20040700 – Juni 2004, Pakistan, een duimzuig verhaal

[EasyGallery key=’2′]En ze zeggen dat Pakistan gevaarlijk is. Het zal wel, het is echter de enige overland weg van Europa naar India, tenzij je door China wilt. En wie wilt er nu door China rijden.
Pakistan dus. Geen idee wat ik moest verwachten, ik was dus enigszins gespannen toen ik bij de Iraans-Pakistaanse grens aankwam. Wat schetste mijn verbazing toen de Pakistaanse grens beambte waarschijnlijk de vriendelijkste waren die ik ooit meegemaakt had. Behalve dat ik een kopje thee kreeg aangeboden, moest ik ook perse koetjes en kalfjes bespreken met de hoofd grens bewaking. Mijn paspoort werd me zowat uit handen gerukt, zo graag wilde men er een stempel in zetten. De gegevens uit mijn paspoort werden minutieus in een gigantisch boek over geschreven. Toen ik stiekem is het boek keek, was de buitenlander voor me, een Zwitser die Pakistan verlaten had… twee weken geleden. Sindsdien was er dus geen andere buitenlander deze, enig grens tussen Pakistan en Iran, over geweest.
*Slik*.
Behalve de meest vriendelijke grens overgang, was dit ook de meest onoverzichtelijke. Het hutje van de douane was een kilometer verwijdert van de immigratie. Een weg er naar toe was er niet, je moest dwars door de woestijn, en maar gokken dat je het goed hutje had.
Niet dat iemand zich er druk over maakte. Had ook zo door kunnen rijden. Maar ja, dan had ik niet de vereiste stempels en dat zou weer problemen opleveren bij het verlaten van het land.

De opper grens bewaker, maande me streng toe. Van achter zijn kopje thee, grote bruine ogen achter een nog grotere snor, verzekerde hij me dat Pakistan een veilig land was. Maar…, zegt ie, in de grens streek tussen hier en Quetta, kan het af en toe spoken. Het is maar 600 kilometer zegt ie, en er is vrijwel alleen maar zand, maar pas in Allah’s naam op. De weg voert grotendeels langs de grens met Afghanistan op. Als je een tegenligger ziet, ga aan de kant !! Negentig procent van de bestuurders heeft geen rijbewijs, laat staan verzekering. De helft hier van smokkelt iets, meestal diesel of benzine, en het merendeel daar van zit aan de drugs omdat ze zoveel uren moeten rijden. Met andere woorden, als ze frontaal tegen je aan knallen, is het niet omdat het terroristen zijn, maar omdat ze gewoon niet kunnen rijden. Rij dus defensief!!.

Met die ‘geruststellende’ woorden nog in mijn gedachte begon ik aan de weg naar Quetta. Alleen de naam al deed me een rot gevoel in mijn onderbuik krijgen. Nog geen jaar geleden was Quetta het toneel van een Mafia achtige Taliban moordpartij waar je niet aan wilt denken. Er was een optocht van het een of andere, en de Taliban had op de bovenverdieping van diverse winkels schutters achter ruiten gezet. Toen de stoet voorbij kwam, had men de ramen open gedaan en met automatische pistolen in het wilde weg naar beneden geschoten, tientallen mensen dood en vele vele gewonden.
Nog geen week geleden had men de spoorweg opgeblazen. Dat is de spoorweg die vanuit de grens met Iran naar Quetta loopt en parallel loopt langs de weg die ik nu reed. Al om al, geen prettige gedachten.

