20090401 – April 2009, Chilli naar Chilli

De aqua negra bergpas tussen Chili en Argentinië was de mooiste tot nu toe. Kon aan de andere kant lekker relaxen in de hete baden van Fiambala. Daarna weer terug Chili in over de bergpas San Francisco. Ook mooi , maar anders. In Antofagasto kwam ik Hans en Marry weer tegen, waar ik twee weekjes mee optrok. Zo zagen we het zeer imposante zoutmeer van Atacama, zwom ik in het zoutste meer van de wereld, liep ik in de vallei van de maan en bezocht ik de geisers van Tatio op 4200 meter hoogte. Daar zwom ik, ondanks de -13 op grote hoogte..

Op 9 april stak ik de bergpas Aqua Negra over, van Chili naar Argentinië. Dat is een van de hogere doorgangen tussen de twee landen. Met 4800 meter niet de hoogste maar we komen in de buurt.
Had in India al op 5300 meter gereden, dus dit moest een peulen schilletje zijn. En dat was het ook, op de hoogte na. De weg over de bergpas was een zandsteen weg, niet altijd van goede kwaliteit maar 10x beter dan wat ik in India gewend was. Prima dus. Maaaaaarrr… omdat je zo op kan schieten, rijd je in één dag van zeeniveau tot 4880 meter, en dat is andere koek. In India doe je er een week over om op die hoogte te komen, en dat geeft je lichaam tijd zich aan te passen. En dat had het hier dus niet.

Schitterende bergen
De omgeving rond deze bergpas zelf is werkelijk schitterend. De bergen waren van een soort rood-achtig zandsteen, gemengd met gele stukken, soms groen, het leek wel alsof ik een verkeerd pilletje had genomen. Moest elke 10 minuten stoppen om een foto te maken. Boven aangekomen lag er nog wat restanten gletsjer ijs. Dat was bijna gesmolten maar op een vage manier. Er stonden alleen nog pieken van ijs op de berg, allemaal soort van wijzend naar boven. Zou het een buitenaardse boodschap zijn? Moest ik dáár omhoog kijken? Ik heb gekeken maar niets gezien, de boodschap, als het er een was, was dus niet voor mij.

Ijzige vingers wezen omhoog
Terug naar beneden rijdend was het een hele lange weg die maar bleef dalen aan een stuk door. Na een kilometer of 20 ging de weg over in asfalt en tralala wat reed ik daar heerlijk. Tussen de Chileense en de Argentijnse grenspost zat 170 km, niemand-land dus. Het was half vier in de middag, mooi weer, nog een kilometer of 10 tot de Argentijnse grenspost, denk, bekijk het maar, ik parkeer mijn auto hier langs de weg en maak er een rustig nachtje van. En zo sliep ik die nacht in niemand-land en was ik officieel gezien, niet op deze aarde.

Niemand-land. Er was ook niemand
De volgende morgen, net voor de grenspost, kwam ik Gerhard en Greti tegen( Oostenrijkers) in hun zelfbouw fantasie camper. Ze waren erg blij om me te zien, ik was de eerste in 3 maanden met wie ze Duits konden spreken. Leken me aardige lui dus stond een uurtje te kleppen maar moest toen weer verder. Op de grenspost keken ze me een beetje gemaakt boos aan. Waar ik dan wel niet was geweest. Snapte niet wat ze bedoelde. Ze legde me uit dat ze gisteren de hele avond op me gewacht hadden, en toen ik er om tien uur nog niet was, ze een auto naar boven hadden gestuurd om me te zoeken. Ze hadden me snel gevonden, want ik was maar 10 km ver. Toen ze zagen dat ik daar ‘kampeerde’ hebben ze me niet wakker gemaakt en zijn ze allemaal naar huis gegaan. Oeps, dat wist ik ook niet natuurlijk, dus bood mijn verontschuldigingen aan,en het was gelijk goed. Ze grapte er nog wat over maar was 3 minuten later de grens over.

