Eindelijk was ik er, in het noorderlijkste puntje van India, in de bergen, tegen de grens met China aan. Ik bezocht wat stuppa’s, daar ontkom je niet aan en het Hemmis klooster. Ik heb veel foto’s maar kan die natuurlijk niet allemaal plaatsen. Daarna reed ik maar even naar de hoogst bereidbare weg ter wereld. Dit verslag heeft 4.701 woorden, 25 minuten leestijd.
Leh was niet helemaal wat ik er van verwacht had. Nou had ik er twee jaar lang geprobeerd te komen en had ik waarschijnlijk een te hoge verwachting gecreëerd.
Er waren natuurlijk wel aardig wat bezienswaardigheden in Leh, niet in de laatste plaats de locatie midden tussen de bergen, de besneeuwde pieken, de vallei die meer Egyptisch overkwam dan Tibetaans (daarover later meer). Leh lag op de oude handels route tussen India en China en is nog niet eens zo lang open voor buitenlanders, pas in de 70ger jaren begon het toerisme hier enige vorm aan te nemen. Maar vanaf die tijd is het dan ook wel hard gegaan. Een groot gedeelte van de stad is nog in de oude vorm is, zandstenen huizen met zandstenen muren er om heen, en dat maakt Leh wel heel apart.
De grote trekpleister, net boven het centrum van Leh was het Archeologische museum (oude paleis, in de vorm van het Potala in Lhasa) en het even oude, vervallen nog oudere Leh paleis met het daarboven gelegen Victory tower, vanwaar er een geweldig uitzicht over Leh en omgeving was.

Het oude paleis-nu-museum
Rondom Leh had je ook nog diverse kloosters en stuppa’s die de moeite waard zouden zijn om te bezoeken, dus ik zou me wel bezig houden. Heb er twee jaar op moeten wachten, en nu zal ik er ook van genieten ook.
Had mijn auto geparkeerd in Buddha’s guesthouse, zo’n 10 kilometer uit het centrum. Dit was op advies van Ad en Susan, die hadden me verteld dat het vrijwel onmogelijk was om in het centrum zelf te parkeren. Bestede dan ook mijn eerste dag aan het huren van een bromfiets, en vond een scooter voor 1750 roepies voor een week, exclusief brandstof (uiteraard) en verzekering (die hadden ze niet). Hiermee kon ik mooi de omgeving gaan verkennen zonder dat ik met de fiets hoefde. De omgeving was nog heuvelachtig, zoals je wel kan vermoeden midden in de bergen, en fietsen op deze hoogte vond ik geen goed plan (ok ok , ik was ook wat lui).

Leh
De eerste volle dag in Leh bestede ik aan het bezoeken van de Victory Tower met uitzicht, het door crossen van Leh en omgeving (en heerlijk de weg kwijt geraakt te zijn), en het up to date brengen van mijn internet site (moet toch wat leesvoer geven, anders wordt mijn familie ongerust).
Dag twee en drie ben ik rustig de bezienswaardigheden in Leh gaan bekijken en heb ik een boek over Ladakh gekocht, zodat ik eens rustig kon gaan plannen hoe ik de komende maand door zou aan brengen.
Na grondige studie bleven er vier dingen op mijn programma staan. Eerste was een bezoek aan het Hennis klooster, alwaar er een festival was op 12 en 13 juni. Dat is een van de weinige festivals die in de zomer plaats vinden en scheen een echt Tibetaanse happening te zijn. Tweede was een bezoek aan de Nubra vallei, via de hoogste berijdbare pas ter wereld van 5600 meter en aldaar een bezoek aan de zandduinen. (Jaja, zandduinen midden in de bergen). Derde was een dag trip met bezoek aan diverse kloosters ten westen van Leh, en als laatste een bezoek aan het Tso Moriri meer. Dit laatste kon ik mooi via de terugweg naar Manali doen.

