20080700 – Juli 2008, Via via terug naar Manali (India)

Eind juli 2008, via via terug naar Manali (India)
Eind juli zakte ik langzaam vanaf Leh terug naar het zuidelijke Manali. Maakte de slechtste wegen ooit mee (hoe kan het anders in India), raakte in vervoering van het prachtige Tso Pangong (meer), was snel klaar bij het Tso Moriri, kreeg een vervelende rammel onder mijn auto en hapte veel zand.

Van de vier dingen op mijn verlang lijstje, moest ik er nog twee. Een bezoek aan de kloosters ten westen van Leh en een bezoek aan het Tso Moririr meer. Hoorde echter van diverse kanten dat het Tso Pangong ( Tso=Meer) ook erg mooi was, en nu twijfelde ik dus.

Mijn route gereden door Ladakh
Robert en Karlijn kwamen net terug uit Pangong en vertelde me, tijdens een redelijk dramatische maar toch gezellige avond, dat dit meer niet gemist moest worden. Het dramatische van die avond was dat we hadden afgesproken bij de Italiaan, tegenover de ‘PizzaDeHut’ restaurant. Maar we hadden elkaar niet goed begrepen. En zo zaten we beide in verschillende restaurants op elkaar te wachten. We vermoede allemaal dat er wat ernstigs met de ander gebeurt moest zijn, immers hadden we elkaar een uur eerder nog gezien. Na een half uur bestelde ik maar een pizza en een bier. Lekker. Bij het verlaten van mijn restaurant, zag ik ineens twee koppies ergens boven een terras uitsteken, koppies die ik vanaf mijn restaurant niet kon zien doordat er een grote boom tussen stond. Enfin, we hebben toch nog een uurtje gezellig gekletst en ik besloot ter plekke de kloosters in het westen maar te vergeten (ik had er al zoveel gezien), en daarvoor in de plaats beide meren te gaan bezoeken. Dat betekende wel weer bijna tot in China rijden, maar ja, het was maar bijna, er zijn ergere dingen.

De geheime dienst van het Indiase leger bleef me pesten. Elke dag kwam er een of meer mannekes kijken of ik er nog was, en vroegen dan waneer ik weg ging, waar ik dan naar toe zou gaan en andere impertinente vragen. Op een gegeven moment had ik er genoeg van, en wilde nou wel eens weten vanwaar die interesse in mij. Toen er dan ook een mannetje ineens zo maar mijn auto binnen wilde komen heb ik hem bruut de toegang geweigerd. Ik zeg, vertel me eerst maar eens wat nou precies het probleem is. Nee, maar, er is helemaal geen probleem. Oh, zeg ik, waarom kom je me dan in de gaten houden, waarom kom je me lastig vallen. Maar dat doe ik toch helemaal niet zegt ie, waarop ie zich omkeerde en wegliep. Ik voelde me er eerlijk gezegd niet lekker bij en had elke keer als er zo’n ventje was geweest had ik een paar uur echt een rot gevoel. Als ik wat verkeerd doe, ok, dan is het te begrijpen maar nu heb ik het idee dat ze denken dat ik de Nederlandse Osama ben of zo.. En dat is geen prettig gevoel. Pff, ik heb niet eens een baard. De negatieve indrukken die ik van het Indiase leger had werden zo alleen maar versterkt.
De volgende dag kwam er weer een ander mannetje me lastig vallen. En die heb ik maar eens in de tang genomen. Heb hem gezegd dat ik vind dat ze me lastig vallen, en ik graag wil weten waarom. In eerste instantie gaf ook deze man geen sjoege maar na even met hem gepraat te hebben vertelde hij me het volgende (ik weet niet of het de waarheid is maar goed). Ik had met een leger officier gepraat, tot twee maal toe, en dat was verdacht. Zeker omdat ik een paar keer in Pakistan was geweest. Verder had ik mijn auto op militair terrein geparkeerd, en wel zo dat ik naar het hoofdkwartier zat te kijken. ( ik wist niet eens dat het daar was, er stonden allemaal bomen tussen maar het zal wel) Dat was ook verdacht, en men had hier het hoofdkwartier van op de hoogte gebracht. Die hadden op hun beurt opdracht gegeven dat ik in de gaten moest worden gehouden.

Heb die man duidelijk uitgelegd dat ik absoluut geen interesse heb in hun hoofdkwartier, sterker, ik heb niks met politiek, en helemaal niet met het leger. Ik ben geen terrorist maar een gewone toerist, en deze toerist werd lastig gevallen. Zo moest ik het toch echt niet zien, meende de man, en nodigde me uit om met hem een kopje thee te gaan drinken op zijn hoofdkwartier, zodat ik kon zien dat ze geen kwaaie mensen waren. Zag dat helemaal niet zitten, ik wilde gewoon met rust gelaten worden, dus weigerde de uitnodiging (misschien achteraf wel moeten doen, wie kan er nu thee gaan drinken bij de geheime dienst). Ik had echter meer het idee dat ze me in de gaten wilde blijven houden. Tijdens zijn vertrek vroeg hij wanneer ik weg ging, welke route ik wilde nemen en hoeveel kilometer per dag ik zou rijden. Nou ja, nou brak mijn klomp, en heb hem vriendelijk doch dringend verteld dat zijn aandacht mij niet lekker zat.