Het is op zich heerlijk om zo tussen landen heen en weer te kunnen zigzaggen zonder problemen met visa of papieren. In vergelijking met Azie gaat dat hier echt soepel en zonder problmen (tot nu toe dan). Visa heb je niet nodig en je mag meestal 90 dagen in een land blijven, meer dan genoeg als toerist. Ook de auto is geen probleem, een standaard formuliertje en klaar. Dat geef je dan weer af als jet het land verlaat en iedereen is happy. Carnet is tot nu toe absoluut niet nodig.

Ik werd vandaag voor het eerst als Gringo bestempeld. Gewoon een lokaal die het tegen een ander zei, zo van kijk daar die Gringo. Ha, ik was er wel een beetje trots op, was nog nooit een gringo geweest.

Sloeg bij Las Flores noordwaarts af en reed door prachtige natuur. Heel afwisselend ook. Dan weer smalle kloven, dan weer rode bergen, dan weer pampa-achtige struikgewassen, afgewisseld met gitzwarte glimmende bergen. Er was vrijwel geen verkeer en dat was maar goed ook want de weg was soms super smal. Ook een Enbalme (stuwmeer) was erg mooi. Moest er even stoppen voor een bakkie.

Zwarte glimmende bergen
De weg werd wel steeds smaller. Plots een hand gegraven tunneltje, moest al mijn stuurmanskunst aanzwengelen om er heelhuids doorheen te komen. De spiegels schraapten aan beide kanten tegen de oneffen muren. Gelukkig dat er maar weinig verkeer was. Het was goede vrijdag, en dat nemen ze hier heel serieus. Alles was gesloten, ook alle bars en restaurants, de mensen hingen her en der er wat verveeld bij. Maar op de weg was het prima rijden ze. Douchte bij een YPF station, tankte geen diesel want vond die voor 2,78 peso best wel duur (tenzij de Peso erg gedaald is, maar daarvan heb ik geen idee). Er hingen hele groepen mensen rond dit station, het was de enige open winkel in de hele buurt blijkbaar. Jongeren, gekleed in veels te wijde broeken en petjes scheef op de kop (oh oh wat zijn we een gangsta’s) hingen met een fles bier op de veranda, wat moet je anders op zo’n dag…?
Wat er wel werkte was de groente en fruit controle. Stomme lui. Moest mijn kiwi inleveren en een sinaasappel. De rest had ik al verstopt want ik wist dat dit zou gebeuren, maar niet hier. Blijkbaar zijn die controle posten ambulant en verplaatsen ze regelmatig. Ook ging men ineens mijn auto desinfecteren tegen de Dengue mug. Pfff, halve garen. In het noorden heerst er momenteel een knokkelkoorts plaag, dat weet ik, maar dat ze er hier dan voor gaan sprayen…. Nou ja, kwaad kan het niet.

Heb nu wel door dat de natuur véél mooier is als je met een zonnebril op rijd. De kleuren zijn dan veel warmer en mooier. Ik noem het dan ook geen zonnebril maar een happy-bril, want als ik die opzet rijd je alsof ik aan de drugs zit. Alles wondermooi. Rode bergen zijn ook echt rood, blauwe lucht is ook echt diep-blauw en grote groene grotte griezels zijn ook echt groen en veel griezeliger.

Er zijn overlanders die erg veel moeite doen om een mooi of spectaculair plekje voor de nacht te vinden. In feite vind ik dat een beetje onzin. Immers is het in de nacht donker en zie je niks. Mijn mening kan je beter spectaculair rijden overdag en het plekje voor de nacht hoeft voor mij niet mooi te zijn, zolang het maar rustig en veilig is. Vind het nog belangrijker om een goede plek op het juiste tijdstip te vinden. Mooi parkeer plekje om 11 uur in de ochtend rijd je voorbij, immers ben je net onderweg. En als je te lang wacht is het donker en vind je helemaal niks meer.