Op mijn door-scooteren van Leh ontmoete nog een Duits stel dat met hun Mercedes ook hierheen was komen rijden. Ontmoete wederom het Franse stel met hun landrover die ik zowel in Khajuraho als in Pokhara tegen kwam, ik had het er maar druk mee. Later bleken er ook twee Nederlanders, onafhankelijk van elkaar, hier rond te rijden, een ervan, met daarin Karlijn en Roger, ontmoete ik later in Hemis en op de terugweg van Hemis reed ik bijna tegen een Belgische camper op. Wilde tevens een dag eerder naar het Hemis klooster rijden om daar een goede parkeerplek te bemachtigen voor de twee daagse festiviteiten.

Al zo mijn plannen uitvoerend vertrok ik de 11 juli richting Hemis klooster. Dit was maar 50 km van Leh, dus maakte een tussenstop in Thikse klooster (imposant maar wel wat saai) en reed bijna tegen een Duits stel aan met een gewone (mooie) camper.

Mooie Stuppa, eindelijk eens zonder bidvlaggen
Dat waren echte Duitsers, beetje saai maar zeer gründlich, veel contact had ik er niet mee. We parkeerden beide op dezelfde parkeerplaats bij Hemis. Het was nog niet eenvoudig er te komen. De weg was erg smal, dat is niet erg, maar vlakbij het klooster waren ze allemaal eten en kermis achtige tentjes aan het opzetten. De zeilen spande ze met touwen vast, alleen deden ze dat over de weg en op ongeveer 3 meter hoogte. Daar ik 3,4 meter ben. Kon ik er niet door. Toen ik echter gebaarde dat ze of de touwen omhoog moesten doen, of ik gas zou geven, werd er met een bezem wat geholpen en kon ik door. Die avond wat met monniken en jan en alleman lopen praten.
De dag van het festival was het slecht weer. Het regende vrijwel de hele dag, en dat is niet leuk op een festival. Bemachtigde een super plekje bij de manifestatie door erg vroeg te gaan zitten. Had koffie mee, mijn eigen klapstoel en ging zitten te wachten tot het programma begon. Helaas werd ik (en alle andere) er weg gestuurd, we zaten op de plek der monniken en ik verkaste naar een plek naast het Franse echtpaar. Had er de pee in maar het bleek later een betere plek te zijn. Alleen was het niet overdekt, en met dit weer was dat wat minder.
Het Tse-Chu festival, waar ik op zat te wachten viert de geboorte van Padmasambhava, een van de grondleggers van het Boeddhisme . Het duurde en duurde maar, maar om half 11 begonnen dan eindelijk de festiviteiten met het binnenlopen van een paar fraai uitgedoste fluiters. Dit werd gevolgd door dansende gemaskerde monniken die met hun dansen diverse mystieke dans-drama speelden. Slechteriken met enge maskers, goedzakken met lieve maskers, veel dansen, veel muziek, allemaal bijzonder prachtig. Het was koud en het regende af en toe. Er bleef maar volk binnen stromen en mijn mooie plekje, dat ik vanaf 8 uur had verdedigd, werd zo vol dat ik bijna de festiviteiten niet meer kon volgen.

Er braken wat woorden uit met mij en andere mensen die netjes op tijd waren en hadden zitten wachten in de natte kou, met asociale toeristen die te laat waren en maar over voor gingen zitten. Het hielp echter niet, er waren te veel mensen. Ook waren er een aantal zeer irritante toeristen die vonden dat ze Jan-de-Fotograaf waren en die sprongen dan midden onder het feest voor de dansende monniken om zo foto’s te maken. Man man, koop een telelens of zo. Hoe dan ook, het was erg mooi en ik heb te veel foto’s gemaakt (voor het eerst was mijn camera vol).

Na het middaguur liep ik Karlijn en Roger tegen het lijf die met een landcruiser onderweg waren. Ik had er ooit al eerder contact mee gehad via email en we wisselde ervaringen en verhalen uit. Die zal ik vast, net als de Fransen en de Duisters die naast me staan, wel weer tegen het lijf lopen ergens. Het bleef koud en regenen, en toen ik voor de late lunch in de auto zat hoorde ik wel wat muziek in de verte, maar bij navraag zou dat niks zijn. Anderhalf uur later ging ik toch eens kijken, en ja hoor, er was wel degelijk een show geweest, maar die was dus net afgelopen. Naja, ’t is niet anders.

