In september was het de beurt aan Oeganda, of Uganda, ook weer zo’n land waar ik me weinig bij voor kon stellen. Behalve de naam Idi Amin, heb ik geen voorstelling van dit land. Maar ik was vol goede moed. Dit verhaal telt 4.945 woorden, 26 minuten leestijd

De visa aan de grens was er snel, ook mijn auto papieren werden gestempeld maar niet voor ik 35$ aan wegenbelasting moest betalen. Nog te doen, laten we hopen dat het dat waard was. Reed na een half uurtje Uganda in en parkeerde net na de grenspost in het vieze grensdorpje om een lunch te nemen. Mijn eerste ervaring met Uganda begon negatief. Had een pakje sigaretten op mijn deurmat laten liggen en na even niet kijken was het pakje weg. Snelde naar buiten maar er liepen teveel mensen om te kunnen zien wie de dief was. Zou het een teken zijn dat ik nu moest stoppen met roken? Waarschijnlijk wel, maar ik wilde dat vanaf Kenia gaan doen. Dus rukte mijn reserve pakje uit de la en ging demonstratief in de deur opening zitten paffen.
Na de lunch bleek de weg noordwaarts richting Kabale niet bijster goed. Vol met gaten en, erger, slecht gerepareerde gaten, hobbelde en laveerde ik over de weg, me afvragend waarom ik die wegenbelasting moest betalen. Het landschap was niet anders dan die in Rwanda, mooie groene bergen gevuld met kleine akkertjes, veel bananen bomen maar ook wat thee, koffie, cassave, aardappelen en wortelen.
Bij Kabale aangekomen bleek dat een zeer rommelige stad. Lekker, echt Africa, alles door elkaar en alles tegelijk. Ik mag dat altijd wel. Vond een bank en probeerde te pinnen. De machine begon te tellen, ik hoorde van alles rommelen daar binnen. Het scherm zei neem uw pas en geld. De pas kwam maar het geld niet. Ik naar binnen de bank in. Nee mijnheer, zei de vriendelijke juffrouw, als uw geld er niet uit kwam wordt het ook niet van uw rekening afgeschreven, probeert u nog maals te pinnen. Jaaaaa, dat ken ik. Vroeg haar naam en nummer voor het (grote) geval dat het wel wordt verrekend en pinde nog maals, dit keer met succes. Reed iets verder door naar het Little Riz restaurant, daar zou een camping zijn. Had wel zin even een Ugandees stadje door te lopen en eens te zien wat er te beleven, te halen en doen was. Inderdaad was er een camping maar een hele grote overlander truck stond midden op de inrit zijn banden te wisselen. Of ik even twee uurtjes kon wachten. Nee dus. Reed door, had op mijn GPS gezien dat er 15 km verderop een camping aan een meer was. Kon ik altijd nog terug als dat niks was.
De campsite in kwestie was in Bunyoni en dat vond ik via een heel enge, steile en smalle piste inderdaad aan het mooie Bunyoni meer. De campsite was schitterend en ik parkeerde geheel in mijn nopjes vrijwel pal aan het water. Dronk een bakje thee, de vogeltjes fladderde om me heen, in de verte aan de overkant een mooie heuvel met wat hutjes. Ik was helemaal in mijn sas en wilde hier wel een paar dagen blijven.
Schrok me dan ook wild toen er om 5 uur een levensgrote overlander truck aan kwam en er 25 lawaaiige toeristen uit kwamen. De truck werd leeggehaald, er werd kamp opgezet en gekookt en om 8 uur begon men aan het bier. De toeristen spraken Spaans en werden steeds lawaaiiger. Om 9 uur werd er zo hard gegild en geschreeuwd dat het leek alsof er een hele school pubers pal naast mijn auto een feestje aan het geven was en voor het eerst alcohol hadden gedronken. Ik zat me werkelijk op te vreten. Daar denk je dan heerlijk rustig op een pracht plek te staan, wordt je het leven zuur gemaakt door een stel randdebielen. Om half tien ben ik naar de leiding van de overlanders gegaan en heb ze vriendelijk duidelijk gemaakt dat ze hier toch echt niet alleen stonden. Niet dat het wat uithaalde, het gejuich en gelal ging even hard door. Men heeft het aan het andere kant van het meer life mee kunnen maken. Wat moeten ze daar wel niet denken van die lallende muzungu’s . Gelukkig was het feest om 10 uur afgelopen maar mijn rustig avondje was naar de klote, evenals mijn goede humeur.
Om 6 uur in de ochtend begonnen de klojo’s al aan het ontbijt, dus was ik ook al vroeg wakker. Om 7 uur reed de overlander truck weg maar ik had al besloten om hier niet te blijven. Had een route uitgestippeld naar het Queen Elizabeth Nationale Park. Maar dan binnendoor via Rukungiri. Reed eerste even terug naar Kabala voor diesel. Daar bleek van de tien benzine stations er maar een diesel te hebben. Iets om op te letten blijkbaar in dit land, en tufde weer terug over een dit keer goede weg naar de afslag Rukungiri. Het was maar 19 km maar deed er toch even over. In Uganda heeft men in elk dorpje een hele hoop verkeers drempels. En niet van die kleintjes, maar van die ribbelstroken. Daar kan je echt niet met snelheid over heen. Doe je dat wel dan laten je vullingen pardoes los (en ik heb er nog al wat) en trillen alle bouten en moeren zo uit hun houding. Ik deed dat bij de eerste ribbelstrook en mijn route- laptop vloog onmiddellijk van zijn houder in mijn schoot. Gevolg is dat je bij elk dorpje 4 of 5 keer stapvoets over zo’n ribbel moet en dat houd enorm op. De aannemer van deze mooie nieuwe weg vond het ook noodzakelijk ribbels te leggen bij scherpe bochten en soms zelfs voor onduidelijke redenen, waardoor die 19 km me bijna anderhalf uur koste. Het vordert dus langzaam en is heel vermoeiend rijden.
Bij de afslag aangekomen bleek het een smalle piste te zijn. Een groot bord melde dat het verboden was voor auto’s zwaarder dan 7 ton. Shit. Dan ben ik met mijn 9 ton toch echt te zwaar. Vermoedelijk zijn er wat bruggetjes of zo die maar 7 ton kunnen dragen en ik durfde het risico niet aan. Dus maar weer terug over alle ribbelstroken richting Kabala. Daar links af omhoog richting Ntungamo. Geen geweldige weg maar te doen, en vlak voor Ntungamo sloeg ik links af over wederom een nieuwe weg (met ribbels) richting Ishaka. Ik was nu flink omgereden maar wel weer bijna bij Rukungiri. Nam echter wederom niet het risico en zette mijn weg over een redelijke piste voort naar Ishaka. Daar pakte ik de A109 op, een goede brede weg richting het Nationale park. Het begon tegen de avond te lopen en ook in deze omgeving overal dorpen en mensen, wild camperen leek onmogelijk. Vond op mijn GPS in Rubirizi een community campsite. Ook nu weer over een small eng weggetje bleek dit een soort achtertuin van iemand te zijn, maar wel precies op de rand van een van de vele krater meren die Uganda rijk is. Prachtige plek, super aardige eigenaar. Ik vond zijn prijs van 10 $ wel wat veel maar ach, voor een nachtje is het te doen.

