks over.

Ondertussen sta ik al een dag in Gilgit. Dat is een dorp die stad wilt zijn, maar het lukt niet zo. Niet zo heel veel te beleven, een lange straat met winkels, winkels vol met baarden en platte petten. Morgen rijd ik door naar een schijnbare soort camping in Alaibad. Ben benieuwd. Vanavond in het meest obscure tentje gegeten wat ik kon vinden. Alles was vies, plakte en rook, maar het eten was lekker… vers gebakken brood met een stuk kip kebab, maar dan de lokale variant die gefrituurd is, erg vaag maar heerlijk.
Het stukje weg van Gilgit naar Aliabad was weer eens adem benemend. Steeds denk je dat je het mooiste hebt gezien, en dan ga je de bocht om en stokt de adem weer in je keel.

Al kronkelend door diepe kloven of langs diepe afgronden ‘slangde’ de weg zich voort. Vangrails zijn hier niet bekend, en dat is wel logisch ook. Er zijn hier zoveel land verschuivingen dat elke keer de weg vrij gemaakt moet worden van rotsen en puin, en dan zijn vangrails niet handig.
Ik rijd hier ook in militair gevoelig terrein, maar gelukkig maken de Pakistani’s er niet zo’n idioterie van als de India’ers. Op af en toe een controle post en af en toe een militair voertuig na, heb je niks in de gaten. Ook de mensen hier zijn een stuk afstandelijker dan in de rest van Azië. Het verschil merk je pas als je stopt. Overal in dit wereld deel zitten er mensen doelloos aan de kant van de weg. In India, Nepal of Bangladesh komen die mensen onmiddellijk op je afstormen als je stopt, hier in Pakistan wijzen ze naar je maar blijven lekker zitten.

Karakoram Highway, af en toe een rot plekje.
Bijna een week heb ik gestaan op de ‘camping’van Aliabad in de woeste bergen in het noorden van Pakistan. De camping is de enige in honderden kilometers omtrek en was door diverse overlanders al gemeld, ik had dus hoge verwachtingen.
Let wel, het is een Pakistaanse camping, dus je moet dat niet met iets westers vergelijken. Ik zal het proberen te beschrijven.
In principe is het een boomgaard met appelbomen, trapsgewijs aangelegd met daarop een paar stenen gebouwtjes, wat loslopende schapen en héél erg veel appels. De bomen zitten zo prop vol met appels dat ik elk moment verwacht dat die om gaan vallen.
Vanaf de camping prachtig uitzicht op een paar besneeuwde toppen van 8000 meter, daar draaien ze hier de hand niet voor om, toppen in overvloed. Het geheel is omgeven door een met losse stenen opgestapelde muur. Dat is niet erg sterk maar heeft als voordeel dat als iemand er over heen wilt klimmen, de hele boel instort, dat laat je dus wel uit je hoofd. Verder staat er een ‘toilet’ gebouw en een soort administratie hok, waar ik overigens nog nooit iemand in heb gezien.
De camping is eigendom van een Pakistaan die erg goed Engels spreekt. Vriendelijke man hoor, hij is landeigenaar, heeft ook wat huisjes hier en daar die hij verhuurd. Verder vier zonen en een dochter lopen ook ergens rond en het geheel is allemaal erg idyllisch. Perfect zou je dan toch zeggen? …. Mwwaaaahhhhh….. niet helemaal.