Super gespannen reed ik dus het eerste uur naar het oosten. 600 km naar Quetta, dat zou ik nooit in één dag halen. Hopen dat ik een veilige slaapplek vind onderweg. Waarschijnlijk in het enige plaatsje van betekenis onderweg, Dalbandin geheten.
Er was niet veel verkeer, maar als ik een tegenligger kreeg greep ik het stuur harder vast en reed ik nog wat dichter bij de zijkant. Omdat men in Pakistan links rijd, was dit extra opletten geblazen.
Opmerkelijk was dat de weg erg goed was. Strak asfalt met mooie gele strepen, alsof het er net lag. Kon hierdoor een goede snelheid maken en hoe langer ik reed, hoe meer de spanning van me af viel.
Om de zoveel kilomter was er een checkpoint. Waarom dat er was geen idee, maar het feit dat er ieder geval ‘goede’ mensen met geweren waren, was geruststellend. Bij elke checkpoint moest ik uit de auto, in het kantoortje of hokje komen, en mijn naam en gegevens in een groot boek schrijven. Ik ging er van uit, dat als ik verdween, ze op deze manier ten minste konden zien wáár ik verdwenen was. Geruststellende, maar niet heus. Maar minutieus schreef ik mijn naam en paspoort nummer maar weer eens in zo’n mega boek.
De smokkelaars daarentegen, reden 100 meter voor het checkpoint de woestijn in, reden met een boog er om heen, en kwamen 100 meter nadien gewoon weer op de weg. Dit onder het oog van de militairen en politie, die er verder geen acht op sloegen.

Smokkelaars waren makkelijk te herkennen. Ze reden allemaal in een pick-up truck, die tjokvol was gestapeld met grote blauwe jerrycans. In deze jerrycans bevond zich benzine of diesel, rechtstreeks vanuit Iran. Diesel kost daar ongeveer één dertigste van wat het in Pakistan kost, tel uit de winst. De smokkelaars reden als gekken, moest er niet aan denken een frontale botsing te hebben met een pick-up truck volgeladen met jerrycans benzine. Gelukkig gingen de meeste smokkelaars in de zelfde richting als ik want diegene die me tegemoet kwamen waren natuurlijk leeg.

De weg bleef verbazend goed. Had Iran me al verbaasd met de kwaliteit van de wegen, nu doet Pakistan het ook al. Een smalle maar fraaie zwarte strook asfalt door het zand van deze woestijn. Mooie gele lijnen er op, de weg iets verhoogd zodat het zand er niet makkelijk op zou waaien, ik reed als een vorst. Op de smokkelaars en een sporadische vrachtwagen na, was er geen verkeer. Toch bleef ik gespannen, had niet zo’n zin om door mijnheer Tali-bannie te worden opgemerkt dus stopte ook nergens, tenzij er een politie post was.

In de loop van de middag, en dus veel eerder dan ik had verwacht, arriveerde ik in Dalbandin, het plaatsje precies op de helft. Het was een lange straat, links en rechts winkeltjes en veel volk op de been. Allemaal, vrijwel zonder uitzondering, in Pakistaanse kleding. Dat betekend een lange wijde dunne broek van laken-stof, daar over heen een soort heel groot nachthemd dat tot de knieën hing. Kon, op de kleur na, geen variatie in de kleding ontdekken, allemaal gelijk. Hoofddeksels waren wel iets om nader te bestuderen. Hierin variatie van niks tot Arabische doek-om-de-kop, Baluchiaanse petten en Afghaanse hoofddeksels. Boeiend.
Zo langzaam door de straten rijden in mijn eerste Pakistaanse dorp, werd ik door iedereen aangestaard. Hier en daar een lach, soms zwaaide er iemand. Op straat een rotzooitje van afval, dieren, gammele auto’s, ezelwagens, thee stalletjes, alles en iedereen liep door elkaar. Toen ik een politie agent zag stopte ik en stapte uit. Op mijn vraag of hij een hotel wist, schudde die zijn hoofd. Het enige hotel wat er is, is niet veilig, maar ik kon wel op het politburo terecht en hij gebaarde dat hij met me mee zou rijden om me de weg te wijzen. Hij stapte prompt aan de verkeerde kant in. De Pakistanen rijden links, stuur zit dus rechts. Wist hij veel, zijn gezicht brak los in een grote grijns.