De campsite familie
In de nacht begon het gigantisch te onweren en regenen. Zo hard en lang dat ik bang was dat er straks misschien een modder-verzakking plaats zou vinden en ik, met auto en al, zo het krater meer in zou zakken. Een aantal weken geleden had men in Uganda ook te veel regen en waren er enkele dorpen door modderstromen verzwolgen. Gelukkig werd ik veilig weer wakker, maar de grond, en het pad waarover ik was komen aanrijden, waren veranderd in modder baden. Om een uur of tien nam David, de eigenaar, me mee op een loop tocht naar het krater meer. Daar was ook een grot met een rivier er door. Hij legde van alles uit en was erg informatief. Medicinale planten, welke bomen welke vruchten gaven, welke beesten we zagen etc. Hij vond dat de Oegandezen hun cultuur aan het verliezen waren. Rond het krater meer werd er te veel gekapt en het meertje werd over bevist. Hij was bezig om de originele beplanting weer terug te zetten en gaf hulp aan de bewoners in zijn buurt om natuur en cultuur te bewaren in plaats van te misbruiken. Deel van mijn camping geld ging aan herbeplanting en opvoeding van de lokalen en ik vond het een loffelijk streven. Hij had een paar maanden geleden wat zoetwater kreeft in het meer uitgezet, in de hoop daar over een paar jaar vruchten van te kunnen plukken.