Wilde eigenlijk dezelfde dag deze plek wel verlaten, voelde me er niet lekker, maar ik moest eerst de ‘permits’ hebben om die meren te bezoeken. Die kan je alleen in Leh krijgen en dat duurde een dag. Plande dus om in de vroege avond die permits op te halen en dan snel buiten Leh te parkeren. Helaas gooide de stroomvoorziening roet in het eten. Die permits moesten gekopieerd worden en als er geen stroom was, was er nergens een kopieer apparaat wat werkte. Dat duurde tot 8 uur in de avond en toen was het bijna donker en vond ik het niet verantwoord om te gaan rijden. Bleef dus nog maar een naggie op militair gevoelig terrein.
De Belgen die naast me stonden wilde ook weg, en toen ik ze vertelde dat de weg naar het Pangong meer erg goed was (He Robert en karlijn bedankt he..), wilde ze daar ook naar toe. Philip en Nancy haalde ook permits bij hetzelfde kantoor, en we spraken af elkaar bij het meer te ontmoeten.

Philip en Nancy en de3 kids
De dag daarop reed ik naar Stok. Dat is het oude paleis, die nog steeds door een paar Koninklijke worden bewoond. Het was gebouwd in 1820 toen een invasie leger van het een of ander volk het paleis in Leh vernietigde. Er huist nu een klein museumpje, dat dicht was omdat ik er te vroeg was. Ook wel weer typisch in India, hebben ze naast het mooie oude paleis een joekel van een lelijke com-toren gebouwd. En ik bedoel niet 100 meter verder, maar er zowat tegen aan. Dat hadden ze toch ook een paar honderd meter verder kunnen doen.

Stok
Verder probeerde ik door wat binnendoor weggetjes nog wat andere kloosters te zien maar dat lukte niet. Ben maar vlakbij het Buddha guesthouse gaan staan en heb wat gerust. Ik was al een paar dagen snel moe, misschien wel van de hoogte maar ik denk dat ik wat onder de leden heb. Stress? Whaoaoaoa.
Had niet zo snel in de gaten dat ik vlak bij een klooster geparkeerd was, dat lag achter een hoge muur en merkte het pas op toen er een tiental kids in rode monniken gewaad naar me stonden te staren. Het is in Tibet, en dus ook hier, normaal dat de tweede zoon van elke familie het klooster in gaat, en dat al van een jonge leeftijd. Ze gaan dan vrijwel nooit meer naar huis en zien hun ouder ook vrijwel nooit, misschien twee keer per jaar of zo. De eerste zoon erft het eventuele land, de tweede gaat dus het klooster in, en alles wat er na komt bungelt er zo’n beetje bij. Het was (is) geen uitzondering dat de vrouw van de eerste zoon, gedeeld word met derde en latere broers, om zo de familie toch wat bij elkaar te houden.
Maar dat allemaal terzijde, het betekend dus dat zo’n klooster gevuld is met monniken van allerlei leeftijden. Ik heb al vaak aan zo’n jong jochie gevraagd of hij het nou wel leuk vond, of hij zijn ouders niet miste en zo, maar altijd steevast krijg je te horen dat ze het prima vinden zo. Dat zou in het westen nooit kunnen.

Chemde klooster
Er lopen in Leh, net als in veel landen hier in deze buurt, gigantisch veel wilde honden. Die zijn van iedereen en niemand, doen meestal niet zo veel kwaad, slapen vaak de hele dag. Maar in de nacht worden ze wakker en dan begint de ellende. Als er een begint te blaffen, doen ze allemaal mee, en een concert van 50 blaffende honden, daar word je wakker van. Als dat nou een paar minuten weer over zou zijn was het niet zo erg, maar het blijft vaak de hel nacht zo door gaan en allen oordopjes helpt maar. Je zou zeggen, doe er eens wat aan, maar geen hond die er wat aan doet….
Nu ik het toch over honden heb herinner ik me ineens dat verhaal uit Nepal. Daar was blijkbaar eindelijk een iemand op het idee gekomen om wat aan die honden te doen. Maar wel op een verkeerde manier, hij/zij strooide namelijk vergiftigd eten rond. De dode honden karkassen werden vervolgens opgegeten door de lokale adelaar. Een joekel van een beest dat daar leefde, en vervolgens ook dood ging. Resultaat, er zijn een paar minder honden, maar de adelaar is vrijwel verdwenen.
Boodschappen doen in Leh is tien keer zo erg als in de rest van India. Is het daar al zeer tijdrovend, in Leh verdubbel je het maar. De aantal keren dat ik in een winkel kwam, tijdens normale winkel tijden, en dat er of gewoon helemaal niemand was, of de winkel dicht was, of er iemand in stond die niks wist is groter dan de keren dat ik geholpen werd. En omdat Leh nogal heuvelachtig is en het dus best wat moeite kost om naar het winkel gedeelte te komen is dat heel erg vervelend. De enige verkopers die er altijd zijn dat zijn de voor-de-winkel-staande-indiase-ballekrabbers die met domme opmerkingen proberen om mensen binnen te lokken.