Bij het Politie bureau aangekomen was dit een soort bewaakt fort. Midden in dit fort, op de binnenplaats, zaten blijkbaar wat gevangenen. Ik moest me melden bij de commandant, die keurig mijn gegevens weer eens in een dik boek schreef en na een kopje mierenzoete thee met melk vertelde hij me in redelijk Engels dat ik naast de hoofdingang moest parkeren en dat ik de hele nacht bewaakt zou worden. Hij adviseerde me ook, omdat ik naar Quetta ging, om vroeg weg te rijden. De weg er naar toe was lang, slecht en gevaarlijk claimde hij.

De man had niet overdreven. De volgende ochtend waren de eerste 10 km nog mooi strak asfalt, maar dat hield al snel op. Het veranderde in een strook antiek asfalt dat net breed genoeg was voor één auto. Vol kuilen en gaten, af en toe was de weg geheel onder het zand gewaaid en niet zichtbaar.
De snelheid die ik gisteren haalde was nu onmogelijk. Hier en daar kwamen er bergen in zicht, heel af en toe een, leek het, uitgestorven dorpje. Als er een tegenligger aankwam moest je beide voor de helft de weg af. Anders paste het niet. Sommige vrachtwagens echter waren zo vol en hoog geladen dat ze niet van de weg af durfde, uit angst om te kiepen of in het mulle zand vast te raken. Ze waarschuwde dan met lichtsignalen en weigerde gewoon van de weg af te gaan.
Na twee honderd kilometer zand, stof en hitte (het was al weer 38 graden) het eerste kleine dorpje waar ik mensen zag. Langs de weg zaten mannen, hun hoofd geheel bedekt met doeken, me aan en na te staren. Op mijn vriendelijke wuif werd niet gereageerd. Toen ik ze voorbij was zag ik in mijn spiegel dat ze op stonden en weg liepen. Na 10 km weer een gehucht, nu was er nog meer volk. Zelfs een aantal kinderen die midden op de weg gingen staan om me te proberen te laten stoppen, onderwijl druk met gebaren op hun hand schrijvend, kenbaar makend dat ze een pen nodig hadden. De oudere zaten wederom langs de weg me aan te staren. Ik reed helemaal alleen, verkeer was er vrijwel niet en ik voelde de spanning weer op komen. Dorp nummer drie was weer iets drukker en midden in het dorp was er een checkpoint.. Een ketting over de weg belette me de doorgang. Toen ik uitstapte om het grote boek te tekenen stoven onmiddellijk 20 kinderen op me af die dit blijkbaar vaker gedaan hadden. Pen pen pen!!! schreeuwden ze om het hardst, alsof hun leven er vanaf hing. Vroeg me af of ze hier geen pennen verkochten en kon het me niet voorstellen. Na het tekenen van het boek werd de ketting omlaag gedaan en gooide ik de gebruikte pen in de meute met kinderen die er om vochten als leeuwen. Stelletje zotten.

Iets verderop zaten wederom een aantal mannen met onherkenbare gezichten me aan zaten te staren, terwijl er een druk bezig was in een mobiel te spreken. Het zag er raar uit. Was dat verkeerde achterdocht van me? Dat mensen naar me zouden staren, daar was ik al op berekend, maar dit soort ongure types….

De weg werd slechter en slechter. Hele delen waren bedekt met een dikke laag woestijnzand, soms had zich zelfs een woestijn duin op de weg gevormd. Gelukkig waaide het niet, en de temperatuur bleef oplopen. Met raampje open reed ik door de woestijn richting Quetta. Kwam zo nu en dan wel een partij vrachtwagens tegen, die altijd maar in een soort konvooi reden. 5 of 6 schitterende versierde Pakistaanse vrachtwagens, de chauffeurs druk zwaaiend en tutterend, brede glimlach op hun bebaarde gezichten. Maar opzij gaan, dat deden ze niet, mij op die manier vaak met twee of meer wielen het zand in drukkend. Blijkbaar zat de angst vast te komen zitten er diep in.