Oude vulkaan krater, nu meer
Omdat het pad nog steeds glibberig en nat was en ik David, en zijn campsite ook de omzet wel gunde, bleef ik er nog een dagje staan. Er kwamen veel lokalen langs, wat erg boeiend was en ik liet ze mijn foto boeken over Holland zien. Gaf de vele kinderen in groezelige klederen een kleine soort voetbal waarmee ze konden spelen en beloofde de bal achter te laten bij David, zodat ze in het weekend allemaal konden voet of volleyballen. Maar, alleen de kinderen die naar school zijn gegaan zei ik, en daar was David het helemaal mee eens.
David had nog een verassing in petto, achter op zijn grond had hij een zelf gemaakt museumpje gemaakt. Een volgens oude tradities gemaakte rieten hut met oude werktuigen en kalbassen potten. Zijn verhalen er bij waren boeiend. Hielp hem wat later met het maken van een brochure over zijn plek. Met de computer fabriekte ik een mooi foldertje met foto’s waarmee hij wat bekendheid aan zijn camping kon gaan geven. At die avond een lokaal vissie en die nacht bleef het gelukkig droog.
Deze campsite ( GPS S0 15.653 E30 07.365) is helemaal gemaakt met natuurlijke producten. De hutjes, die je kan huren, zijn met lokale bomen gemaakt, het dak met lokaal riet bedekt. Alles met de hand in elkaar gezet. Electra is er niet en douches zijn nog in aanbouw. Op een gegeven moment moest men een bananen boom, die wat schuin hing vanwege de zware tros bananen, recht zetten. Een van de medewerkers pakte daar voor twee oude verdroogde bananen blader en vlocht daar in een mum van tijd een lang touw van. Hij klom in de er naast staande boom en bond de twee bomen met het zelf gemaakte touw aan elkaar. Zo gaat dat hier op het platteland.

Masaai in boom
Reed de volgende dag verder. Bij het Nationale park aangekomen bleek de hoofdweg gewoon door het park heen te lopen. Ik kon afslaan dieper het park in maar dat koste veel geld, en via de hoofdweg kreeg ik toch een goed beeld van het park en zag ik ook vele herten soorten langs de hoofdweg grazen. Reed verder noordwaarts richting Fort Portal. Passeerde de evenaar. Had het zelf niet eens in de gaten, gelukkig stond er een krakkemikkig teken langs de kant van de weg. Het was pas 2 uur in de middag maar ik zag dikke vette wolken aankomen dus besloot snel een plekje te zoeken. Had gehoord dat de Ambare cave campsite,(GPS N0 40.588 E30 13.523) net buiten Fort Portal wel ok zou zijn.

De evenaar
Ook deze plek was weer over een eng weggetje te bereiken. Haalde het net voor de regen kwam. Het was een boerderij met daarom heen groen weilanden op heuvels. Op een van de weilanden kon ik kamperen. Moest daar voor eerst een ander weiland door rijden, heuvel op. Terwijl ik dit deed barste de bui los. Ik maakte haast want gras is super glad als het nat is. Reed door een heel smal hekje met links er van een grote boom. Het kwam ondertussen met bakken naar benee. In een paar seconde was het gras zo glad dat het eng was. Mijn wielen zakte in het gras en ik ploegde professioneel de campsite om, een diepe modder spoor achter me latend. Maar ik redde het omhoog en ik stond wederom op een prachtplek. Het leek Zwitserland wel, groene gras heuvels, hier en daar in de verte wat huisjes, koeien in de wei en rust. Nu maar hopen dat er geen overlander truck komt.
In de ochtend was het nog even stil. Op het tsjirpen van de vogels na een heerlijke rust. Het was gelukkig droog gebleven verder, mar het gras was nat van de dauw. Toen ik, met een kopje thee in de hand, eens rond liep zag ik plots een groot gat in de zijwand van mijn auto. Na inspectie bleek dat ik die avond, in mijn haast om boven te komen, de uitstekende afgezaagde tak van de boom bij het smalle hekje niet gezien had. Die was dwars door de wand heen gegaan en had een flink gat in de zij wand geslagen. Shit, mijn eerste echte schade aan het woon gedeelte.