Tralala, ik zie Osama
De weg naar het Pangong meer was vrij goed. Alleen boven op de pas was de weg een paar kilometer slecht, en wat verder op was e weg erg hobbelig maar vergeleken met andere passen was dit een stuk beter. Het duurde vrij lang voor ik in de buurt van het meer kwam, de weg was zoals gezegd goed maar erg hobbelig dus ik kon niet echt snelheid maken. De Belgen Philip en nancy (en hun 3 honden) reden de zelfde weg en we kwamen elkaar her en der tegen. Hij reed een lekke band en wilde die ergens laten maken, waardoor ik vrij ver voorop reed. Ik kon het meer al ruiken toen het noodlot toe sloeg. Drie kilometer voor het doel was een stuk weg weggeslagen en moest je naar beneden de berg af en onder door een beek heen. Er was daar een bus vast komen zitten, midden in die beek. De bus blokkeerde zo al het verkeer en ik (en andere) kon dus niet verder.

Bus vast in de beek
Heb het even aan gezien, maar het zag er niet naar uit dat er wat zou gaan gebeuren. Er stonden een paar Israëlische meisjes stennis te maken omdat ze met hun chauffeur aan de kant van het meer stonden, en dus zo niet naar Leh terug konden. Ze waren over de rivier heen gelopen, en klampte nu iedereen vast voor een lift naar Leh, maar op zo een manier dat ik dacht….pfff, echt Israëliërs. Luid schreeuwend, domme smoezen rond bazuinen (ja mijn moeder heeft een ongeluk gehad en ik moet nu dus naar Leh, neem me mee..). Ook tegen mij begonnen ze onvriendelijk te commanderen dat ik ze maar naar leh moest terug nemen want ik had genoeg ruimte, en ik lachte alleen maar in me vuistje en heb verder niks gezegt.
Keerde dus keerde maar op mijn schreden terug om een lekker plekje voor de nacht te vinden. Dat vond ik 5 kilometer terug, en ik werd al snel door de Belgen vergezeld. Toen ik Philip het verhaal over dat stuk weg door de rivier vertelde zag hij het al niet meer zitten, maar we besloten om morgen het even aan te kijken. Ik wilde wel proberen bij het meer te komen, was er tenslotten een hele dag en een heel eind voor gereden.
Al vroeg zag ik in de ochtend mensen van de meer kant af komen, blijkbaar was de weg weer vrij. Ik stopte een auto, en die bevestigde dat. Hij vertelde erbij dat we snel moesten gaan, nu was het water niveau laag. Na 11 uur werd het warm en zou er weer meer smelt water naar benee komen en werd het weer erg moeilijk. Om 8 uur, na Philip en Nancy te hebben wakker gemaakt, richting beek gereden. Het was een puinhoop daar. Je moest een heel stuk door die beek, over zeer ongelijke grote en kleine stenen heen. Er was geen enkele voorziening gemaakt, dus het was erg goed uitkijken voor grote stenen of grote gaten.

Door de beek heen
Ik twijfelde of ik wel zou willen gaan, wilde mijn auto niet riskeren om een meer te zien. Ik zag een jeep-je van de andere kant de beek over steken en dat zag er zo eenvoudig uit dat ik besloot het er op te wagen. Philip durfde het niet aan (terecht), hij had geen reserve band meer en zijn auto is een gewone camper die vrij laag hangt. Als hij vast komt te zitten heeft ie een groot probleem.
Ik billen bij elkaar en gas geven. Vond het belangrijk dat ik niet stil kwam te staan midden in het water, dus had de hoge gearing en vier wiel aandrijving aangezet. Dat trok me er wel door, maar het was geen makkie, dat zeg ik eerlijk. Mijn auto sprong alle kanten uit, een paar keer had ik het gevoel dat mijn auto een meter omhoog sprong. Aan de overkant was het nog erg gevaarlijk manoeuvreren om weer op de normale weg te komen maar ook dat lukte. Na een paar kilometer rijden kwam ik dan eindelijk bij het meer aan.

Tso Pangong
Ik was ooit al eens op een hoog gelegen meer in Tibet geweest (Nam Tso), en dit meer had daar veel weg van. Alleen was het nu zomer en lekker warm, toen was het dikke jassen en handschoenen. Het meer, dat aan de ene kant in India en de andere kant in Tibet ligt, is helder blauw van kleur en aan alle kanten omgeven door hoge bergen waarvan er een aantal met besneeuwde toppen. Die bergen variëren in kleur van groen en zwart tot rood en beige en die kleuren veranderen met het zonlicht. Net als het water, dat is soms puur blauw, dan weer zwart en allerlei schakeringen er tussen. Ik reed een kilometer of 10 richting Tibet en parkeerde mijn auto op een verlaten stukje.