De weg van Villa Union naar Onogasta stond op de kaart al als zandweg aangegeven. Dat was het ook, de reden daarvan is dat het een smalle bergpas is die niet zo maar even breder te maken is. Slingerend tussen de mega cactussen die als een soort vingers boven het struikgewas uitsteken. Niet van die kleintjes hoor, maar erg mooi in combinatie met de rode bergen. Ook dit was weer een prachtige weg. Kwam ogen tekort, en niet alleen omdat de weg zo smal was. De weg moest rond het Sierra de Famtina gebergte, dat was een grote besneeuwde berg rug (6000 meter)die steeds goed in zicht was.

Kaktus hier en daar
Ondanks dat de Argentijnen redelijk beheerst op deze smalle weggetjes rijden was ik toch blij dat ik door 4 goden beschermd word. Geen halve maatregelen natuurlijk. Zo heb ik Vishnu op mijn vooruit staan, de zeer bekende Hindu god. Er hangt een beeldje van Boeddha op mijn voorruit. Dan, de Gods der videogames Pikachu die vanaf mijn dashboard de zaken controleert. Mijn eigen God vanuit mijn hart natuurlijk, en als laatste God heb ik de God van het Nederlands elftal die , in de vorm van een oranje molen-pet mij probeert te beschermen.

In Chilecito vond ik eindelijk wifi en stond met mijn auto pontificaal op de Plaza des Armas lekker te netten toen er ineens ‘hallo, wij spreken Hollands’ geroepen werd. Dat waren Lieve en Dirk, een Belgisch echtpaar. Ze hadden in de USA een auto gekocht (soort van hummer leek het wel) en hadden die tot hier gereden en stonden nu naast me geparkeerd. (www.latinotrails.com) . Zo sta je weer plots Nederlands te spreken, was het zowat verleerd. In de namiddag toch weer door. Bij het verlaten van Chilecito werd mijn auto nog eens onder de anti-mug zooi gesprayd en besloot, bij navraag aan de spray mijnheer, de route binnendoor naar Tinogasta (via Campanñas) te nemen. Dat was een goede keuze, alhoewel er een kilometer of 20 ripio tussen zat. Maar de weg was rustig en veel toeristen zagen ze daar blijkbaar niet. Ik werd aangestaard alsof ik in India reed maar elke keer als ik dan zwaaide werd er zo uitbundig terug gezwaaid dat je er gewoon vrolijk van werd.

Shit, alle bomen weg gewaaid
Parkeerde vroeg voor de nacht. Had eigenlijk tot de ‘Termas de Fiambala’ willen rijden, daar schijn je lekker in warm water te kunnen liggen, maar dat komt dan de volgende dag wel.
Volgende dag was het vroeg wakker worden door hele scholen met papagaaien. Wat maken die beesten een herrie. Toen ik dan eindelijk maar opstond, deden zij dat blijkbaar ook en was de herrie weg. Grrr. Gevolg was wel dat ik al redelijk op tijd bij de Thermas was. Moest bij de ingang betalen, best wel veel. De man vroeg 25 voor de dag, en als ik wilde kamperen moest ik gelijk er 20 bij betalen. Dat deed ik maar niet, had wat slechte ervaringen met die thermas dus wilde het eerst wel eens zien.

Warme douche
Het overtrof mijn stoutste verwachtingen, maar dan in positieve zin. Er kwam helder warm tot heet water de berg af, en dat werd via diverse bassins naar beneden geleid, hoe lager je ging hoe koeler het was. In elk bassin stortte het water van het nivo hoger dmv een super waterstraal naar beneden, en daar kan je heerlijk onder gaan staan om zo je hele lichaam te laten masseren. Het was goddelijk, en dat op eerste paasdag. In de late middag verkaste ik de auto naar beneden, en parkeerde op de Plaza des Armas. Het was eerste paasdag dus er was geen zak te doen, op de mis na.