In de nacht bleef het regenen en ook de volgende dag begon niet anders. Niet hard, maar steeds een bui. Het was wat minder druk, dat scheelde enorm. Bemachtigde weer een goed plekkie en zat met mijn thermos koffie, regenpak, camera en rol koekies te wachten op het begin.

Dat duurde lang maar om half 10 kwamen er trommelaars en fluiters met het portret van de Abt naar benee. Volspanning op het vervolg vlogen de fluiters weer naar binnen na een kwartier.

Het duurde daarna 2.5 uur voor er weer wat gebeurde, heel vaag. Maar ja, Boeddhisme en geduld gaan hand in hand. Voor de meeste toeristen was het geen makkie, die stonden in de kou te wachten.

Om 12 uur of zo eindelijk het vervolg, de uitbeelding van het doden van het kwaad (een van deeg gemaakt minuscuul poppetje met een hele grote fallus). Dat gaat natuurlijk niet een-twee-drie, daar moet door vele verschillende figuren omheen gedanst worden, het moet dan dood gestoken worden, het word dan deels opgegeten en door de dood meegenomen.

Daarna begon het te stort regenen wat jammer was, want het vervolg, een soort van duivelskindertjes die via allerlei grapjes het publiek vermaakte, soort rijst in het publiek gooide en kattenkwaad uithaalde. Helaas regende het zo hard dat het publiek weg liep en het spektakel een voortijdig einde kreeg.

Al om was het zeker de moeite waard ondanks de kou, de regen en het lange wachten. De variatie van de kostuums, de details, de muziek, de kleuren, de lange hoorns was een stukje Tibetaanse folklore die langzaam aan het verdwijnen is.

Midden juli, Leh en de hoogste weg ter wereld (Noord-India)
Na Nemis keerde ik niet terug naar het Budha guesthouse. Ik vond het wat te ver van Leh. Later wilde ik wel terug, immers was er goed water en elektra te krijgen, de twee dingen (vooral water) die voor mij belangrijk zijn. Ook hier in het noorden van India is goed water moeilijk te krijgen, dat krijg je als je al je afval in het water gooit.
Ik parkeerde net aan de rand van Leh, op een groot (achteraf militair) parkeer terrein, gelegen tegenover fort Zohawar. Dat was 10 tot 15 minuten lopen van het centrum, dus acceptabel, en het leek me er rustig te zijn.

Kreeg zowaar collega’s
Dat was ook wel zo. Maar ja, ik ben wel in India. Om 6 uur begon er een luidspreker luidkeels Hindu gebeden te zingen. Ook begon er een cricket match, maar dat was minder erg. Mijn vraag aan een cricketer of dit de hele nacht zo door zou gaan werd me verteld dat het maar 2 uurtjes was, zodat de mensen konden bidden. Hoe men kan bidden in die herrie is mij een raadsel, maar ik ben dan ook geen Hindu. Ach twee uurtjes houd ik nog wel uit, en om 8 uur was de herrie dan ook over. De nacht heerlijk rustig doorgebracht…… tot 5 uur in de ochtend.
Blijkbaar weer tijd om te bidden, de luidsprekers deden hun best nog meer herrie te maken dan de avond er voor. Zelfs mijn oordopjes hielpen niet. Besloot dan ook om die avond om de hoek te gaan parkeren en bestede mijn dag aan het lopen naar het centrum van Leh, het ontdekken dat internet vandaag weer eens niet werkte in de hele stad, een praatje te maken met het Duitse stel die mijn scooter hadden gebruikt en het vinden van een nieuwe douchekop. Om 2 uur was ik bij mijn auto terug. Behalve een briefje van Karlijn en Robert onder mijn ruitenwisser stonden er ook een stuk of wat paarden bij mijn auto, en een man die vroeg of ik me auto wilden moven omdat er op de zandvlakte een polo wedstrijd gespeeld zou worden. Niet erg want ik was toch van plan te verkassen. Net voor ik mijn auto wilde starten kwam Gerrit de Generaal op me af. Wie ik wel niet was, wat ik wel niet deed, enfin, de standaard vragen van een Indiër. Hij bleek toch wel een aardige vent die ook al een paar keer in het westen was geweest dus niet helemaal wereldvreemd.