Tso Pangong
Nou was het hele meer verlaten dus dat was niet zo moeilijk. Ik genoot de hele dag ochtend van schitterende uitzichten, veranderende kleuren en frisse lucht. In de middag begon het te waaien (dat is hier altijd zo) en werd het buiten zitten wat onaangenamer, maar ook vanuit mijn camper waren de uitzichten grandioos. Tijdens de zonsondergang, (en de volgende dag de zon opkomst) was het wederom een kleuren schakering die je op andere plaatsen niet tegenkomt

Avondeten uitzicht
Er is hier verder niet zo veel te doen, dus besloot om morgen weer verder te gaan. Moet de pas weer helemaal terug rijden, daar ben ik wel een dagje mee bezig. Dat klopte ook. De rivier crossing was zelfs erger dan de heen weg, terwijl ik hem makkelijker had verwacht omdat ik nu stroom afwaarts en dus naar beneden reed. Maar de namiddag en nacht hadden, door hevige stroming, het pad waar ik met de auto door kon stevig veranderd. In de ochtend was er niet zo heel veel water, maar toen ik aan kwam rijden stond er al een auto vast in de stroom. Een leger voertuig trok hem er na verloop van tijd uit, en het was mijn buurt. De eerste 50 meter gingen goed, toen zakte mijn linker achterwiel ineens 20 cm diep het water in. Het lukte me in eerste instantie niet om er uit te komen. Aan de overkant stonden heel wat mensen te juichen en aanmoedigen, dus ik gaf het niet op. Door wisselen in zijn achteruit en vooruit te proberen wikte ik de boel los en plots schoot mijn auto naar voren. Ik hoorde de banden over de stenen heen kraken en glijden en slippen, maar ik was er door., Een diepe zucht van verlichting. Op de terugweg kwam ik eerst Philip en Nancy tegen. Die hadden ene lekker plekje ergens op een gras-achtig stuk zand gevonden. De honden konden los lopen, en ze zaten er heerlijk bij. Na een half uurtje afscheid genomen en ik reed het bekende stuk terug. De weg op de pas zelf is een kilometer of 5 erg slecht, dus dat gaat heel langzaam, en aan de andere kant langzaam naar beneden rijdend (het was al 3 uur) kwam ik de Duitsers tegen. Heb ze maar niet verteld van die rivier, waar ze nooit door komen, en gezegd dat de Belgen op ze zitten te wachten. Die zullen met z’n tweeën wel richting Srinagar rijden, en wie weet kom ik ze wel tegen in Islamabad.
Beneden aangekomen (nou ja, dan zit je nog op 3500 meter), links afgeslagen ipv rechts naar Leh, en bij Upshi rechtdoor gereden (ipv links naar Manali). Uiteraard eerst een checkpost die mijn paspoort en permit wilde zien. Geen probleem, ook hij had niet door dat mijn paspoort nummer op het permit fout was geschreven. Hij vroeg ook om mijn rijbewijs, dus ik gaf hem mijn illegale Thaise kopie rijbewijs (Kao San Road), en hij schreef ijverig het nummer op. Haha, laat ze dat maar eens uit gaan zoeken als ze willen
Deze weg, die erg smal, maar tot nu toe nog redelijk is, is erg pittoresk. Hij volgt de Indus Rivier die diepe kloven heeft gegraven. Daar rijd ik doorheen en de bergen zijn wederom schitterend van kleur en toornen vaak bijna loodrecht boven me uit. Het vinden van een rustig parkeerplekje voor de nacht is absoluut geen probleem, eigenlijk in heel dit deel van India niet. Behalve dat er weinig bevolking is, laat men je ook met rust. In andere delen zouden auto’s gestopt zijn en mensen hun familie zijn gaan bellen om ook hier te komen. In dit Tibetaanse deel van India kan je heerlijk tot je zelf komen. Dat betekend ook dat het hartstikke rustig op de weg is. Je kan hier op deze lokale wegen rustig een 15 of 20 minuten rijden zonder iemand tegen te komen. Met andere woorden, een genot.

De kans dat een steen je auto raakt is omgekeerd negatief evenredig met het aantal stenen langs de weg..
De weg bleef vrijwel tot aan Tso Moririr goed en een genot om te rijden. Door kloven, langs valleien, de bergen in alle kleuren van de regenboog. Echt hoor, paarse bergen, groene, alle kleuren chocolade bergen (van puur tot wit en alles wat er tussen zit).

Paarse bergen
Sommige bergen zijn net twee kleuren vla, om elke bocht weer een andere smaak. 40 km voor het meer een pas van 4900 meter (NamShangla), maar ja daar draaien we onze hand niet meer voor om (en het was een hele makkelijke pas hehe). Over de pas een schitterend mini- meer. Tso Kiagar lag in een klein dal, omgeven door melkchocolade zandbergen en gaf een schitterende blauwe kleur. Jammer dat , bij het meer aangekomen, de normale weg ophield. Typisch India weer, die sukkels kunnen nooit iets afmaken. Was de weg er naar toe zo perfect, het veranderde voor de laatste 25 km in een wasbord met gaten. Op sommige stukken had verkeer zelf een andere weg gekozen om aan de ellende te ontkomen dus liepen er wel 10 ‘wegen’ naast elkaar.