Hemels, zo op 1e paasdag…
Volgende dag nog eens naar de warm water bronnen en in de late middag begon ik de bergpas San Francisco te bestijgen. Sliep midden in de bergen op 3000 meter, wilde niet hoger want dat slaapt niet lekker. Deze bergpas is ook 4800 meter hoog, net als de vorige, maar heel anders om te rijden. De weg, die tot de Chileense grens geheel geasfalteerd en van prima kwaliteit was, voerde door brede dalen en over 130 km ging die weg langzaam omhoog tot de top. Je had niet het idee van een moeilijke bergpas en de bergen waren niet erg stijl of dichtbij.

Lange mooie rechte wegen
Af en toe wisselde de kleur, dan weer rode gele of bruin bergen. Af en toe wat wilde ezels en hier en daar een koe, meer leven was er niet te zien. Er was boven zicht op de Ojos dela Salada, de hoogste vulkaan van de wereld met bijna zevenduizend meters. Het verlaten van Argentinië via hun grens overgang ging zonder problemen en ik was weer eens in Chili. Hier begon de echte Chileense zandbak. De hoogvlakte bleef rond de 4000 meter schommelen. Zand, zand en zand en af en toe wat zout. Wel verschillende kleuren en af en toe wat graspollen, maar dan had je het gehad. Dit was een stuk van de weg die de Dakar Rally dit jaar ook heeft gereden, niet echt moeilijk. Kwam nog een groen meertje tegen, passelijk Laguna Verde geheten (hoe verzin je het), er waren ook een paar heet water bronnen maar toen ik de koe zag, leken me die bronnen niet echt gezond.

Deze koe had de heetwaterbronnen niet overleefd
Reed nu al een hele dag zonder noemenswaardig verkeer te zien. Zag bij de Argentijnse douane twee andere auto’s en er was me een auto ingehaald, dus dat waren drie andere auto’s op een dag. Niet echt veel, hier pech krijgen lijkt me geen pretje. Na het passeren van de Chileense grenspost kon ik links richting Copiapo of omhoog naar Chañaral. Deed het laatste, het was de kleinste weg. Reed uren door de zanderige en zouterige hoogvlaktes zonder mens, dier of plant te zien.

Lange zanderige vlaktes
Begon me een beetje zorgen te maken of ik ooit nog wel weer in de bewoonde wereld terug zou keren. Plots dook de weg in een keer van de 4000 meter naar beneden. Via, volgens mij, pas aangelegde haarspeldbochten, die ondanks dat het zandpad was zeer prettig reden, viel ik echt letterlijk naar beneden. In een tijdsbestek van 15 minuten en 3 km, zakte ik van 4000 naar 2000 meter. Hierna volgde de weg een dal en bleef langzaam dalen, wel lekker want dat was goedkoop rijden. Kon de auto in zijn vrij zo een uur lang naar beneden laten rijden. Nog steeds geen kip gezien. Besloot in het dal te slapen daar ik vermoede dat het iets verderop drukker zou worden, achteraf een juiste keuze.

Ok, wat droog gras af en toe
Verderop was namelijk een mijn. En dat pakken ze hier groots aan. Dat betekent honderden vrachtwagens met…eum… erts denk ik, die over de weg denderde. Ontelbare tankwagens met ‘Sulphuric Acid’, chemische zooi die in de mijn industrie gebruikt word. Ik was niet meer alleen, dat snap je.
De weg volgde een smal spoorlijntje. Zonder bewaakte overgangen kruiste de weg wel 30 keer de rails. De eerste paar keren kruisen kon ik me niet voorstellen dat er wat aan zou komen en keek dus niet goed, toch kwam er op een gegeven moment een ielig treintje aan.