Levensgevaarlijk dat Polo
Toen ik opmerkte dat ik het Indiase leger nou niet zo hoog had zitten vond hij dat duidelijk niet leuk, en hij nam me, om het ‘goed’ te maken op rondtoer door het Fort en gaf persoonlijk verslag bij de polo wedstrijd. Verder gaf hij me thee, een glas water, en een hoop persoonlijke aanbevelingen. Toch wel leuk. We namen afscheid en ik liep weer naar het Centrum van Leh, om te ontdekken dat er nu wel internet was, maar dat de stroom was uitgevallen. Dus elk internet café had een of twee pc’s op een nood generator en omdat er al de hele dag geen verbinding was geweest waren de wachtrijen mij te lang.
In de avond, net onder het eten, kwam ineens het Belgische stel in hun oude camper aan rijden en parkeerde vlak naast me. Ze waren erg emotioneel en hun verhaal klonk in eerste instantie wat warrig, maar na wat praten begreep ik dat hun hond (ze hadden er drie bij hun) was aangevallen door een lokale hond en een paar flinke wonden had. Ze konden nergens een dierenarts vinden die de boel dicht wilde naaien en hadden nare ervaringen met het leger. Die had de enige dierenarts in de omgeving en die wilde hun niet helpen. Enfin, na lang zoeken vonden ze toch wat, en zo hebben ze hun hele dag gespendeerd om hun bloedende hond te helpen, niet eens het Hemis klooster gezien. Vandaar hun emotionele status.
De volgende paar dagen spendeerde ik aan lanterfanten, wat kleine klusjes opknappen, wat internetten, proberen een Iran visa aan te vragen vast via internet, het kletsen met Duitsers en Belgen, het aanvragen van vergunning voor Nubra, enfin, een hoop kleine dingen. Reed de 16e een kilometer of 40-50 naar het westen. Die weg kende ik nog niet. Na eindeloos militaire kampen kwam je in een soort maanlandschap terecht, erg fraai.
De 18e vertrokken richting Nubra. Had van Sam&Becky gehoord dat de weg redelijk was, behalve vanaf 20 km voor en na de pas. Dat klopte dan ook wel. Maar bagger was dan ook wel met een hoofdletter B hoor.

But wegen met een hoofdletter K
30 km voor de pas een militair kamp en een controle post. Vergunning laten zien, paspoort, enfin, niks bijzonders. Maar toen ik weer verder wilde rijden hoorde ik ineens mijn naam roepen. Beetje vreemd, dus ik stop, en er stond een militair in uniform met allemaal lintjes en streepjes en die gebood me te komen. Had het eerst niet in de gaten, maar het was Bhupinder Shahi, de hoge ome die ik eerder tijdens de polo wedstrijd bij het fort ontmoete. Hij was bezig een rapport te maken over twee dode soldaten. Die waren omgekomen toen hun vracht auto het ravijn in dook. Ik had die auto zien liggen, en dat zag er niet best uit. Nu bleek dus dat beide rijders dood waren. Ze hadden pakken melk vervoerd en die lagen over de hele bergwand verspreid. Blijkbaar had hun stuur geblokkeerd, een euvel wat vaker voorkwam bij deze militaire voertuigen volgens Bhupinder.

Ik kreeg een bakkie Nescafé en ik begon die Bhupinder wel een aardige gast te vinden. Hij was erg open en wilde me graag helpen. Na een half uurtje weer verder gereden. Op bijna 5000 meter stopte ik bij een beekje om mijn water tank vol te gooien. Ik was toch met slang bezig dus spoot wat stof van mijn auto en realiseerde me dat ik waarschijnlijk de hoogste autowasser ter wereld was.
De temperatuur zakte naar 8 graden, zo koud had ik het overdag sinds jaren niet meer gehad. Verder omhoog dook er ineens een bever-marmot voor me neus. Dat is een van de lokale dieren hier, die ik ook in de Karakoram tegen had kunnen komen maar nu zag ik hem/haar dan eindelijk in levende lijve. Het was maar kort, en ik heb geprobeerd het op de foto te zetten maar heb alleen het achterwerk kunnen schieten. Die beesten zijn mooi, soort oranje kleur, zo groot als een bever. Zag trouwens ook veel patrijzen, kreeg water in mijn mond.