Flink gat in de zijkant
Plakte het zorgvuldig af zodat er geen water of vuil in kon komen en reed, toen het gras wat gedroogd was door de zon, richting Fort Portal. Was eigenlijk van plan om die avond weer op dezelfde camping te gaan staan maar door het gat verging mijn lust om er weer naar terug te gaan en reed dus maar naar de hoofdstad Kampala. Ik was pas laat vetrokken dus het werd een beetje door rijden. Gen probleem, de weg was op zich goed. De heuvels werden steeds minder hoog en tegen het eind van de middag kwam ik in Kampala aan. Was al gewaarschuwd dat het een echte Afrikaanse stad was. Druk en heerlijk rommelig, ik mag dat altijd wel. Zo’n hoofdstad als Kigali (van Rwanda) is modern en saai (vond ik), maar Kampala, daar was altijd wel wat te zien en te doen op straat. Alles door elkaar, alles tegelijk. Je komt oren en ogen te kort. Een indruk: Smalle wegen met druk verkeer. Veel vrachtwagens en nog veel meer kleine minibusjes, zoals in zoveel grote steden in Afrika. De minibusjes stoppen overal en vinden ook altijd dat ze voorrang hebben. Nog meer brommer taxi’s die als kamikazes daar weer tussen door scheuren en net als de minibusjes elke verkeer regel aan hun laars lappen. Links inhalen, rechts inhalen, aan de verkeerde kant van de weg rijden, alles no problem. Een grijze mist van lucht verontreiniging hangt over alles heen. Generatoren aan de kant van de weg die hun steentje er aan bij dragen, een teken dat er hier een zeer onbetrouwbare stroom voorziening is. Ik passeer een grote parkeer plaats met daarop honderden in beslag genomen brommers in lange rijen. Er omheen een legertje politie agenten om te voorkomen dat de eigenaars hun brommers terug pakken. Daar weer omheen druk gebarende mensen, waarschijnlijk de eigenaren die het met de in beslag name niet eens zijn.
Op elk groot kruispunt staan stoplichten, maar ik heb er geen één werkend gezien. Bij één kruispunt een vrouwelijke politie agent die heftig wuivend gebaart dat ik sneller door moet rijden. Het grote gat in de weg, van wel 30 cm diep, belet het verkeer echter snelheid te maken, maar daar heeft ze blijkbaar geen boodschap aan.
Straatvegers die een hopeloze poging doen om de straat te vegen, tussen al het verkeer door. Bij elk passerende vrachtwagen wordt het hoopje vuil wat ze hebben opgeveegd weer uit elkaar gewaaid.
Een vrachtwagen chauffeur staat aan de kant van de weg te wachten op lading. Zijn arm hangt uit het raampje en een nagelknipper is bezig zijn nagels bij te werken.
Een onaf latende stroom van winkeltjes en stalletjes, iedereen heeft wel wat te verkopen. Heb je geen winkeltje, dan loop je gewoon op straat met je handel en duwt het elke voorbijganger onder zijn neus. Alles door elkaar uiteraard en iedereen tegelijk. Fruit verkopers met hun handel in een kruiwagen. Kranten verkopers die zich tussen het stroopachtig voortbewegende verkeer door laveren. Iedereen prijst luidkeels hun waren aan een kakafonie van geluid producerend. Vele autowasserijen, in modderige veldjes langs de kant van de weg, waar soms wel 20 wassers met vies bruin water auto’s proberen schoon te poetsen.
Overal wordt gelast, gebouwd of gegraven, alles zonder beleid. Vrachtwagens worden aan elkaar gelast 50 cm van de straatrand vandaan. Enfin je snapt het, ik vind het een heerlijke stad.
Ik vond de Backpackers hostel en campsite. Via een steil oprijlaantje kom ik op een grassig veldje. Alles loopt zo schuin af dat ik zelfs met grote klossen hout onder wielen schuin blijf staan. De bar is ongezellig leeg. Er staan wel 2 Zuid-Afrikaanse auto’s maar daar blijken Engelsen in te rijden. Verder waren er weinig toeristen en er hing geen sfeer. Bleef er toch de nacht slapen, ondanks dat er geen stroom was en alles er vies en vervallen uit zag. Voor de kampeerder was er een soort hutje met een kraan maar het was duidelijk dat hier al in geen maanden was opgeruimd. Het lag bezaaid met rottende kleding, lege cd-doosjes, etensresten en veel vuil.