Als je wit beekje ziet, denk je aan sneeuw. Maar ja, het was hier 20 graden….
Door naar Chañaral, via mijnbouw gehuchtjes als El Salado. Kleine vieze winderige en zanderige dorpjes waar de mannen in de mijnen werkte en de vrouwen los op straat liepen, hun gebit thuis achtergelaten. Vieze bassins met groene pruttelende chemische goedjes, niet echt goed voor de natuur leek me. Van alles halen ze hier uit de bergen. Uiteraard zout, maar ook koper en vast ook wel ijzer of zo.
Ook Chañaral was niks bijzonder maar deed er wat boodschappen en vond zowaar een Wifi netwerk. Bij het ophalen van de mail zat er een tussen van Hans en Marry (die ik in Buenos Aires voor het eerst etegen kwam), die in Antofagasto stonden, weer eens bij een garage. Ik mailde terug dat ik er die zelfde dag zou zijn, het was niet zo ver (dacht ik), en reed na de lunch die kant op. De weg was mooi en saai. Zandbergen, de weg ging op en neer. Het was verder dan ik dacht, 330 km, dus moest er de sokken inzetten en haalde het niet voor het donker. Dit ook al vanwege een tussenstop bij ‘El mano del Desierto;, de hand van God, die midden in de woestijn staat opgesteld. Een idee om de saaiheid wat te onderbreken en een geweldig moment voor een foto natuurlijk.

De hand van de woestijn, streng maar rechtvaardig, ik mocht door….
Toen het echt donker was, was ik nog 15 km van Antogasta. Mijn principe is, nooit in het donker rijden. Maar ja, principe is principe, dus reed ik in het donker de stad binnen (en ik ben nachtblind). Hield een taxi aan die ik verzocht om me naar de Mercedes Garage te brengen alwaar inderdaad Hans en Marry stonden. Leuk weerzien.
De volgende dag reden we samen het centrum in en parkeerde onze auto’s aan de haven waar we twee dagen vertoefde.
De plek die we vonden midden in de stad was perfect, vlakbij het grote winkelcentrum, aan de zee, aan de haven. Er was veel te zien, vooral de dieren in de haven waren kostelijk. De gevangen vis werd veel ter plekke schoon gemaakt, en de resten waren voor de bedelaars. Niet mensen, maar dieren. Tientallen albatrossen, zeelhonden, zeeschildpadden en tig andere soorten vogels waar ik den aam niet van ken vochten om de restjes. Kon er uren naar kijken, en dat deed ik dan ook.

Alles vocht om wat restjes
Verder was het centrum van Antofagasta niet speciaal. Uiteraard de Centrale Plaza, dit keer met een imitatie Big Ben klok. Wat winkelstraten en aan de noordkant van de stad een groot industrie gebied. Antofagasta heeft een haven en vervult ook voor Bolivia de functie van belangrijke doorvoor haven. De mensen zijn armer dan het zuiden, dat zie je aan de vel bedelaars en krakkemikkige huizen. Toch vond ik de stad wel relaxed, vooral ook denk ik vanwege onze centrale parkeerplek. Moest overigens wel een paar alcoholisten, die onder een zeil woonde vlak bij onze parkeerplek, omkopen tot oppasser (voor de prijs van 2 pakken wijn).

La portada, symbool van Chili
Na een bezoek aan La Portatda, een wat vreemd gevormde rots die in Chili zeer beroemd is was het verder noordwaarts, nu met twee auto’s dus. Via de steenbok keerkring naar ‘San Pedro de Atacam’. Niet via de normale weg, maar via de Salar de Atacam. Dat bleek een opgedroogd zoutmeer te zijn waar je de rillingen van kreeg. Niet omdat het koud was (in tegendeel) maar vanwege de scherpe punten. Het meer was opgedroogd en het zout had zich op de bodem gezet. Dat is zich in de loop der tijden gaan verkristalliseren (geen idee of dat een woord is) en de zout kristalen steken als scherpe punten omhoog. Honderden kilometers lang. Ik denk dat mijn auto banden het er 10 meter uit zouden houden. Zelfs met mijn schoenen aan durfde ik er niet op te lopen, was dus blij dat er een zandweg doorheen was gemaakt.