De pas hoogte volgens de Indiase overheid
Tja, dan het heikele punt van deze pas en weg. Volgens Indiase bronnen is dit de hoogst berijdbare weg ter wereld. Op de kaarten staat de pas aangegeven als zijne 5600 meter hoog. Maar, langzaam maar zeker beginnen er in publicaties andere hoogtes te staan. Namelijk 5300 meter. En dat was ook precies wat mijn GPS aangaf, 5381 meter om precies te zijn. Dat is nog steeds 600 meter hoger dan mijn vorig record (4700 meter Karakoram highway Pakistan) maar, waarschijnlijk dus niet de hoogst berijdbare weg ter wereld. En het woord berijdbaar is ook discutabel. Wat een hobbel pad.

De echte, niet gelogen hoogte
Op weg naar benee zag ik van verre al een militaire colonne aankomen, dus parkeerde op een plekkie zodat ze genoeg ruimte hadden om me te passeren. Het waren wel 50 trucks denk ik (allemaal leeg) en het duurde een dik half uur voor die allemaal voorbij waren. Ik was nog goed geen 10 minuten weer aan het rijden toen er weer een colonne aankwam. Dit keer had ik ze niet aan zien komen en ik moest mijn auto aan de kant zetten, maar op zo’n manier dat er nog maar net ruimte was om die dikke Tata militaire vrachtauto’s door te laten. Ik was als de dood dat ze mijn auto zouden beschadigen dus ik ging met handgebaren die militairen helpen. Ging gelukkig allemaal net goed. Maar was wel weer een minuut of 20 kwijt.

Daar beneden ligt Leh, en dat is al op 3500 meter
Verder naar beneden was de weg spectaculair mooi. De bergen waren een soort zandsteen en de rivieren hadden diep kloven er in gekliefd. Erg mooi. Om 6 uur vond ik een plekkie in het midden van de bergen, waar het super stil was, midden in de woestijn eigenlijk.
De dag er na bleef de weg erg spectaculair en qua kwaliteit best redelijk. De rivieren hadden zeer diepe kloven gegroefd in dit rode zanderige gebergte en de weg voerde langs diepe afgronden. Het weer was goed, de weg ook, lekker muziekje aan en mijn humeur kon niet beter. Genieten dus.

Vlak voor Khalsar een militaire post die beweerde dat de weg gesloten was vanwege een aardverschuiving, men adviseerde me links af te slaan ipv rechts. Tja, weinig keuze. Deze weg voerde ook naar Diskit, maar deze ging boven over de berg terwijl de normale weg onder langs de rivierbedding gaat. Deze weg was smal en op sommige plaatsen eng, maar zeker weer een gewaarwording. Plots zag ik iets doods op de weg liggen. Gelukkig was het maar een dooie steen, maar van een afstand was het net een dood beest. Veel auto’s die even stil moeten staan om wat voor een reden dan ook, leggen een steen onder hun achterwielen. Bij het wegrijden zullen ze die niet even van de weg afhalen zodat er vaak grote stenen midden op de weg liggen. Vaak erg irritant, zeker als je even niet oplet en er een vol pakt (he Casper!)
Het plaatsje Diskit was niet zo veel bijzonders en doorgereden tot de zandduinen. Ook die waren niet speciaal. Geinig, maar het was maar een vierkante kilometer of zo.

Geen foutje maken met sturen.
Toch een heerlijk plekje gevonden om te parkeren. Was van plan er te slapen, maar laat in de middag verveelde ik me en besloot wat verder te gaan kijken. Dat duurde niet lang want na 10 km kwam ik bij een militaire post waar geen buitenlanders meer door mocht. Uit verveling maar een stuk terug gereden, mijn auto midden in de droge rivierbedding neergezet voor de nacht. En nu maar hopen dat het vannacht stroom opwaarts niet heel hard gaat regen, dan krijg ik natte voeten.