Vlaflip bergen
Bij Tso Moririr aangekomen viel het me wat tegen Het was wel een mooi meer hoor maar je mocht maar op een plek kamperen en die was ten eerste niks bijzonders maar ten tweede ver van het water. Er stonden her en der lange hekwerken langs het water. Aan een kant wel te begrijpen, er broeden hier veel vogels, toch vond ik het tegenvallen. Er was maar een restaurant tent en bij mijn verzoek of ik daar vanavond wat kon eten werd me eerst appelig aangekeken en daarna met een volmondig NO duidelijk gemaakt dat het niet kon. Nou ja, dan spek ik de lokale toch niet, ik heb zat voedsel in mijn auto hoor.
Je snapt het, ik had het snel gehad met Moriri. Besloot de volgende dag, na mijn rammeltje gezocht te hebben, verder te vertrekken richting Manali wat nog wel 4 dagen rijden is denk ik.

Tso moriri
De volgende dag was denk ik de meest dramatische rit van de afgelopen 3 jaar rijden. Heb de hele dag minimaal asfalt gehad en moest dus de hele dag over zand paadjes, en dat zeg ik het nog eerbiedig. Het eerste stuk weg terug van Tso moriri was bekend en 20 km slecht. Kwam een Slowaaks stel en een Engelsman tegen in twee normale auto’s en heb een half uur staan kleppen. Zal ze wel weer tegen komen want ze gingen over 3 of 4 weken ook richting Islamabad. De Engelsman wild door Afghanistan heen, daar wil ik wel eens meer over horen. Wilde een shortcut nemen om een stuk wasbord-weg te omzeilen en schrok me wild toen ik plots het pad in een zandhoop voelde veranderen. Merkte al dat de auto zwaarder ging lopen en zag voor me een heuse zandwoestijn. Was aan de ene kant bang dat als ik stil zou gaan staan ik in het zand zou gaan zakken, maar als ik rechtdoor zou rijden wist ik zeker dat ik vast zou komen te staan. Ook nu was mijn vierwiel drive mijn beste vriend. Moest bijna een kilometer achteruit rijden, bij de minste stuurfout zou ik vast komen te staan in het zand, maar als ik te langzaam zou gaan zouy ik ook wegzakken. Was een benauwd moment, niet de laatste van die dag.

