20080600 – Juni 2008, de Poon Hill trek en de miljoenen trapjes

Midden juni 2008, de Poon Hill trek (Nepal)

Begin juni deed ik de ‘Poon Hill’ trek, een 5 daags berg loop met als beloofde hoogtepunt Poon Hill, alwaar een schitterend uitzicht over een groot deel van het Himalaya gebergte te zien was.
Dat het loopje mij wat zwaarder viel dan verwacht was minder leuk. Toch opdracht volbracht, waarna het verkrijgen van een Visa voor Pakistan sneller ging dan normaal.

Op 9 juni startte mijn Poon Hill ‘wandeling’. Ik had een lokale gids gehuurd, een zekere Tika Pariyer. Officiële gids diploma, vrouw en 4 kinderen en verder wel een aardige gast. Had hem natuurlijk honderd uit gevraagd van te voren, maar de Poon Hill trek was niet te zwaar, was 5 dagen met de mogelijkheid tot een of twee dagen verlenging. Poon Hill is een van de drukst bezochte plekken in dit gebied omdat je er een schitterend uitzicht hebt over de gehele Anapurna reeks van bergen. De loop maakt deel uit van de Anapurna trek (17 dagen), en dat is waarschijnlijk de populairste trek in de wereld.
Omdat het nu off-season was zou het niet zo druk zijn, maar bestond er wel kans op regen. Dat moest ik maar voor lief nemen en met de juiste regen kleding zou dat niet zo’n probleem moeten zijn leek me.
Had de afgelopen week al lopen oefenen om niet helemaal onvoorbereid voor die berg te staan, mijn fysieke conditie is nou niet super te noemen. Dat is het resultaat van te veel achter het stuur, te veel eten en snoepen, te veel bier en te weinig beweging. Nou ben ik ook geen stijve hark, dus ik dacht met wat dagloopjes de boel wel goed voorbereid te hebben. Op een er van, van Sarangkot naar benee werd ik (voor de tweede keer in mijn leven) aangevallen door een hond, het scheelde niks of ik had een flink stel tanden in mijn been.

Om 7 uur die ochtend stond Tika voor de deur. Zijn zoon ging ook mee. Die wilde ook trekking guide worden en hij had gevraagd of het goed was dat die mee ging. Leek een aardig jochie, dus geen probleem. Mijn auto veilig geparkeerd in de tuin van een guesthouse was het op naar het busstation met een taxi. Met de bus naar Naya Pul, ongeveer anderhalf uur van Pokhara verwijdert. De bus was er een van ‘ik stop voor elke scheet, voor elke vlieg en voor alles en iedereen die maar er over denkt om met een bus te gaan in het komend jaar’. De weg naar Nayapul was spectaculair met op een gegeven moment een fraai uitzicht over Pokhara en het meer.
Het weer was goed, de zin ook, dus hoppa, half 10 de bus uit. Na een bakkie thee en een stukkie gefrituurd brood…lopen met die geit. Al gelijk in Nayapul bleek dat we over smalle paadjes gingen lopen, zeg 1 a 2 meter breed. Het begin voerde door een dal, langzaam omhoog en was goed te doen.