Hard puntig zout
Snap nu ook hoe men dingen kon opslaan in zoutkoepels. Vroeger dacht ik altijd dat dit niet kon, zout zou immers gaan oplossen maar natuurzout is erg hard en lijkt op steen.
Sliep de nacht in de woestijn, dit keer heerlijk rustig met een sterrenhemel om te zoenen. Staarde via mijn verrekijker een uur de lucht in, wat een pracht. Wat een hoop. Wat een grote. Wat een licht. Waar blijven die groene mannetjes nou…

In de woestijn is het in de nacht koud, geloof me. Momenteel rond de 8 graden, maar naarmate de winter komt kan het in de nacht vriezen. Dat betekent twee setjes kleren oer dag. Overdag korte broek en T-shirt maar in de ochtend en avond lange broek sokken en trui. Ik houd er wel van, overdag lekker warm en dan in de nacht lekker slapen met kou. Overigens zijn temperatuur verschillen soms erg groot. Zo stond mijn ene thermometer (onder de auto in de schaduw) op 11 graden (9:30 in de morgen), terwijl mijn raam thermometer (in de zon) al 32 aan wees.

Het zout meer ligt in een valei en als je de bergen uit de valei in komt rijden, zie je in de verte aan de ‘overkant’ al de andere bergen liggen, in dit geval een paar vulkanen. Owww, denk je dan, daar rij ik in 20 minuutjes naar toe. Maar, na 20 minuten rijden (met een snelheid van 60 of 70) zijn die vulkanen nog even ver. Na nog een half uurtje rijden lijkt het of ze iets dichter bij gekomen zijn, maar het is moeilijk schatten. Het meer op zich is dus 70 km breed maar je vergist je enorm in de afstanden hier. Het dorpje Toconao ligt 30 km onder San Pedro de Atacam en telt, volgens het bord, 550 zielen.

Niet echt druk hier dus
Behalve dat het een leuk authentiek woestijn dorpje is (lees, veel gammele huizen en veel zand) heeft het een geinig kerkje daterend uit de 1800’s. Maar het echt speciale aan het dopje is dat het een van de weinige plekken is waar water is. Tadááá, want dat is speciaal en ook heel apart. Er komt een flinke beek ergens uit de grond en doet dat denk ik al miljoenen jaren. Gevolg, de beek heeft een diepe sleuf in de woestijn gegraven en in die sleuf is het groen. Héél groen. Die sleuf (kloof) is zo diep dat je hem vanaf de omgeving niet ziet en er pas erg in hebt als je er voor hebt. Kan je je voorstellen. Rijden…zand….gááááp…zand….nog eens gaaap…BHAM, groen. Je kan in die kloof lopen. Het groene gedeelte, aan beide kanten van de beek zo’n 10 tot 20 meter, en een paar meter verder dus weer zand.
Na een lekker stukje wandelen en het vullen van de watertanks (de volgende water gelegenheid kan wel eens even gaan duren, verderop in de woestijn is er wel water maar niet drinkbaar) door naar San Pedro de Atacam, de enige plaats in de omgeving hier. Had er geen voorstelling van, maar toen ik er aan kwam was het wel erg apart. Het was erg toeristisch, beetje een toerist-trap, met drie of vier ‘authentieke’ straatjes met alleen maar cafeetjes, restaurantjes en reisbureautjes. Tja dan weet je het wel. Kwam nog eens een hele onaardige agent bij (de eerste onaardige Chileens agent), die me beval door te rijden want mijn auto was te groot voor dit dorp. Toch op camping Los Perales terecht gekomen in het dorp, onder begeleiding van de politie auto, de charmes van Hans en Marry deden wonderen.
De beschrijving van deze camping in de Lonely Planet is als volgt: Basic, sprawling facilities with chatty hosts. Daar aangekomen konden de twee medewerkers, waarvan er een op de bank lag, nog niet de moeite doen om ons de weg te wijzen of ander info te geven. De chatty host moet verdwenen zijn. Lang leve LP.