Toch ook staarders in dit deel van India
Gelukkig ging het goed en kon ik de weg op het wasbord vervolgen. Na 50 km moest ik links afslaan, de echte ellende begon. Ik wist dat het slecht was, had me er op ingesteld, maar dat het zo erg was….in mijn ergste nachtmerrie zal deze dag nog wel eens terug komen (laat ik nou gelukkig niet zo vaak dromen). Het begon met een hobbelpad door een vallei. Ok, langzaam rijden, ik had niet anders verwacht. Dit hobbelpad waren ze van plan te gaan upgraden naar hobbelpad eerste klas, er lag daarom naast het pad kilometers lang een muur met kleine stenen. Ik vond het raar, het lag echt alsof die muur met de hand gestapeld was, later bleek hoe het ging. Men dumpt een berg grote rosten om de paar honderd meter. Men huurt dan een tros Nepalezen (India’ers zouden dit werk nooit doen) die hakken dan al die rotsen, met de hand, tot zeg maar formaat grote kiezel. Die stapelen ze dan ook met de hand op, in muur vorm, langs de weg, zodat die straks gebruikt kunnen gaan worden als ondergrond voor het opwaarderen van de weg. Ik schat dat ik wel 30 km van deze muur gezien heb, kan je je voorstellen wat een werk?
De muur met stenen lag pal naast het hobbelpad, zodat je niet een suit kon wijken als er een gat of hobbel in het pad zat, die moest je maar nemen als een MAN. Na een slordige 15 kilometer begon er een langzame klim naar de 5000 meter, De weg werd nog erger en plots was de weg afgezet, men was bezig die kiezels te leggen. Men had een weg omlegging gemaakt, dat moet ik eerlijk toe geven, maar het was eigenlijk gewoon dwars door de bush bush. Men had niet de moeite genomen die omlegging te fatsoeneren, dus uitstekende rotsen, diepe gaten, riviertjes, overal moest je over en doorheen. Dat duurt lang, laat ik je dat vertellen en is geen goede zaak voor mijn auto. Het duurde en duurde maar, eindelijk was ik bijna boven. Daar stonden twee wegwerkers te liften, die nam ik mee. Het waren Nepalezen, die komen hier van mei tot oktober werken, verdienen zo geld voor het hele jaar. In de winter is er niet te werken door sneeuw. Ja zegt die een, deze weg is in 2009 helemaal klaar. Haha wat een optimist, ik schat dat ie er nog wel twee jaar langer werk aan heeft. Maar goed, Indiërs werkte hier niet, die konden dat niet zegt ie. Ik zei, nou, misschien kunnen ze het wel, maar voelen ze zich te goed er voor of zijn ze te lui hier voor. Ja zegt ie, Indiërs praten alleen en werken nooit, Wij Nepalezen, wij werken altijd. Ik lachte maar wat in me zelf, want als ik Nepaleze weg werkers zie, zitten ze altijd langs de kant te rusten.
Het hoogste punt bereikend stapte mijn lifters uit en ik kon naar benee. De weg werd wat beter, van een hobbelpad tot een zandpad, tot ik beneden was aangekomen. Daar werd het het ergste wasbord wat ik ooit gereden heb. Je kan twee dingen doen, heel langzaam rijden en je nagels gaan bijten, of heel hard gaan rijden en je billen samenknijpen. Na 5 minuten van het eerste waren mijn nagels op en koos ik voor nummer twee. Dat was super eng, je rijd 60 over een zeer slecht ribbelpad, een verkeerde beweging, een verkeerd ingeschatte hobbel en je ligt in puin. Dit duurde weer een kilometer of 10, met een uitzicht op een fraai meer. Kwam aan bij een klein dorp, het was ondertussen bijna 5 uur. Twijfelde of ik hier zou gaan stoppen. Had van Ad en Susan gelezen dat er vlak na dit dorp asfalt kwam, dus ik denk, ik rijd nog even door. Dit werden de twee ergste uren uit mijn rij geschiedenis. Ik weet niet wat ze met het asfalt hadden gedaan, maar de weg was afgesloten. Ik moest een zandpad op. Maar, deze keer was er geen omleiding en moest ik dwars door een soort grind/zand mengsel. Vermoede elk moment weg te zakken, en ik reed dus midden in de bergen, geen hond, geen auto, niemand te zien in de verste verte niet. Had überhaupt op deze weg, de hele dag, denk ik 3 of 4 tegenliggers gehad! Dus je snapt, ik reed wat gespannen. Ver boven me zag ik de weg die afgesloten was, met daarop om de honderd meter een berg zand, dus daar kon ik inderdaad niet op. Maar mijn weg, die geen weg was, werd steeds spannender. Na 15 minuten zag ik plots een breed pad van onder af komen en met een diepe zucht van verlichting ging ik daar op rijden. Had geen enkel idee of ik wel goed reed. Toen ik plots een tent met wat nomaden zag zitten stopte ik om de weg te vragen. Manali? Vroeg ik. Jaja, gewoon door rijden gebaarde ze. Jaja, het pad werd steeds slechter en af en toe zaten er diepe stukken zand tussen. Zag dat sommige hadden geprobeerd het te omzeilen links of rechts en vast waren komen te zitten, de sporen waren stille getuigen van een hoop ellende denk ik. Mijn manier was om voor zo’n zand plek maar gewoon vaart te maken en er doorheen te raggen, als het heel erg leek zette ik de 4wheel drive aan. Dat verhinderde niet dat ik 3 tot 4 keer bijna vast kwam te zitten en met geluk steeds net de andere kant van de zandbak haalde.

Zandpad
Vroeg me af hoe anderen dat deden, want een gewone auto kon hier echt niet door heen. Onmogelijk. Echter waren er geen andere auto’s dus ik kon het niet vragen. Het duurde en duurde maar, de originele weg was al helemaal verdwenen. Op Mijn GPS reed ik wel de goede kant uit, maar helemaal weg van de kaart. Ook dit hadden Ad&Susan al gezegd, maar kon me niet voorstellen dat ze over dit stuk gereden hebben. Begon me heel ongerust te maken, want als ik dit stuk terug moest rijden zou ik echt gaan huilen. Toen ik om 7 uur in de avond plots een asfalt weg kruiste was ik zooooo blij. Had geen idee welke weg het was maar het maakte me geen zak uit. Stopte de eerste de beste vrachtwagen en vroeg welke kant het op was naar Manali. Daarna reed ik 100 meter terug het zandpad op en parkeerde mijn auto voor de nacht. Wat was ik kapot, mijn handen trilde van de spanning.
Toen ik na het avond eten wat bijgekomen was en ik met mijn GPS log en de kaart ging kijken waar ik in godsnaam zat, bleek ik een soort van shortcut gemaakt te hebben en was de asfalt weg de hoofdweg tussen Manali en Leh. Ik kon mijn ogen niet geloven, was gewoon even tussendoor een paar bergen heen gestoken. Nou ja gewoon, deze rit zal me nog heel lang bij blijven, laten we hopen dat mijn auto niet al te veel heeft geleden. Ik ieder geval wel.