De paden op, de bruggen over

Heel af en toe kwamen we wat buitenlanders tegen, meestal hadden die een sherpa bij zich die hun bagage droeg, en een gids. Ik droeg mijn eigen bagage. Had het wel geminimaliseerd maar het was toch 10 kilo of zo.
Kwam een Koreaans stel tegen, midden in de bergen, gezonde lucht, maar miep droeg toch een stofkapje. Belachelijk.
Langs het pad veel hotelletjes (neem dat wel met een korrel zout) en restaurantjes. Alle restaurantjes in dit hele gebied hebben het zelfde menu, en dezelfde, best wel dure, prijzen. Dit is gedaan om competitie tegen te gaan en de lokale een vorm van inkomen te geven. Op zich niks mis mee. Een voorbeeld, een bord dal-bat (vegetarisch gerecht , bord met rijst, een erwten prutje en meestal wat gebakken groente er bij..en gratis refills) koste overal 210 roepies (2,10 euro, elders tussen de 60 en 100 roepies), bord macaroni of spaghetti rond de twee euro, ontbijt eigenlijk ook wel rond die prijs. Nog duurder waren luxe dingen zoals cola, bier of toilet papier, en dat is misschien zo gek nog niet.
Het pad was goed onderhouden, op moeilijke plekken waren, op lokale manieren, trapjes gemaakt, en behalve dat de weg vrijwel continu omhoog ging was het prettig lopen. We passeerde mooie watervallen en geinige dorpjes. Het zoontje van Tika , (Anil geheten en 14 jaar oud) was als een berggeit en liep steeds ver vooruit. Het was zijn eerste trek dus hij was nieuwsgierig als de nete. De stukken omhoog werden steeds zwaarder en het aantal trapjes werden steeds groter tot het vrijwel alleen maar trapjes werden. Ik had het daar best moeilijk mee en kwam steeds hijgend, puffend en onder het zweet boven aan bij een serie trapjes, waar Tika en zijn zoon al geruime tijd zaten te wachten.

Trapjes en trapjes

Op zich allemaal niet zo erg. Wel erg vond ik, dat als je dan denkt eindelijk boven te zijn, er om de hoek wederom een serie met trapjes begint, vaak nog langer en steiler dan de vorige reeks.
Om twaalf uur gestopt voor lunch. Dat had ik nodig want ik voelde al pijn in de beentjes. Eerst thee gedronken, daarna een mix van zure buffalo melk met daarin geklaarde boter. Leek een beetje op Lassi, een soort karnemelk dus. Als lunch uiteraard het eeuwige dal bat, maar dat vult prima. Als je ziet wat die Nepali’s naar binnen schuiven, hele bergen met rijst. Na een uur was ik weer flink opgeknapt en kon ik zonder moeite verder.
Omdat ik geen idee had hoe ver we moesten en welke kant op werd het tijd even te informeren bij Tika, die dan met zijn hand wuifde zo van …daar moeten we naar toe, het word makkelijker vanaf nu. Doe het rustig aan, we hebben geen haast, om dan vervolgnes er weer flink de pas in te zetten. Op een gegeven moment stonden we onder aan een hoge berg. Ja wijst ie.. daar moeten we naar toe. Dat is Uleri, en daar slapen we vannacht. Hij wees zo hoog dat ik vroeg wat ie bedoelde, en hij zegt…. ‘daar, net in de wolken.’ Mijn moed zakte in mijn schoenen, Jezus, dat was een klim van een kilometer of zo, bijna stijl omhoog. En dat werd het dus ook, de hele weg steile trapjes.

en meer trapjes
Die trapjes zijn gemaakt met lokaal gevonden stenen en met de hand gehakte rosten, aangevuld met dingen die er al zitten zoals uitstekende rotsen, uitstekende wortels van bomen of grote stenen. Gevolg is dat het natuurlijk niet een trappetje is zoals bij ons. Elke tree is anders, elke traptrede eist goed opletten. Een tree is breed, de andere smal, de volgende staat schuin, daarna is er een los geraakt, etc. Goed opletten dus, anders lig je zo weer beneden, en dat was het allerlaatste dat ik wilde. Trapjes zijn ook gemaakt voor Napali maat 38 en niet voor westerse maat 45, dus moest je ook nog eens vaak je voeten schuin zetten om goede grip te hebben. De klim duurde en duurde maar en mijn rustpauzes werden steeds frequenter. Ik zweette als een lekkende vergiet en vloekte in mezelf, waarom had ik mezelf dit aangedaan.