Bij het rondlopen in het dorp vond ik San Pedro de Atacam niet echt bijzonder. Het is een uit de kluiten gegroeid gehucht met de gebruikelijke Plaza des Armas. Die was geheel voor het verkeer afgesloten, er was dan ook niets te doen en het deed wat saai aan. Geinig oud kerkje en een paar smalle straatjes. Er is een museum. Tja, mensen die mijn verhalen vaker lezen weten dat ik geen museum fan ben. Maar toch dit keer er maar weer eens bezocht. Het ligt vol met ouwe dingen (duhhh), speerpunten, half gebroken potten en zo. Die hadden natuurlijk ook zo in een museum in Spanje of Timboektoe kunnen liggen. Ooit hadden hier twee mummies gelegen. Dat had dan wel weer boeiend geweest, maar de inheemse mensen hadden tegen de aanwezigheid er van geprotesteerd omdat de mummies offers waren geweest en dus religieuze objecten waren die , zo vonden ze, niet ten toongesteld moesten worden. Hoppa, weg mummies dus. De rest van het museum…. ach….geinig zullen we maar zeggen (gáááp).

In de avond aten we ergens wat. Een simpel pizzaatje. Die was dan ook wel heel simpel en niet bijzonder. Omdat ik nog een andere holle kies had nam ik een nagerecht… pannenkoekjes met citroen. De kok was blijkbaar boos omdat ik de pizza terug gestuurd had (die was zowat koud), de pannenkoekjes waren dan ook zo zuur dat ik de tranen in mijn ogen kreeg. Geen succes dit dorp dus.

In het dorpje hingen bij veel reisburo’tjes foto’s van mensen in die ‘dreven’in een super helder meertje middenin de zout savanah. Dit meertje zou het zoutste water ter aarde zijn en je kon er in zwemmen. Zwemmen is dan een groot woord omdat het water zo zout is dreef je er boven op.
Aan diverse mensen de locatie hiervan gevraagd en 4 verschillende antwoorden gekregen. Een aardige Bar eigenaar tekende zelfs een heel schema hoe je er moest komen. Hans en Marry en het ik persoon er op af. Het zou 22 km naar het zuiden rijden, dan de zoutvlakte op, bij de eerste boom link en dan 2 km verder. Tja, nou je snapt het. Er klopte geen zak van. Hans stopte wat voorbij rijdende auto’s en hiervan kregen we nieuwe aanwijzingen. Het bleek een flinke speurtocht. Midden in het niets de normale weg af en de zoutvlakte in rijden. Richting niets. Na een km 5 kon je héél in de verte een boom zien staan. Aha, bingo. Het zandpad werd steeds slechter en het duurde een half uur voor de boom bereikt was. Daar linksaf en zowaar na 2 km nog veel slechter zandpad plots een lemen huisje en 3 kleine meertjes. Het was paradijs, echt waar.

Zoutmeertje in het midden van niets
Er was zowaar iemand die om 2000 pesos entre vroeg. Was een beetje raar zo in het midden van niks. Achteraf was het dat geld wel waard. We parkeerde de auto pal naast de twee meertjes waar je wel mocht zwemmen en genoten van de stilte, het uitzicht, de zon, en het zout. Want zout was het er. Het leek op zand, maar het is zout. Op de achtergrond een stuk of wat vulkanen (waarvan een actief), en later nog 5 mooie flamingo’s.

Zwemmen kon, maar zinken niet

How to get to the beautifull lake:
Drive about 15 km towards Toconao from San Pedro de Atacam, then turn right onto a dirt road at position S23 02.403 W68 07.530. Follow this dirtroad until you see a tree. There is only one tree, so no mistake possible. Turn left at the tree (its at S23 01.694 W68 12.024, just to make sure) and continue about 2km, you’ll see a little house. Just pass the house is your lake at S23 03.497 W68 12.978. The roads are not so good, and if there has been rain recently , of which the chance is slim, it might not be wise to drive.