De volgende dag het stuk weer terug wat ik ook heen was gereden. Kon me er niet zo veel van herinneren eigenlijk, en kwam er al snel achter waarom. Het was weer typisch India’s slecht, mijn stuur sloeg af en toe gewoon uit mijn handen. Ik snap die mensen echt niet. Ze maken de meest spectaculaire wegen, door rotsen gekliefde stukken, over de meest gevaarlijke bergpassen, niks is ze te veel. Vervolgens maken ze het niet af en laten ze het verslonzen. Het is zoiets als Henri Ford, die denkt, ik ga een auto bouwen voor de mensen. Met veel pijn en moeite, planning, hard werk en weinig geld zet hij de T-Fort in elkaar. De motor, een chassis, banden eronder, en de eerste testrit. Ja het rijd. En dan houd ie op en vind het goed. Carrosserie. Nee, dat is teveel werk. Ramen erin, of een vering. Doe normaal. En zo gaat het ook met Indiase wegen. Half af betekend af.
Zo dus ook vandaag. Superslechte wegen, als er eens asfalt lag was het zo hobbelig dat je maar 30 km p/u kon rijden. Maar als het asfalt dan ophield had je spijt op dat hobbelveld gescholden te hebben.

Dan weer 100 meter asfalt, dan weer 3 km zand, onbegrijpelijk
Op een moment een omleiding, weer op zijn Indiase, je word dwars door de jungle gestuurd, zonder enige moeite. Had op de heenweg ook al een militaire kamp gezien. Die hadden de weg afgezet, het normale verkeer moest maar door het zand, de militairen mochten over het ‘mooie’ asfalt. Heb met middelvinger, duim omlaag en flink tuteren laten merken wat ik er van vond, dat lucht weer even op.
Zo weer eens ouderwets scheldend op de India’er moet ik er natuurlijk ook bij vermelden dat deze weg echt spectaculaire stukken kent. Zoals ik al eerder schreef, dwars door rotsen gehouwen wegen, over spectaculaire hoge bergen met fantastische vergezichten, langs wilde beken en diepe afgronden (en dan bedoel ik echt diep he, geen Vaalseberg hoor (bestaat die nog?, of is ie al afgegraven vanwege een verstoring in het zicht?)).

Zigzagwegen vinden ze leuk hier
Wilde proberen tot in Darcha te komen, dan had ik het zwaarste stuk gehad. De weg hielp niet mee. Ook mijn rammel bleef irriteren en steeds erger worden. Het geluid, alsof er iets los zat, kwam van onder bij de motor. Heb de dag er voor aan alles gevoeld (echt alles) maar kon niks los vinden (ja een ding, maar dat zat al jaren los). Toch baart het zorgen, ik bedoel, met een afgrond van 500 meter ongeveer 10 cm naast je (zeker als je een tegenligger hebt) is het van belang dat je niet ineens je stuur los in je handen hebt, of een van je eigen wielen langs je heen ziet rollen. Ook na diverse malen stoppen en proberen kon ik niet vinden wat het was. Het werd steeds later, en rond 6 uur moest ik nog 15 km naar Darcha. Dat moest voor het donker te halen zijn. Maar ja… dit is India. Dus eerst een weg opbreking, de snelheid zakte naar 10 km p/u. Toen de weg na een half uur eindelijk beter werd was het dik 7 uur en de schemer zette in, maar ik moest nog maar 8 km. Dat moest te halen zijn. Maar ja… dit is India. Plots een Militaire colonne die me tegemoet kwam. Dan is er maar een ding wat je kan doen, heel snel een veilig plekje vinden aan de kant, anders rijden ze de boel zo aan flarden. De eikels.

Onder het wachten wel mooi uitzicht
Daar sta je dan aan de kant, de ene vrachtwagen na de andere, en net steeds als ik dacht… dat is de laatste, kwam er weer zo’n groene kloojo om de hoek. Ik schat een auto of 50-60. Niet allemaal achter elkaar, nee, soms zat er een minuut tussen de auto’s in. Dat duurde dus bijna 20 minuten en het was bijna donker. Grote lichten aan (ik zie echt niet goed in het donker) en de heuvel af naar Darcha. Dit stuk weg is erg smal en veel weggezakte stukken. Dat betekend niet te snel. Dan gebeurt natuurlijk datgene waar je nachtmerries van hebt gehad. In het donker, op het smalste stuk van de weg, komt een leger truck me tegemoet. Officieel heeft hij voorrang (hij gaat bergop). Maar ik ga echt niet achteruit rijden, in het donker, op een super smal bergweggetje met weggezakte stukken. Dat is zelfmoord plegen. Dus zo stonden we tegenover elkaar, die leger mijnheer voelde zich natuurlijk als een God (zo voelen alle leger eikels in India zich) dus wilde niet achteruit, en ik durfde niet. Ik zette mijn auto zo ver mogelijk aan de kant, tegen de bergwand aan. Maar dat kan je ook niet te ver doen want dan gaat he auto schuin staan en schampen ze zo je zijkant aan flarden. De leger gast ging het wagen, en met millimeters ruimte aan beide kanten, ging hij heel langzaam langs me op. Ik verwachte elk moment dat ie in de afgrond zou zakken, zo ver zaten zijn wielen over de rand, maar alles ging gelukkig goed. Om acht uur reed ik Darcha binnen. Verwacht geen stad of dorp, maar gewoon een brug bij een rivier waar een stuk of wat restaurantjes zitten. Kon mijn auto niet goed kwijt, het stond helemaal vol met vrachtwagens, maar er was nog een plekkie op een heel schuin stuk. Wat was ik blij dat ik er was. Tot ik een restaurant instapte en de menu kaart vroeg. Daar stonden geen prijzen op. Ik vroeg om een andere kaart, maar geen een had prijzen. Vroeg waarom, waarop de mevrouw schalks lachte zo van … ach, dan kunnen we vragen wat we willen. Ondanks dat ik er zo naar uit gezien had, was er bij mij niet de behoefte om als melkkoe even een poot uitgedraaid te worden voor een bord rijst, alleen omdat ik een wit huidje had. Ik was weer terug in Hindu land, dat was duidelijk. Stapte dus op, met de mededeling dat ik niet afgezet wilde worden, reed mijn auto naar de overkant van de rivier, vond een niet ideaal plekje (het stonk er naar pis), kookte mijn eigen potje en viel als een blok in slaap. Weer een erge dag rijden achter de rug.
Het volgende stuk heb ik ook weinig asfalt gezien. Men was overal de ‘weg’ aan het verbreden, verbeteren of verfraaien, maar dan wel met zo weinig coördinatie, zo veel geweld en zonder enig ontzag voor de huidige weg gebruiker dat ik ook vandaag weer heel wat afgescholden heb. Kan me niet voorstellen waarom men , moedwillig, er zo een zooitje van maakt. . Het bleef ook op deze dag een …laten we zeggen een karakter-bouwende-onderneming. India’ers zijn heel duidelijk de slechtste wegenbouwers in het universum.