Kon geen trapjes meer zien

Kleine bijkomstigheid is dat dit pad ook de aanvoer route voor alle goederen is, die hier gebruikt worden. Dus dingen zoals meel, suiker, olie, alle toeristische dingen zoals snickers, wc papier, etc werden over deze route vervoerd. Dat gaat met de zo genaamde donkey-bell-train. Men heeft hier paarden met ezels gekruist. Deze ‘pezels’ worden beladen met goederen, een bel om de nek gehangen en worden dan in groepen van 15 of 20 pezels (half paard en half ezel) de berg opgejaagd. Een begeleider gaat mee, en zorgt er voor dat de beesten doorlopen en niet bij elk gras sprietje blijven staan. Je hoort die karavanen van beesten al van ver aankomen door het ding-dang-dongel van die bellen van die 20 pezels, een leuk geluid en ook leuk om te zien. Minder leuk is dat die beesten de hele boel vol schijten en zeiken. Die schijt trek op zich weer horden met stront vliegen aan en dat maakt het lopen er niet echt prettiger op. Naast het moeten concentreren op waar je je voeten gaat zetten moet je dus ook de stront in de gaten houden, en als je eens te dicht bij een flats komt zoemen de vliegen je om de oren.

Die stront beesten wel he

Heb dus aardig (intern) lopen schelden. Op mezelf, op de bergen, op de paarden en op alles en iedereen. Welke idioot vindt het nou leuk om zo een berg op te moeten strompelen, om jezelf zo te moeten beulen. Je hebt helemaal geen tijd om van de mooie natuur te genieten, je concentreert je op de ademhaling (in mijn geval de ademhijging), de trapjes, de stront, de weg en voor andere dingen heb je geen tijd en geen zin). Zwoor ter plekke dit nooit meer te doen, me nooit meer te laten verleiden door mooie verhalen, door gidsen die zeggen van…ach, het is niet zwaar, en door andere toeristen die van die mooie verhalen hebben (maar waarschijnlijk zelf ook gedacht hebben dat ze het nooit meer zouden doen).
Hijgend, zwetend, zwoegend , met pijnlijke voeten, pijnlijke knieën en een humeur als een dood vogeltje arriveerde ik om 5 uur in Ulleri. Dat was een gehucht van 5 huizen en 10 geusthouses, tegen de berg aangeplakt. Tika, mijn gids, had me een warme douche en een prachtig hotel beloofd. Het werd een koude douche (ijskoud zelfs) en een matig bed in een houten hutje. Men had op de boven verdieping kamers gemaakt door er triplex wandjes in te zetten. Zou me niet verbazen als het duplex was, zo dun was het, elke beweging van mijn buren was hoorbaar.

De buren overigens, was een stel uit Nieuw Zeeland, erg aardig. Heb lang met ze gepraat later, en na een diner van spaghetti ben ik in een bewusteloze staat ingeslapen.
,br> Heb uitgerekend dat we 1000 meter gestegen zijn vandaag. Als ik er vanuit mag gaan dat elke tree ongeveer 10 cm stijgt kan je uitrekenen dat ik vandaag 10.000 trapjes genomen heb. En dat is zonder de rechte stukken. 10.000 tredes, Jezus, alleen bij de gedachte al werd ik moe.
De volgende morgen in alle vroegte regende het. Dat hield om 7 uur op, om vanuit mijn raam het volgende schouwspel te laten zien:

Vanuit mijn bed, ik heb slechtere uitzichten gehad

Niet slekt toch?? Zou het dan toch alle ellende waard zijn?
De tweede dag was niet veel beter dan de eerste. Na een ontbijt van Tibetaans brood (heerlijke vers gebakken soort donut-achtig brood) weer een zware dag voor de boeg. Ook vandaag was er een stijging van 1000 meter, alleen was het wat geleidelijker. Er zaten zelfs af en toe rechte stukken tussen maar toch waande ik me ook die dag trappen kampioen. Dat ik geen conditie had bleek wel. De Nieuw Zeelanders gingen een half uur later weg als ik, kwamen om 10:30 aan bij het volgende dorpje, ik arriveerde om 14:00 uur. Heb een heel stuk alleen gelopen want mijn gids en zoon hadden om half 12 al honger, ik absoluut niet. Omdat ze toch veel sneller zijn dan ik besloot ik (met flinke tegenzin van de gids) door te lopen en konden ze mij wel weer inhalen. Dat deden ze ook, vlak voor Gorepani, de plaats aan de voet van Poon Hill. Het was lekker lopen zo in je uppie, geen enkel geluid, op die van de natuur na, dus vogels en het druppen van de bomen (het was erg vochtig).