Eerste probleem is dat de Pakistaanse eigenaar de godganse dag geen zak uitvoert. Dus wat doet ie, rond mijn auto hangen omdat ik de enige gast ben. En elke keer als ik naar buiten ga dan probeert ie een conversatie aan te gaan, maar daar heb ik niet altijd zin in. Dat word op den duur wat irritant. Als hij er toevallig eens niet is, staan wel een van zijn zonen of iemand anders me aan te gapen.
Tweede probleem is dat er geen water is. Ten minste, geen schoon water. Er staat een soort kruising tussen een zwembad en een put, vol met drabbig water dat afkomstig schijnt te zijn van de gletsjer aan de overkant. Dat zelfde water word gebruikt voor toilet doorspoelen en douchen. Nouja, daar kan ik nog wel inkomen, ware het niet dat gletsjer water ijs en ijskoud is, dus dat douchen doe ik maar in mijn auto. Ik ben echt geen mietje hoor, koud douchen is geen probleem, doe het al een jaar, maar dit is vragen om enge ziektes.
Schoon water, dat elke ochtend tussen 9 en 11 zou moeten komen, komt nooit. Je kan de kraan open draaien, met enig effect dat het gorgelende geluiden produceert, water ho maar. Ik heb de eigenaar al eens een hint gegeven zo van… als je nou eens wat deed aan onderhoud ipv de hele dag op je luie reed niets te doen, dan komt er misschien nog wat water. Hij begreep mijn hint, maar het enig effect was dat ie beloofde dat er morgen water is… en dat doet ie elke dag.
Derde probleem is dat er hier vrijwel nooit elektra is, en als het er is het van zo’n slechte kwaliteit is (lage voltage) dat mijn omvormer dat niet pikt. Op zich ook weer niet zo erg, maar wel lastig want dan moet ik dus mijn generator starten en er is hier geen benzine pomp in de buurt. Bijkomend lastigheid is dat de wasman niet kan strijken (en de was dus eeuwig duurt), dat er vrijwel nooit internet beschikbaar is (ondanks dat ze wel een internet café hebben hier, maar die is dus 9 van de tien keer dicht). Gister avond was er na 4 dagen niks eindelijk stroom, dus ik op naar het internet café, wat ook open was en je raad het… geen verbinding…
Laatste en eigenlijk meest vervelende is dat het hier een vliegen walhalla is. De dag dat ik arriveerde had ik er geen erg in en mijn deuren en ramen lekker open gezet, met gevolg dat ik minimaal 300 vliegen binnen had. Nu houd ik angstvallig deur en vliegen gaas dicht en dan gaat het wel. Als je echter een stap buiten de deur doet wordt je echt niet goed van die beesten. Bah bah.
Maar verder is het hier goed toeven, mensen zijn aardig, er zijn wat winkeltjes , ze hebben zelfs cola light !!, temperatuur is lekker (krijg je zo op 2100 meter hoogte). In de nacht koelt het af naar zo’n 18 graden, en die droge lucht maakt dat het erg fris aanvoelt. Heerlijk pitten dus. Verder vermaak ik me met wat onderhoud, schoonmaak en organiseer werk. Heb ondertussen een restaurantje gevonden wat goed en goedkoop is. Ook water gevonden, wel 800 meter de berg af, maar beter dat dan helemaal niks, dus elke ochtend 3 of 4 keer heen en weer met de gieter.
Hoe verder je naar het noorden gaat hier, hoe meer spijkerbroeken met shirtjes en hoe minder Pakistaanse pakjes je ziet. Zelfs onbehoofgedoekte (nieuw woord, komt volgend jaar in de dikke van Dale) vrouwen lopen hier rond, dat wil toch wel wat zeggen. De lokalen voelen zich erg zelfstandig en trekken zich niet zo veel aan van wat er in Islamabad allemaal bekokstoofd word. Dit hele gebied is nog niet zo lang geleden ontsloten en enige vorm van zelfstandigheid kan je hier dus wel vinden. Je ziet dan ook vaak langs de kant van de weg teksten gekalt met de woorden ‘we want freedom’.
Moet mijn auto wat anders inrichten ivm de komst van Ting-Ting, mijn Chinese gids. Ze moet ook comfortabel zitten lijkt me, maar daarom moet ik een aantal zaken die aan de passagiers kant liggen wel herplaatsen. En dat valt niet mee, want alles zit best goed vol. Na een jaar reizen heeft alles zo zijn plek, is elk gaatje gevuld en gebruikt. Maar met een beetje fantasie en wat kracht is het toch allemaal wel gelukt.
Begon me een beetje te vervelen op die camping. Het niet lekker buiten kunnen zitten door al die vliegen en die gast die als een strontvlieg rondom een koeienvlaai zoemde maakte het er niet super prettig op. Ook frappant zijn de mensen hier. Ze zijn allemaal erg vriendelijk, maar wel afstandelijk. Dat ben ik niet gewend. Normaal is het makkelijk om vrienden te maken. Maak een praatje met iemand en al snel heb je een uitnodiging om bij mensen thuis te eten of thee te drinken. Hier niet. Als je hier rijd of loopt is iedereen aardig, zwaait ment en lacht men. Maar zo gauw je met iemand gaat praten zijn ze plots super verlegen en weten ze niet wat ze met je aan moeten.
Besloot dus om de 14e naar Karimabad te gaan met openbaar vervoer. Het is maar een kilometer of 15 dus te doen. Ik trof het niet met het weer, want vanaf het moment dat ik in de ‘Suzuki’ (zo heet openbaar vervoer hier) stapte begon het te regenen, om pas te stoppen op het moment dat ik terug was. Ik had me dat Karimabad heel anders voorgesteld, meer als een stadje. Maar het waren een paar tegen de heuvels aangeplakte straten met veel Hotelletjes en Guesthouses, veel Koreanen (heel vaag, dat zijn net kudde dieren) en zoals gezegd veel regen. Me het schompes gelopen de berg op richting Fort. Dat was nog link ook, want door de regen was het steile soort van kinderkopjes pad verandert in een kleine riviertje. Toch heelhuids boven gekomen en na betaling van 400 roepies (incl. camera toeslag) een best aardige rondleiding gehad van een gids. Het fort (heet officieel Baltit Fort) , dateert van ongeveer 700 jaar geleden, en dat was te zien. Niet in kwaliteit, want de boel was pas gerestaureerd, maar qua opzet. Het leek wat dat betreft veel op die oude Tibetaanse kloosters, met veel kleine duistere kamertjes, trappetjes en donkere hoekjes. Toch wel knap gebouwd, want het stond er al 700 jaar en dat midden in een aardbeving gebied. Dat gevaar hadden ze zelfs toen al erkend en opgelost door een ingenieuze houten balken constructie.