Werd de volgende ochtend wakker met koppijn en pijn in mijn rug van het schuin slapen en besloot op deze plek niet langer te blijven. Reed door het rommelige Kampala en bezocht de Shoprite en Game supermarkten. Voor ik echter het parkeer terrein op mocht werd er eerst met spiegels onder mijn auto gekeken of ik geen bom er onder had. Er was een paar maanden geleden een bom-explosie op het parkeer terrein geweest en men was de boel nog steeds aan het herstellen.
Hierna reed ik naar de red Chilli Hideout. Ook niet echt een campsite maar na overleg mocht ik stroom gebruiken en vond ik een enigszins beschut plekje. Niet beschut tegen zon of wind, maar beschut tegen de vele overlander trucks met lawaaiige pubers er in. Bestede de volgende ochtend aan het bewerken van het gat in de wand. Moest pur schuim gaan halen bij de Game supermarkt (van dat bouwschuim wat erg uitzet en hard word) en nam een taxi heen en weer. Bij terugkomst stond de (vermoedelijke) manager naast mijn auto en zonder waarschuwen begon ie tegen me uit te vallen dat ik de stroom had aangesloten. Ik had het echter netjes afgesproken bij aankomst maar de man wilde nergens weten en ging tekeer als een randdebiel. Nou ja, zo ga je maar met je Afrikaanse personeel om zei ik tegen hem, maar niet met je klanten. Hierop werd ie nog bozer en ik draaide me om en liep weg. Besloot hier niet langer te blijven dan noodzakelijk, wat een hufter zeg. Kreeg vijf minuten later (ik was al aan het pakken) een SMS van Tamin en Justine dat ze die middag op dezelfde campsite aan zouden komen dus besloot toch maar te blijven. Die middag verscheen eerste Jeroen op zijn Motor, daarna Tamin en Justine en we spendeerde de avond al kletsend onder het genot van een biertje.
Justine was die nacht door een insect in haar been gebeten, waarschijnlijk een spin en voelde zich beroerd. Dat gooide onze plannen wat in de war want we wilde met z’n vieren gaan wild-water varen op de Nijl. De Nijl hoor ik je denken, in Uganda? Jaaa, de Nijl ontspringt in Uganda, vanuit het Victoria meer, en loopt helemaal door naar de Middellandse zee, een paar duizend kilometer verderop.
In de ochtend reed ik naar Jinja. Deze stad ligt aan het Victoria meer en precies aan de oorsprong van de Nijl. Reed naar het kantoor van de Nile Exploreres om te informeren over rafting. Alles geen probleem, men had zelfs een eigen campsite pal aan de Nijl. Dat bleek in Bujagaili falls te zijn en ik belande daar al snel. Als ik ging raften mocht ik er 2 nachten gratis kamperen en ik maakte dankbaar van die optie gebruik. Ondanks dat het er erg rumoerig was. Pakeerde mijn auto op een grasveldje tegen het hek aan en creëerde zo voor me zelf een privé kampeerplekje. Na uitvoerig sms’en met Tamin en Justine bleken die nog een paar dagen in Kampala te blijven dus reserveerde ik een plek voor het wild-water gebeuren voor de volgende dag.
Toen ik heerlijk achter een bakkie thee zat verscheen er ineens een gezicht aan de andere kant van het hek. Dat bleek Bosco te zijn, die tezamen met zijn grootmoeder aan de andere kant van het hek woonde in een modder hutje. Aardige gast en hij vertelde me van alles over zijn leven, over het dorp en zijn familie. Als snel stonden er ook wat hummeltjes bij en toen ik een dinkey toy autootje aan een van de kleine snotapen gaf was ik als snel de grote vriend van de familie. Bosco zelf was wees en werd door, wat hij zijn Oma noemde, in het hutje opgevangen omdat hij op de een of andere manier verre familie zou zijn. Op mijn vraag of ie naar school ging antwoorde hij dat hij vorige week voor het laatst was geweest maar dat er nu geen geld was. Hij moet elke dag 60 shilling betalen aan school (paar duppies), maar krijgt daarvoor wel een warme maaltijd. Omdat hij zo sympathiek was beloofde ik eens te kijken of ik hem met school kon helpen, maar dat ik eerst de volgende dag zou gaan raften.
De volgende ochtend vertrok ik om te raften met de truck van de campsite. Na een bezoek aan het kantoor in centrum Jinja waar mede-rafters werden opgepikt, het uitdossen in zwemvest en helm en de nodige veiligheid prietpraat reden we met zo’n 15 toeristen richting beginpunt.