Die zanduinen waren niet spectaculair
De mensen die hier wonen zijn duidelijk van Tibetaanse origine. Spleetogen en platte bekkies. Maar zo anders dan de India’er. Veel relaxter en niet zo opdringerig. Dat maakt dit deel van India (kashmir) weer een heel andere ervaring, en zeker geen onprettige.
Ben nog steeds bij elke inspanning moe. Ik zit hier nu al twee weken op 3000-4000 meter en je zou denken dat ik er nu wel aan gewend moet zijn. Ik slaap nu goed en zo, maar als ik maar een trapje loop of eens wat werk doe, hijg..zucht en hijg… Goede reden om niks te doen natuurlijk.
Kwam tot de ontdekking dat mijn zonnepaneel lader het weer eens begeven had. Dat was niet de eerste keer en ik had gelukkig mijn ouwe originele laten repareren, dus het euvel was snel verholpen maar wel vaag.
De echte Nubra vallei die ik de dag daarop ging bezoeken zou wat meer te bieden hebben. Deze vallei is iets dieper/verder toegankelijk voor toeristen, maar uiteindelijk moet je ook hier weer terugkeren op je schreden. Toch kom je erg dicht bij de zogenaamde LOC (line of Control), de huidige, niet officiële grens tussen Pakistan, China en India. Kwam eerste een Duitser op een fiets tegen, daarna twee Nederlanders die naast me stopte. Ondanks dat ze geen drop bij zich hadden waren ze erg aardig en we hebben even staan kletsen.

Spraken af om elkaar te zien bij de hotsprings. Dat was eigenlijk, naast natuurlijk de omgeving en de mensen, de grote trekpleister in de omgeving. Ik reed er echter pal voorbij. En ik bleef maar rijden, niemand die me stopte. De weg werd steeds slechter, maar ik denk, als ik er niet in mag stoppen ze me wel. Zag een politie post, maar er was geen hefboom over de weg, en dan stop ik echt niet hoor. Smaller en smaller werd de weg, en ik kreeg het vermoeden dat ik diep in verboden terrein aan het rijden was. Begon ineens te vermoeden dat ik dadelijk zo Pakistan of China in zou rijden, en dat was niet zo’n goed idee, dus bij de eerste gelegenheid keerde ik. Achteraf bleek het wel mee te vallen, heb dus niks stouts gedaan. Jammer.

Op de terugweg de hotsprings bekeken, maar daar kwam ik dus niet eens mijn auto voor uit. Op z’n Indisch hoor, bah bah. Twee open betonnen bakken, vies, en bloedheet water, ik ken dat van Manali en Vashist , waar ik er een uur over gedaan heb om aan het super hete water te wennen en er rood als een kreeft weer uit kwam (maar wel schoon).
Na een lunch in een mooi groen veld, het bijna vast rijden van de auto in hetzelfde veld (lang leve de 4-wheel drive, maar het scheelde niet veel of die had ook niet geholpen, zo diep zakte ik weg) besloot ik maar om langzaam terug te rijden. Er was niet veel meer te zien hier, het viel me een beetje tegen. De twee bijzonderheden waar ik me op verheugd had (de zandduinen en de hotsprings) waren beide ….laten we zeggen magertjes. Maar de weg en de bergen, de natuur en de ver gezichten, maakte het allemaal wel weer waard. Reed dus terug naar het begin van de pas zodat ik de volgende dag op tijd boven ben. De weg die op de heenweg afgesloten was, was dat nog steeds (een vrouw vertelde me dat het nog maanden kon duren) en ik reed dus weer de omweg over de top van een berg (en een leger kamp) en zette de motor af om 5 uur, tijd voor een pilske.