Na nog wat geld te hebben gewisseld (en dat is niet makkelijk hier, want als je een bank binnen gaat kijken ze je gek aan) terug naar Aliabad en ik kwam bij de auto aan en de zon begon weer te schijnen. Gek hé.
Volgende dag de 90 kilometer van Aliabad naar Sost gereden. Sost is 80 kilometer van de Kunjarab pas vandaan, en dat op zich weer 40 kilometer van de Chinese grens.
Het stuk weg was adem benemend. Ik weet het, ik heb het te vaak al gezegd, het klinkt saai, maar ja, sorry, wat kan ik er aan doen. Sommige stukken waren eigenlijk super eng. Op een gegeven moment een landslide over de weg, maar er waren al een paar auto’s over dat zand heen gereden. Omdat het blijkbaar net van de berg af was komen zeilen was de hoop zand dus aan de bergkant hoger dan aan de afgrond kant. Ik reed er ook voorzichtig over heen en door de hoek begon mijn auto over te hellen richting afgrond. Ik was dus echt wel even bang dat ik de afgrond in zou verdwijnen. En geen hond die me dan zou vinden hoor, want het lijkt op deze weg alsof ik de laatste levende op aarde ben.

Ik denk dat ik op die 90 kilometer 20 andere auto’s heb gezien. In Nepal was er ook weinig verkeer, maar daar liepen dan nog mensen op de weg of zag je huizen. Hier was het absoluut verlaten. Ik vermoede dat er ergens een wegblokkade was, want tegenliggers waren er vrijwel helemaal niet. Achteraf bleek waarom.
60 km voor Sost kwam ik de eerste Yaks tegen. Meeste mensen weten wel wat dat zijn, maar zo niet… het is een soort langharige koe-buffel-ezel-konijn. Alleen dat laatste klopt niet hoor. Volgens mij is de Yak, familie van de Grote grijs-groene glibberige grotte griezel, maar dat zal ik eens aan mijn vader vragen.