Nu nog stoer
Daar werden de boten nog eens flink opgepompt en te water geladen. Ik kwam in een boot met een ander Nederlands meisje drie Ugandezen, waarvan er twee niet konden zwemmen. Ondanks dat het zeer moedig van ze was om dan toch te gaan raften, stonden ze vanaf het begin al doodsangsten uit. Na wat oefeningen om te leren op welke commando’s we hoe moesten peddelen kwamen de eerste rapids (stroomversnellingen) al snel in zicht. Met een donderend geraas storten we 3 meter de diepte in, het water spoot alle kanten op.

De stroom versnellingen werden steeds wilder
Even dreigde de boot te kapseizen maar op het laatste moment rechte de rubberboot zich weer en waren we door het gevaarlijkste deel van de eerste hindernis. En zo volgde er nog een stuk of tien, afgewisseld met stukken rustig water. Bij een van de stroomversnellingen was het nodig om de boot over land te zeulen, dat stuk was een klasse 6 rapid, te gevaarlijk voor ons als beginners. Bij de vierde stroom versnelling werd onze boot door een enorme golf als een lucifer houtje gelanceerd en kapseisde. Ik zelf werd met een boog gelanceerd en kwam gelukkig in diep water terecht. Je zou zo maar op een steen kunnen landen met alle nare gevolgen van dien. Ik werd opgepikt door een van de andere boten en kon na enige minuten mijn eigen boot weer in die ondertussen door onze gids c.q. kapitein weer omgekeerd in het water lag.

Het werd steeds zwaarder. Ik zit voorin rechts
Bij de 7e stroomversnelling werd onze boot wederom door een enorme golf omver gegooid. Ik belande onder de boot, die omgekeerd, een paar luchtzakken had zodat ik adem kon halen. Greep het touw dat om de boot gespannen zat en zwom onder de rubberboot vandaan maar de stroming was zo sterk dat het me niet lukte om het touw vast te blijven houden. En zo dreef ik door de stroom versnelling heen. Probeerde richting boot terug te zwemmen en dat had ik niet moeten doen. Terwijl ik krachtig met mijn benen zwembewegingen maakte sloeg ik met beide voeten tegelijk tegen een scherpe rots aan en haalde beide voeten flink open. Eenmaal weer terug in de boot zag ik een paar flinke gaten aan de binnenkant van mijn voeten, en mijn linker scheenbeen begon onmiddellijk blauw te worden. Het deed goed pijn maar ja, midden op een rivier doe je er weinig aan dus tanden op elkaar en door peddelen.

Tot het fout ging
Na 10 rapids (onze boot bleef verder gelukkig overeind) bereikte ik het eindpunt en ik strompelde aan wal. Het bloed vloeide rijkelijk uit beide poten. Maakte de boel wat schoon met Detol uit de EHBO kit, nam een bier en at wat van de BBQ die voor ons klaar stond.
Terug bij mijn auto kon ik bijna niet meer lopen en ik spendeerde de rest van de avond maar met de foetekes omhoog. Ondanks mijn verwonding was het toch een gave ervaring en een flinke adrenaline stoot die ik niet had willen missen.
De volgende paar dagen was ik net een bejaarde die zojuist de 100 meter hordelopen had gedaan. Ik kon bijna niet lopen en deed dan ook maar weinig. Werd uitgenodigd door de familie van Bosco om te komen eten. Iets heel Oegandees. Bananen met pindasaus. Maar niet zoals wij het kennen. Je hebt namelijk bananen en bananen. Deze hebben de beet en ook een beetje de smaak van aardappelen. De pindasaus wordt gemaakt van verse, niet geroosterde, pinda’s en smaakte erg laf. De smurrie zag er ook niet echt smakelijk uit en het zal niet in mijn favoriete voedsel lijstje komen. At het toch op en liet na het eten mijn boeken met Nederlandse foto’s aan de hele familie zien, waarna ik weer terug naar mijn auto strompelde. En zo sleepte de dagen zich voort. Ik stond prima op de campsite en had geen haast. Maakte nog een sunset nijl-cruise. Op een kleine katamaran voeren we op de monding van de Nijl. Jeroen en Tamin waren mee, het drinken was gratis dus deed ik ook maar mee.