Men at work, nog geen hond te zien (oh ja toch wel)
Gelukkig plande ik niet zo ver te gaan, wat niet betekende dat ik snel klaar was. Ik had op de heenweg een bord van iets van Tourist village gezien. Ik zag toen een mooi meertje, hier en daar wat tentjes en een huis. Dus ik dacht, dat is een mooie camping, daar ga ik naar toe. Dit alles was in Sissu. Daar aangekomen was er inderdaad een mooi aangelegd meertje. Maar de huisjes die ik gezien had vanaf de weg waren leeg, en de tenten die ik had gezien bleken krakkemikkige tent-huisjes van wegwerkers te zijn. Verder was er niks. Helemaal niks. Niet zo erg voor mij, ik had alles bij me, maar had gezelschap van andere toeristen wel ok gevonden, ik was al een paar dagen verstoken van menselijk contact. Wat er wel was, aan de overkant van de rivier, was een gigantische waterval. Erg mooi om naar te kijken.
Na een rustige nachtrust en zowaar wat regen was de Rothang pas aan de beurt. Ik wist dat de weg omhoog erg slecht was, dus had me ingesteld op een lange en langzame rit. En dat werd het ook. Hemelsbreed is het naar de andere kant van de berg (Manali) maar 20 kilometer maar je moet een berg over, en dat weet je ondertussen, is in India niet altijd een eenvoudige bedoeling. Ik had ook nog eens het lot getart door op zondag te gaan rijden. Zondag is , net als bij ons, zondagsrijders dag en veel Indiase families gaan in hun trutteschuddertjes de gevaarlijke berg op onder het mom van… ach dat doen we wel even…als ik maar hard genoeg tuter kom ik vanzelf wel boven (of onder). De weg naar boven had ik goed herinnerd dus. Ik moest mijn auto vaak in de lage gearing zetten omdat je in de normale gearing in zijn 1ste versnelling te hard reed, zo slecht was het. Boven aangekomen was het een dikke dikke mist en ik vermoed dat het geregend had. Het was er een modder zooitje van jewelste. Het was weer even leuk om die debiele Indiase toeristen in hun dikke bontjassen te zien, die, gehesen op een paard, de laatste tweehonderd meter de berg op werden gebracht. Rijen met paarden in de mist met daarop die rolmopsen die aan hun houding te zien nog nooit van hun leven op een paard hadden gezeten, het was een apart gezicht. Even speelde er een glimlach op mijn lippen, jaja.
Ik moet echt de weg naar boven freudiaans vergeten zijn, want dat was veel erger dan ik me herinnerde. Of het kan dat men in die vier weken er zo een puinhoop van heeft gemaakt, dat zou me ook niet verbazen. Men was bezig overal, te hooi en gras, stukken van de berg af te graven om de weg breder te maken. Maar bij ond zou men die grond en rotsen afvoeren, hier liet men het liggen op de ene weghelft. De regen en het beekwater (wat ze niet eerst eens op loste) stroomde over de weg en voerde deze modder mee over de hele weg, het was soms dus echt 30 tot 40 cm diepe zooi waar ik doorheen moest. Voor mij niet erg, maar die trutteschuddertjes wilde hun auto niet vies maken en probeerde het te ontwijken door….. juist… aan mijn weghelft te gaan rijden. Enfin, ik zal je verdere details besparen, maar het was ook vandaag geen prettige rit. Om 3 uur was ik beneden in Manali en had ik dus 8uur gereden en 84 km afgelegd, een gemiddelde van 10 km p/h.