In me uppie door de bossen
Ook Gorepani was duidelijk voor de toerist, tjokvol met guesthouses en restaurantjes, Tibet style. Dat wil dus zeggen, alles is vochtig, alles tocht, alles ruikt. Een verwarming pot (lees oude omgekeerde olievat) in de centrale eetkamer, lekkende rook uit de pijpen, de rest an het gebouw moet het met lichaamswarmte doen. Superdunne wandjes, tochtende ramen. Alles van hout, een vlammetje en alles fikt in no-time weg. Zo ook het snow-view lodge. Maar, ze maakte de beste macaroni die ik in maanden gegeten had.
Vanuit Gorepani zou er een schitterend uitzicht over de Nilgiri en Anapurna zuid te zien zijn, helaas pindakaas. Laaghangende bewolking belette elk zicht. Na een paar uur flink vervelen (maar besteed aan het leren van het kaartspelletje toepen aan Anil) en een over heerlijke pot macaroni vroeg gaan slapen. Vroeg omdat het de bedoeling was om zonsopgang op Poon Hill te gaan zien. Poon Hill was nog minimaal 45 minuten stijgen en zonsopgang was om 6 uur, dat betekend om 4:45 op, om 5 uur weg. En dat doe je dan voor je lol. Had met Tika afgesproken dat als het zou regen of erg bewolkt zou zijn we niet zouden gaan en hij me niet zou wekken.

Om 4:45 regende het pijpenstelen. Het water beukte op het tinnen dak en maakte een herrie dat iedereen wakker heeft moeten maken. Helaas kwam ook Tika om 4:46 vertellen dat het regende (duhhhh) en dat we maar beter niet naar boven konden klimmen. De pech was aan mijn kant, immers was dit de Poon Hill trek, en de belangrijkste reden om hier te komen is om Poon Hill te beklimmen en de zonsopgang over de Himalaya te zien.
Om 8 uur vertrokken. God had ingezien dat mij zo veel ellende voor de kiezen gooien niet slim was. Het klaarde op en toen we bezig waren om de heuvel tegenover Poon Hill te beklimmen (die ook even hoog was), was het heéél even helder. Met héél even bedoel ik 15 minuten of zo. Snel genoten van al dat natuurschoon, foto’s geschoten, alle standjes gedaan.

Snel foto’s voordat de wolken komen
Door naar boven verwachte ik een nog mooier zicht maar bij het bereiken van de top 20 minuten later lag alles in een dichte bewolking. De mensen die later waren vertrokken (een Duits meisje met een Bengaalse vriend) en een stel oude vrouwen, hebben niks gezien.