Knabbelen op de Nijl
De nijl stroomt vanuit het grote victoria meer via een grote dam richting Cairo. Op de boot een hele groep met Nederlandse hulpverleners die even kwamen kijken of hun geld goed besteed werd. www.danceforlive.nl geloof ik. Uiteraard namen de hulpverleners een welverdiende nijl-cruise, immers wordt je van al dat hulp verlenen moe.
Sprak met een paar lokalen en kreeg een stuk grond te koop aangeboden. Op een middag ging ik er naar kijken. Het was een grond aan de rivier de Nijl met pracht uitzicht. Er werd momenteel nog suikerriet op verbouwd maar dat was geen probleem. Een stuk grond kopen in Afrika bleek geen makje en ik sprak met de man af dat hij de boel eventueel voor mij zou regelen en ik, indien nodig, terug zou komen rijden om de financiën rond te breien en wat handtekeningen te zetten.
Bosco had ik ondertussen naar zijn echte grootmoeder aan de andere kant van de rivier gebracht. Daar was ook een goede school en ik had zijn grootmoeder geld gegeven om de schoolkosten te betalen. Mijn voeten genazen langzaam en ik besloot zaterdag 1 oktober naar Kenia te gaan rijden. Voor ik die richting in sloeg wilde ik ’s ochtends even bij Bosco langs om te kijken of mijn geld wel goed besteed werd. Het had de avond er voor hard en veel geregend (doet het eigenlijk elke dag wel) dus glibberde ik over het nauwe modderpad richting grootmoeder. Daar aangekomen parkeerde ik mijn auto op het voetbalveldje in het dorp en liep naar Oma toe. Die was erg content, liet me de betaalbewijzen van de school zien en ik was tevreden. Wilde na een kleine lunch weg gaan toen er wederom een enorme stortbui los barste. Dat betekend dat ik niet weg kon, het pad, sowieso al link was om te rijden, was door de hevige regen in een riviertje verandert, met als bodem een dikke gladde rode modderlaag. Bleef noodgedwongen op het voetbalveldje staan. Toen het droog werd kwamen er overal kinderen vandaan die voor mijn deur me aan gingen staan staren. Voor 5 minuten is dat niet zo erg maar na een half uur wordt dat vervelend, dus haalde de beproefde truc uit de hoge hoed. Willen jullie voetballen? vroeg ik. Ja riepen ze allen in koor, maar we hebben geen bal. Aha, maar ik wel. Toverde een voetbal tevoorschijn (nog in Zuid Afrika gekocht), pompte hem op en de kinderen vergaten mij en begonnen enthousiast tegen de bal aan te trappen.

Bleef die nacht maar op het voetbalveld slapen en het was, toen iedereen eenmaal weg was, lekker rustig. Het bleef wel een groot deel van de nacht regenen dus kon de volgende morgen niet snel vertrekken, ik moest wachten tot het pad uitgedroogd werd door de zon. Praatte ondertussen met Vincent, de secretaris van het dorp. Die vertelde me zo’n beetje wat er reilde en zeilde en, zoals een goed Afrikaan begon hij over geld te zeuren. Maakte dus maar dat ik weg kwam ondanks dat het pas eigenlijk nog niet droog was. Gilbberde links en rechts bijna het talud af en raakte met hart in de keel de hoofdweg.

Dikke plakken rode modder belette het veilig rijden.
Reed in een ruk door naar de grens met Kenia waar de formaliteiten snel gepiept waren ondanks dat het een rommelige en drukke grenspost was.
Tja, wat zal ik van Oeganda (Uganda) zeggen. Ik vond het, zeker na Rwanda een verademing. Het land is mooi, groen en vruchtbaar, ligt pal op de evenaar. Het is niet al te groot, niet te klein, kent diverse soorten landschappen. De mensen zijn vriendelijk en spreken over het algemeen redelijk Engels. De wegen vallen wat tegen en de prijzen zijn niet het laagste in Afrika, maar je kan er alles krijgen als je wat zoekt. Er is best wel wat te doen op natuur, cultuur en avontuur gebied, kortom, ik mocht Uganda eigenlijk wel. Zou het helemaal niet erg vinden om er naar terug te gaan