Volgende dag stond de valei van de maan op het programma. Had daar niet zo een zin in maar Hans en Marry wilde die graag zien, dan ga je mee. En maar goed ook want het was veel mooier dan ik verwacht had.

Diepe en lange kloof
Niet alleen een landschap wat maan-achtig is, maar ook erg mooie wandelingen door diepe kloven, Sahara-achtige zandduinen en erg veel vage rots formaties in diverse kleuren. Ik dacht er ene paar uur mee bezig te zijn maar het duurde zowat de hele dag. De zon was erg fel en warm, ondanks dat het buiten op zich onder de 30 graden was. Smeren dus. Om een uur of vier even snel het dorp in om mail te versturen toen ik een bekende groene auto zag rijden. STOP schreeuwde ik, want het waren Mike en Anne-Christine, die ik eerder vlakbij Santiago ontmoete. We kletsten even en besloten gezamenlijk te gaan kamperen ergens buiten de stad. Zo brachten we een gezellige avond door op het parkeer terrein van mijnheer maanlandschap. De Chileen houdt zich graag afzijdig en ook nu deed hij dat, men kwam niet eens kijken wie we waren, prima zo.

Vallei van de maan
Maar, de wereldreiziger kan niet stil staan. Volgende ochtend door naar de Geisers van Tatio. Die liggen 100 km noordelijker. Er waren echter al rapporten dat de weg niet zo geweldig was. Daarbij liggen die geisers op 4300 meter (daarmee de hoogste ter wereld) en de auto van Hans heetf geen turbo dus dat gaat niet super snel omhoog. Langzaam maar zeker pruttlede we zo omhoog over steenslagwegen met enorme wasborden. Duidelijk een van de slechtste wegen in Chili na de ruta Austral in het zuiden. De omgeving was echter weer erg mooi, maanachtige bergen, vulkanen met besneeuwde toppen op achtergrond en verkeer was er vrijwel niet. Om een uur of 5 arriveerde we hijgend bij de geisers. Een zeer vriendelijk dame vertelde me wat er over. Zoals dat er een heet-water bad was en dat we daar nog wel even in mochten. Maar camperen op het geiser veld mocht noet, we moesten voor de nacht terug naar de pareerplaats. Geen probleem, en zo lag ik een half uur later in een soort natuurlijk zwembad dat gevoed werd door twee borrelende heetwater bronnen.

Op 4200 meter hoogte is het koud
De geisers op zich zijn leuk om te zien, maar het spectaculaire is pas in de ochtend. Omdat je hier zo hoog zit wordt het in de nacht erg koud (-12 werd me voorspeld) en dan zouden die heetwater bronnen een enorme stoom produceren. En dat was eigenlijk waarom iedereen hier naar toe kwam.
In de nacht was het inderdaad super koud. -13 zelfs. Mijn Ebenspeicher kachel vertikte het op deze hoogte ondanks de hoogte sensor (grrr) en ik bracht een koude nacht door waarin ik weinig sliep. Meer door de hoogte dan door de kou.

Borrelende puisten
Om 6 uur was ik klaar wakker. Hans en Marry die naast me stonden ook dus eens kijken of onze motoren starte. De combinatie van kou en droge lucht is moordend. Zelf vermoede ik dat mijn diesel wel zou gaan vlokken en ik dus niet weg zou kunnen. Toch starte mijn motor. Hij had er geen zin in en pruttelde, rochelde, schudde, rookte en stribbelde tegen als een bezetene maar na een paar minuten liep de motor redelijk. In de ijzige kou naar de geisers gereden en daar heel wat foto’s geschoten op het machtige schouwspel van rokende watertjes.