Mistige bossen ipv mooi uitzicht
Even terug komende op dat woord ‘oude vrouwen’. Dat klinkt een beetje degenererend maar dat is niet zo bedoelt, want voor die vrouwen heb ik bewondering. Het waren Canadeze vrouwen van rond de 65 en 70 jaar. Niet moeders mooiste, dat moet ik er bij zeggen, maar erg aardig en super moedig. Die hebben met z’n 8’en de hele Anapurna trek gelopen !!. En daar zit dus een pas van 5500 meter bij. En stukken waar ik moeite mee had liepen ze alsof ze vleugels hadden. Ik hoop dat ik op die leeftijd nog zo fit ben, maar realiseer me dan gelijkertijd dat ik heel wat in mijn levenstijl moet veranderen.
Die dag (nummer 3) was het merendeel naar beneden lopen. Het doel, Tadapani, lag 500 meter lager en het pas, dat nu niet meer ‘betegeld’ was voerde door rododendron bossen, langs diepe afgronden en vooral door modderige paadjes. Dit was meer mijn soort trek. Enige nadeel waren de bloedzuigers. Om de een of andere reden zaten er op dit gedeelte héél veel van deze etters en moest ik (en de andere ook) om de 5 a 10 minuten stoppen om de bloedzuigers van je schoenen af te schrapen of plukken. Als je langer wacht kruipen ze omhoog (en dit doen ze snel) en komen op je been of, nog erger, nog hoger en zuigen dan. Het zijn rare beesten die, als ze een prooi zien/horen of ruiken, rechtop gaan staan en als een soort antenne richting slachtoffer wijzen. Heel snel kunnen ze dan die richting uit ‘kruipen’ in een soort van rechtopstaande slang beweging. Ondanks dat was het een lekkere loopdag met op het einde nog even een stijl naar benee en aan de andere kant stijl omhoog stuk. Dat was even zweten. Bij aankomst in Tadapani koos Tika een guesthouse uit. Ook dit was weer op z’n Tibets, vochtig, vies en toen ik eerst in de douche letterlijk uitgleed over de maaien, men geen handboek voor de gasten had, het beloofde warme water na 1 minuut al op was, had ik er genoeg van. Sprak Tika hier op aan want kreeg de indruk dat hij guesthouse koos omdat zijn vriendinnetje daar zat, en niet omdat het zo goed was. In overleg verkast naar een ander. Ook hier veel maaien op de grond (die kwamen dit seizoen elke nacht aan-eum..lopen?, waardoor er in de ochtend een bed van maaien buiten lag, best vies. Toch zaten alle ander buitenlanders in dit guesthouse. Het werd dus een gezellige avond met het Nieuw Zeeland stel (Fiona en Andy), de Duitse en Bengalees, de 4 oude vrouwen. Het rare was, dat toen de gastvrouw onze aandacht vroeg en vertelde dat er wat Nepalese vrouwen zouden komen zingen om geld in te zamelen voor het een of ander, de eetzaal in no-time leeg was. Haha, het leken wel allemaal Hollanders.
Het was de volgende dag wederom wakker worden door de regen. Ook nu weer klaarde het op en na het ontbijt wederom een schitterend uitzicht op de Machapuchhre (ook wel fishtail genoemd vanwege zijn twee punten) en de zuid-Anapurna.

Was dat al die trapjes waard?
De vierde dag was zuiver naar beneden lopen. In het begin nog door wederom fraaie bospaden. Bos van rododendron bomen. Ook nu weer stikte het van de bloedzuigers en was het vaak stoppen om ze te verwijderen. Het had heftig geregend de vorige nacht, veel van de paden waren veranderd in modder paden of beekjes. Het was het een kunst om je voeten droog te houden.

Door regen was het soms moeilijk lopen

Mijn pas gekochte Chinese schoenen bleken goed waterdicht te zijn. Naarmate we verder naar beneden kwamen werd het ook warmer. De bloedzuigers verdwenen en reeds om 12 uur arriveerden we in Gandruk. In overleg besloten we om niet te lunchen daar maar door te stoten naar Siaulybazar, twee uur verder. Daar zouden we lunchen en als we nog puf hadden doorstoten om een dag eerder in Pokhara aan te komen. Dat stuk naar benee naar Siaulybazaar bleken allemaal trapjes te zijn, dit keer dus naar beneden. Mijn knieën kregen flinke opdonders en het was wederom niet prettig lopen.

Daar word je moedeloos van toch…
Halverwege was er plots een enorme landverschuiving geweest. Die had duidelijk net plaats gevonden, waarschijnlijk vannacht door de hevige regens.

dat was naar onder komen denderen
De halve berg was naar benee gekomen en had ons pad volkomen weg geslagen.

Aan de overkant liep het pad verder

Zo ver we zien konden waren er twee mogelijkheden. Of door/over de woeste rivier van modder en water, of terug. In dat laatste had niemand zin dus werd het een kamikaze oversteek waar ik mijn leven voorbij mijn ogen zag trekken (was ene kort filmpje hoor) Met behulp van twee gammele boomstammen lukte het heelhuids aan de overkant te komen. Na die klauter partij moest het lukken om ook het eind punt te halen.