Bij het rechtzetten van mijn auto wilde ik de zware metalen wig onder een van mijn wielen zetten. Omdat die dingen echt zwaar zijn, ‘gooide’ ik het ding onder mijn band. Ik miste echter, en de punt van de wig kwam tegen de zijkant van de band, stuiterde terug en belande boven op mijn voet. Dansend van pijn leek het of ik mijn voet of een teen had gebroken. Hoopte van niet, want ik stond tientallen kilometers van een bewoond huis. In de avond zakte de pijn en in de ochtend had ik een dikke teen maar de pijn was te doen. Gebroken was het niet denk ik, maar ieder geval wel gekneusd.
De weg terug over de pas was ook weer geen pretje, ondanks dat ik wist wat me te wachten stond. Hobbel hobbel, het kan nooit echt goed voor mijn auto zijn geweest. Maar ach, met een bakkie koffie in een hand, de muziek hard aan (Cold Play), een stralend luchie, prachtige bergen om me heen, maakt het langzame gangetje toch nog aangenaam. De langzame gang maakte het wel dat ik apart wild zag. Plots een bever aan de zijkant van de weg. Toen die weg huppelde een jong achter haar aan. Mooi gezicht. Wat die hier doen geen idee, er is geen boom in de buurt. Iets verder op een heel klein marmotje op de weg. Klein beestje met grote oren.

Je went aan die smalle stukjes en die diepe gapende afgronden denk ik.. Ik rijd nu een maand onder dit soort omstandigheden en betrapt mezelf erop dat ik, met een halve meter naast me, rustig mijn bril afzette en mijn zonnebril opzette, met een hand aan het stuur zat om een slok koffie te nemen, of rustig een foto nam zonder handen aan het stuur.
Terug in Leh parkeerde ik op het zelfde plekje als voorheen. Ik stond er nog geen twee uurtjes toen er een aardige mijnheer kwam vertellen dat ik er niet mocht staan omdat het grond van het leger was. Ik ken dat soort mannetjes, ik vroeg wie hij dan wel niet was. Hij vertelde me dat ie ‘Army intelligence’ was. Nou dat weer. Ik heb hem mijn auto van binnen laten zien en de man stapte vrolijk weer op met de mededeling dat het geen probleem was. Twee uur later, ik had net het eten achter de rug, drie man voor de deur. Wij zijn van ‘Army Intelligence’, wij willen graag je paspoort en je PC zien. Verder mag je hier niet blijven staan, dit is leger grond. Nou brak mijn klomp. Of ik wel eens in Pakistan was geweest. Ja zeg ik, wel twee keer in de afgelopen twee jaar, en ik heb er best plezier gehad. Misschien had ik dat niet moeten zeggen, maar ik denk, Jezus man, doe niet zo overdreven. Enfin, er werd honderd uit gevraagd, de man op die mijn pc inspecteerde (en er geen snars van snapte) zat vrolijk al mijn foto’s te bekijken. Waar het hun blijkbaar om te doen was dat ik geen foto’s van militaire installaties had gemaakt. Ik kreeg het wel een beetje benauwd eerlijk gezegd, ik bedoel, het Indiase leger is niet beter dan dat van elk ander land, en ze gooien je zo een donker hol in als ze vermoeden dat je iets te verbergen hebt (dus luitjes, als ik in eens verdwenen ben…). Op een gegeven moment, de foto die ik genomen had van een paar legertrucks die me tegemoet kwamen. Ho, dat was interessant, ik had foto’s genomen van leger zaken. Het leek we de Chinese grens beambte, zulke vage logica. Die foto moeten we meenemen werd er gemeld, en er kwam een usb stick tevoorschijn. Help jezelf mijnheer de army intelligence, als je daar zo’n interesse in hebt.
Ik begon langzamerhand een beetje boos te worden, ik houd evenmin van terroristen als een ander, maar dit begon me wat te ver te gaan. Ik vertelde de hoogste man dat ik het niet zo hoog op het leger had, eerst me spiegel eraf rijden, dan lomp doen op de weg, daarna me ook nog eens vals beschuldigen en me dan van een ongebruikt stuk land afgooien. Dat raakte blijkbaar een snaar, na nog 5 minuten vruchteloos al mijn foto’s bekeken te hebben nam men afscheid met de mededeling dat ik wel mocht blijven staan. Het duurde wel een dik uur voor ik weer een beetje normaal kon nadenken, ik was innerlijk erg boos. GVD, ikke, terrorist, die army intelligence is niet zo intelligent heb ik het idee. .