Op zich was de weg kwaliteit vrij goed, met uitzondering van de slechte stukken . Haha, dat klinkt wat simpel maar dat ben ik ook. Op stukken waar land-slide geweest waren was de weg vaak met de hand gerepareerd en dus erg bobbelig. Ook waren er stukken nog niet gerepareerd, maar de rest was redelijk. Toch haalde ik vandaag door de bochten, de landslides en de hobbels maar een gemiddelde van 18 kilometer per uur !
De besneeuwde pieken van over de 7000 meter waren nu niet meer weg te slaan. Vlak bij Passu kwam ik de Passu gletsjer tegen. Normaal gesproken komt ie zowat de weg over gletsjeren (?) maar omdat het nu zomer is, is ie een stuk korter en moest ik hem (haar?) van een afstand bewonderen. Toch ook mooi.
Tijdens de lunch midden in de bergen zag ik me een partij donkere lucht die bergtoppen over komen in mijn richting niet normaal. Ik dacht als dat mij inhaalt, en ik kom in dat slechte weer terecht dan kan het nog wel eens slecht aflopen met me. Heb dus heel snel de lunch achter de kiezen gepropt en ben als een haas doorgereden, het slechte weer achter me latend.

Aangekomen in Sost, het laatste Pakistaanse dorpje, bleek dit een gehucht van drie keer niks te zijn. En dan daar nog de helft van. Stuk straat van een kilometer met aan weerskanten houten hutjes met wat winkeltjes, duistere theehuisjes en foute hotelletjes. Het was dan ook de Pakistaanse grenspost, dat had ik nog niet verwacht. Hier kreeg ik te horen dat er hogerop in de bergen een rivier met smeltend water de weg over was komen zetten en alles blokkeerde, en dit al een aantal dagen lang. Men was bezig een alternatieve weg aan te leggen maar dat kon nog wel 2 dagen duren voor ie af was. Met een beetje geluk zou het wat kouder worden en het smeltwater wat minder worden waardoor de weg morgen al toegankelijk was. Maar geparkeerd bij de PTDC voor 100 roepies, wat rondgelopen en na een inspectie van de auto ontdekt dat ik een forse scheur in een van mijn banden heb. Ook bleef wederom de bout van de fietsdrager te zijn afgebroken. Dat laatste was makkelijk oplosbaar want ik had er een reserve voor bij me. Die scheur heb ik geprobeerd met lijm te vullen, in de loop van morgen maar eens kijken hoe dat houd.

Hoorde van een toerist die net van de China kant afkwam dat er voor de rivier een Nederlandse jeep stond te wachten die dus deze kant kwam. Hopelijk kom ik die morgen tegen.
Na een lekker koude nacht (voor het eerst weer onder dekbed) me om 9 uur bij de Pakistaanse grens gemeld. Alle papieren zonder problemen ingevuld en om 10 uur , met een lifter, richting Kunjerab pas gereden. De weg kronkelde deze keer door hele nauwe doorgangen. De torens van bergen rezen vlak naast je op, elk moment verwachte ik een lawine op mijn dak, gelukkig niet gebeurt. Ik wist dat er na 42 kilometer een wegversperring zou zijn, en die was er dan ook. Een heel stuk weg was weggeslagen door de rivier. Men was met een bulldozer een nieuwe weg aan het aanleggen, maar dat ging niet zo snel, men was er blijkbaar al bijna een week mee bezig.
Via een omtrekkende beweging door de bergen naar de andere kant van de blokkade gelopen. Daar stond inderdaad een Nederlandse jeep (www.cwui.nl) , al twee dagen begreep ik. Die hadden het slechter dan ik, want in een jeep kan je niet lekker op de bank liggen zoals ik dat doe. Het waren twee ouders met een dochter en vriendin. Beide ouders hadden last van hoogte ziekte, dat is niet leuk, want je kan geen kant op. De enige oplossing voor hoogte ziekte is… naar beneden gaan. Maar ja, als de weg geblokkeerd is kan je dat niet. Ik heb ze, samen met Arman (hun gids) water en rijst gebracht. Een tijdje staan te kletsen maar het was erg chaotisch. Hans, Teja, Luca en Maaike waren met een jeep van Singapore terug naar Nederland aan het rijden. Aardige mensen, maar de omstandigheden waren er niet naar om even rustig met een bakkie wat bij te kletsen.
Mijn auto maar geparkeerd aan de kant van de weg, er was toch vrijwel geen verkeer, en na het gade slaan van de aanleggen van de weg maar gaan koken, typen en slapen. Dat slapen duurde niet lang, want ik lag nog geen 5 minuten of een aantal Chinese vrachtwagens kwamen van beneden aansluiten in de rij. Niet dat ze dat netjes achter mij deden, nee, ze reden om me heen parkeerde voor me. Die vrachtwagens zijn 26 meter lang!! De chauffeur heeft dat blijkbaar niet altijd in de gaten. Ik was na de eerste vrachtwagen al naar buiten gegaan en dat was maar goed ook. Want de derde wilde inparkeren vlak voor me maar vergat dat ie 26 meter achter hem had hangen en dreigde mijn auto te rammen. Kon dat nog net voorkomen door hard op zijn auto te slaan en te schreeuwen. Zo zie je maar weer dat je beter over-berschermend kan zijn.