Gevaar voor leven
We liepen net weg van de kolkende rivier toen er met een donderend lawaai nog een stuk van de berg naar beneden kwam op de plek waar we een paar minuten geleden hadden gestaan. Mijn engeltje moet ik maar weer eens danken. Met ‘pien-in-de-vuten’ liep ik om 2 uur de bazaar binnen.
De lunch van uiteraard dal-bat ging er goed in en na nog eens twee uur ploeteren was ik weer terug bij het begin punt: Nayapul. Lang geleden dat ik physiek zo moe was, zeker omdat de laatste twee honderd meter vrijwel stijl omhoog gingen. .
Terugblik achteraf. Zou ik het nog eens doen? Nee. Ik houd van lopen, maar 10.000 trapjes op een dag vind ik geen lopen meer. Ben ik blij dat ik het gedaan heb. Ja, want ik weet nu waar ik het over heb als ik over de Anapurna trek spreek. Ik denk dat het ook goed voor mijn lichaam is geweest. Maar altijd plezierig vond ik het zeker niet. En het ergste vond ik dat een stel 70 jarige dames fitter op de plek van bestemming kwam dan ik, terwijl ze 4 keer zo ver hebben gelopen als ik, en waarschijnlijk ook 4 keer zo zwaar.
Ook frappant vond ik dat als ik achter een andere groep aan liep (die altijd sneller ging), de buitenlanders liepen alsof hun leven er vanaf hing. Kijken naar de natuur, stoppen voor een mooi uitzichhie, een speciale plant bestuderen of zo, daar deed men niet aan. Vroeg me dan af als ze niet van de natuur genieten, waarom men dan hier liep.
Mijn advies aan andere. Wil je klimmen, doe dan zeker deze of een langere trek. Neem geen gids mee maar een sherpa/porter die de weg al eens gelopen heeft. Een gids is eigenlijk niet zo nodig, daarbij zijn de meeste weinig informatief (uitzonderingen daargelaten). Op die manier heb je iemand die je bagage de steile helling opdraagt en loop je zelf veel makkelijker en kan ie ook de weg wijzen indien nodig (maar de weg wijst zich van zelf, zoveel paden zijn er niet). Je spaart je daardoor redelijk wat kosten, en dat kan je dan weer uitgeven aan een arme sloeber of ene lekker biertje onderweg. Enne, neem er de tijd voor, de afstand tussen de dorpen is goed te doen, geniet van de natuur en beschouw het niet als een wedstrijd.