Na een heerlijke koude nacht was het wachten tot men het laatste stuk weg zou afmaken. Het bleek dat een land-slide van een gletsjer de rivier had geblokkeerd waardoor het water niveau was gestegen en de weg was onder gelopen. Het water had daarna een paar stukken weggeslagen en dan houd alles op. Dit was al bijna een week geleden gebeurd en een van de reden dat het zo lang duurde was dat ze het materiaal om de weg op te hogen van ver moesten halen. Aan de andere kant stonden wat Chinese vrachtwagens al een week te wachten. Een ervan had een lading fruit, de chauffeur was begrijpelijk erg gebrand om de weg weer open te hebben. Maar ja, er stonden meer auto’s te wachten en iedereen wilde zich natuurlijk bemoeien met het werk. De Nederlandse Hans was ook redelijk boos en ging op een westerse manier verhaal halen. Dat wil zeggen boos en dreigen met media en dergelijke. Ik geloof niet dat werkt, maar goed, ieder zijn manier. Het duurde allemaal zo lang omdat men eerst de blokkade van de rivier had moeten oplossen voor men met weg aanlegging kon beginnen.
Ik was ondertussen op vriendelijke voet met de hoofd ingenieur van het leger die het werk overzag. Ahmed Aziz was een vriendelijke man, die eigenlijk pas een week deze post had en dus erg overdonderd werd maar wel op een vriendelijke manier voet bij stuk hield. Want iedereen wilde snel snel, en dat is onder deze omstandigheden niet altijd goed.
Om 11 uur in de ochtend achten de Nederlanders aan de andere kant de weg goed genoeg om het te wagen en ze redde het. Ze konden dus door richting Sost. Ik heb tot 2 uur in de middag moeten wachten om er over te kunnen, maar was wel de eerste. Eindelijk weer verder.
De weg bleef mooi en langzaam ging hij omhoog. Het werd kouder en kouder, hier en daar lagen plukjes sneeuw langs de kant van de weg. Mijn auto begon heerlijk te walmen, dat krijg je op die hoogtes. Verder hield ie zich prima. Ik werd gepasseerd door de Chinese vrachtwagens van 26 meter, die hadden er goed de vaart in. Levensgevaarlijk.
Op 4400 meter hoogte was een tentenkamp van het leger. Een aardig uitziende officier deed me stoppen en vroeg of ik bij hun wilde lunchen. Dat laat ik me natuurlijk geen twee keer zeggen. Auto aan de kant gezet, dikke jas aangedaan en de super aardige militairen (waar ik het normaal gesproken niet zo op heb) naar een tent gevolgd. Daar bruine bonen gegeten (ja echt) met chapati’s,. Omdat het wat scherp was, was de commandant bang dat ik het niet lekker zou vinden en had ondertussen opdracht gegeven ook wat eieren met kruiden te scrambelen. Hij had echter mijn eetkunde onderschat want ik vond het heerlijk en toen de kok met ‘scrambled eggs’ aan kwam zat ik al vol met bruine bonen. Kreeg nog 7-up en thee, en de discussie ging natuurlijk over hoe Pakistan in de westerse ogen zo een slechte naam kreeg, veelal door de eenzijdige westerse berichtgeving. Ik was het daar uiteraard mee eens. Het tentenkamp bleek van een militaire school te zijn, ‘The Army High Alitude school’. Hier werden militairen getraind op overleven op grote hoogtes, skiën, vechten natuurlijk en meer van dat soort ongein. De man die me had uitgenodigd was de commandant en na een uitwisseling van cadeaus (ik gaf hem een klompje sleutelhanger, hij mij een petje van zijn eenheid) en de gebruikelijke foto’s weer doorgereden naar boven.

Boven op de Kunjerab pass. Ik wilde nog steeds ergens boven op de berg slapen, maar ik merkte wel dat ik erg kortademig was en ik was een beetje bang voor hoogte ziekte. Als ik stopte om foto’s te nemen was het in en uit de auto klimmen al bijzonder vermoeiend en dan zat ik eerst een minuut te hijgen voor ik weer verder kon. Daarbij was het stervens koud en zag ik dikke wolken aankomen en was bang dat als het zou gaan sneeuwen ik weer vast zou komen te staan. Dus reed eigenlijk uit besluiteloosheid als maar door en kwam boven aan de top op de Khunjerab Pass. 4715 meter!!! Victory.

Na een Pakistaanse controle post kwam er de Chinese controlepost. De echte grens, de immigratie dienst, zat in een dorp verder op beneden. En hier begon het gedonder al. Inspectie van mijn auto, ja dat had ik natuurlijk wel veracht, maar blijkbaar hadden ze hier niet veel te doen (ik had ook al een poos geen enkele auto gezien) dus prompt sprongen er 7 militairen in mijn auto. Iedereen begon kastjes open te rukken en ik was helemaal het overzicht kwijt. Wijze les voor de volgende keer.

Na de controle mocht ik door rijden. Ik reed 10 meter, was net de slagboom onder door toen er ineens HO !!!! STOP !!!! geroepen werd. Was ik maar doorgereden. Ik moest iemand meenemen. Het duurde 10 minuten toen een Han-chinees in vol uniform in mijn auto sprong. Ik zeg nog, ik ga niet naar de grens, ik ga onderweg stoppen om te slapen. Helaas pindakaas, dat mocht niet. Dit was een ‘sensetive area’ en ik moest en zou naar de grens post rijden. Die was, dacht ik, 38 kilometer verder, dat stond op het bord. Nou, dat was dan nog wel te doen. Echter blijkt men niet zo goed te kunnen tellen, het was 138 kilometer. En dat met die Chinees naast me die nog boe noch bah zei. Ik probeerde de conversatie op gang te krijgen maar het enig wat ie zei was ‘me english little’ waarna hij weer voor zich uit staarde. Er kwam nog een ander woord uit zijn strot, en dat was toen ik de mooie bergen wilde fotograferen. ‘No foto’.. was de opdracht. HARK. Later begreep ik dat het ventje speciaal mee ging om er zeker van te zijn dat ik NIET zou stoppen onderweg. Ik zou eens wat zien of er zelfs maar tegen praten. Een boer of een koe of zo, jeming, de wereld zou te klein zijn.
De weg naar benee was uitstekend, lang niet meegemaakt en ik kwam in het pikke donker in Tashkurgan aan. Hier verwarring alom, want ik had geen gids en niemand snapte er wat van, maar hierover een volgende keer meer. Ik mocht ieder geval op een afgesloten terrein parkeren waar ik heerlijk geslapen heb. IK ben in China !!

De Chinezen konden duidelijk beter wegen bouwen dan de Pakistani