Na een daggie rust was het op naar Kathmandu. Kwam nog even tot de ontdekking dat mijn gids mijn water filter had stuk gemaakt. Het keramische filter, een soort stenen materie, was in gruzelementen. Ik vermoed dat hij het heeft laten vallen, niet dat hij het vertelde. Ernstig want nu kan ik geen water meer filteren en dat vind ik toch wel heel prettig want ik vertrouw het Aziatisch water voor geen cent.
Nam dit keer mijn fiets mee naar Kathmandu, dan kon ik zo de ambassade bezoeken en was ik niet afhankelijk van Taxi’s, die je consequent afzetten. Maar in Kathmandu werd ik ontvangen door Leo, die daar al twee weken zat, op jacht naar een mogelijkheid om de Everest te beklimmen. Volgens mij een onmogelijke opgave, hij gaf echter de moed niet op.
De eerste dag op zoek naar een nieuw water filter. Er zijn minimaal 300 ‘trekking shops’ in Kathmandu, maar 295 er van verkopen alleen maar de gebruikelijke (imitatie) north-face jassen en andere prullaria die je bij de zeeman ook kan kopen. Het vinden van de juiste winkel was dus niet makkelijk. Kwam wel wat waterfilters tegen hier en daar, maar die waren allemaal gebruikt. Waarschijnlijk waren die mee ergens de berg op geweest en mee terug naar Europa nemen was niet wenselijk dus had men die ingeruild. 99.9% er van waren in erbarmelijke staat, vies, beschadigd, slecht behandeld of te klein voor mijn bedoeling. Na heel lang lopen en zoeken vond ik Holy-Land, een trekking shop die wel kennis van zaken had en een katadyne water filter had. Het was wel niet wat ik zocht, maar ik moest het er maar mee doen.
Volgende dag op naar de Ambassade van Pakistan. Het meiske herkende me nog (na haar geheugen wat te hebben geholpen) en verzekerde me dat ik ze haar best zou doen mijn visa zo snel mogelijk te regelen maar dat het toch echt drie dagen zou dure. Shit, daar had ik niet op gerekend. Nog drie dagen in Kathmandu, daar had ik geen zin in. Oplossing, slijmen, aardig doen, but-kissing, enz. Ik had ook de juiste foto niet bij me, en men bleek ook alleen maar geld in Dollars te accepteren (dom van ze). Ik beloofde de volgende dag terug te komen om de foto en geld te brengen, als zij probeerde om morgen mijn visa klaar te hebben. Dit alles nadat ik een gesprek van 3 minuten met de consul had, wat langer over voetbal ging dan over mijn reis.
Om de tijd te doden een paar keer met Mei (een leuk en spontaan meisje uit Engeland, maar van origine van Maleisische afkomst) en Leo doorgebracht. Wat eten, wat drinken, wat shoppen, wat eten, wat drinken, afijn, je snapt het. Was heel gezellig, Mei bleek een heel vrolijk mens dat met haar eeuwige glimlach iedereen mee kreeg. Ze werkte in een kinder/wees huis maar ging over een week terug naar Engeland.
Even een zijstapje, want ik moet me ei kwijt. Ik heb al eerder geschreven over al die kinder tehuizen in Pokhara en Kathmandu. Er zijn er geen paar, maar tientallen, en ik heb altijd een naar gevoel over. Het aantal is zo groot dat er iets mis MOET zijn, zowel met de Nepalese maatschappij die kinderen als weggooi product behandelen, als al die tehuizen , 95% gerund en beheerd door buitenlanders. Dat er in sommige kinderen misbruikt worden, daar kan je vergif op innemen, maar dat gebeurt in het westen ook. Nee, er was iets anders aan de hand en ik wilde dat heel graag uitvinden.
Tijdens mijn gesprekken met Mei ging bij mij het lichtje branden. Kijk, deze kinder tehuizen hebben bijna allemaal sponsors. Er actief gezocht word naar (argeloze) westerse toeristen om een kind te sponsoren of wat geld te geven aan het kinder tehuis. Overal hier zie je wel borden met teksten als ….xxx kindertehuis, kom en bezoek ons… help de kinderen. Jaja, er moet dus staan.. help de eigenaar. Want wat blijkt, één kind kan vele malen gesponsord worden (en dat geld is natuurlijk allemaal zwart) en brengt dus meer geld in het la-tje dan de achteloze toerist vermoed. Ook blijkt, dat het verkopen van een kind aan een adoptie bureau, duizenden dollars op levert. Bingo daar zit dus de clou. Kindertehuizen zijn dus gewoon commerciële inrichtingen. Over het hoofd van de kids wordt gewoon grof geld verdiend. Nu snap ik het.
Let wel op, er zijn vast kindertehuizen bij die geen commerciële bijbedoelingen hebben, maar dat er in Pokhara alleen al bijna 60 van deze tehuizen zijn, doet je wel denken……

Goed, de volgende dag terug naar de ambasade van Pakistan met mijn geld en foto en zowaar, mijn Visa was klaar. In 24 uur dus. Het kan dus wel, als je maar de goede snaar raakt.

Na een laatste avond met Mei, Leo en veel bier weer terug naar Pokhara. In de bus dit keer voor het merendeel Nepali’s. Dat betekende dus dat er tig keer gestopt moet worden voor zeik-pauze. Ik snap dat nooit, sommige mensen zijn wel drie keer wezen plassen.
Na een weekje hier (het is wachten op een UPS zending uit NL) ga ik richting westen.
Het EK voetbal is aan de gang, en Nederland doet het (tot nu toe) nog erg goed. Hier en daar kan je de wedstrijden kijken, maar door het tijdsverschil zijn die dan vaak midden in de nacht. Tot nu toe haalde ik het niet, dus ik zal mijn steentje op een andere manier bij moeten dragen, vandaar de onderstaande foto’s……