Al een tientallen kilometers lang was de spoorlijn in de buurt, soms dichtbij, soms net uit zicht. Nu echter bleek dat de weg en de spoorlijn elkaar kruiste. Een onbewaakte kruising, midden in het niets, en die zag er niet goed uit. Een gigantisch plat gereden heuvel vol gaten en bulten voerde omhoog richting de rails, om aan de andere kant met eenzelfde ongelooflijke slechte weg zich weer richting zand te begeven. Er zit niets anders op dan stapvoets te rijden en daar ging het dan ook fout. Ik had niemand gezien en concentreerde me op de ‘weg’ toen ik ineens een ‘boink’ hoorde. Ik schrok, keek opzij uit het raam en keek gelijk in de loop van een geweer. Op mijn treeplank was een geheel in doeken gewikkelde man gesprongen. Geen idee waar die vandaan kwam want ik had al lang geen persoon gezien. Hij had zich waarschijnlijk verstopt in het zand of zo, en had zo op mij liggen wachten. Het geweer wat hij op me gericht hiel leek uit 1880, daarom niet minder gevaarlijk. Hij gebaarde me te stoppen. Tja, geloof me, als je kijkt in het gat van de loop van een geweer, gehoorzaam je.
De man gebaarde dat ik de passagier deur van het slot af moest halen. Ik boog me voorover om dit te doen, en terwijl ik terug recht ging zitten opende een andere man die deur en kwam naast me in de auto zitten. Ook hij had een geweer maar deze leek me een stuk moderner. Hij gebaarde dat ik door moest rijden. Ik gehoorzaamde natuurlijk en reed langzaam de rest van de heuvel van de spoorweg over en de andere kant af. Aan de andere kant was het weer verder doorploeteren, deels door zand, deels weg en deels kuilen. De man op de treeplank bleef er staan, de man naast me bleef zijn pistool op me gericht houden. Om de een of andere reden was ik niet bang, eigenlijk meer verontwaardigd dat die man zomaar in MIJN auto was gesprongen en dan ook nog een geweer op me hield gericht. Probeerde een gesprek met hem te beginnen en vroeg wat ie wilde. Eerst in het Engels, daarna in het Frans, Spaans, Duits en Nederlands. Helaas, de man reageerde nergens op. Ik kende wel wat woordjes Urdu maar niet voldoende om een gesprek aan te gaan. Dost? vroeg ik. (Dost is Vriend in Urdu). Ook hier reageerde hij niet op. Ik kon zijn gezicht niet zien omdat het in doeken was gewikkeld, en had geen idee van zijn gezichtsuitdrukking.
Na 15 minuten rijden gebaarde de man om rechtsaf een klein weggetje in te slaan. Ik zou de weg niet eens opgemerkt hebben als die man er niet op had gewezen. Weer 15 minuten verder kwamen er wat hutjes in zicht en kwam er ook een witte pickup truck achter me rijden. Die auto had ik onderweg al meerdere keren gezien. In de laadklep zaten 2 mannen, ook hun gezichten verborgen door doeken. Hoeveel man er in de bestuurders cabine zaten kon ik niet zien vanwege de zwart geblindeerde ruiten.
Gerard- geweer gebaarde me naar een van de aftanse hutjes te rijden en er achter te parkeren. Dit gedaan hebbende stonden de twee mannen uit de pickup al naast mijn deur om met, wederom onder schot, mee te nemen naar het hutje. Piet *istool stapte ook uit. Ik sloot automatisch mijn autodeuren af, er werd niet op gereageerd. Werd ruw het hutje ingeduwd. Het was er donker, komend vanuit de felle zon zag ik niet veel. Vanuit een hoek klonk een stem. Luid en duidelijk. Engels zoals alleen een Engelsman kan spreken.

‘Welkom to my home, please give me your car keys.’
Ik wist even niet wat ik moest zeggen, maar verdomd als ik zo maar mijn auto sleutels weg zou geven. Echt niet. De man met geweer was buiten gebleven dus ik voelde me minder bedreigd en mijn boosheid over het geheel borrelde weer boven.
“I do not think so, it is my private property and you have no right to tell me what to do. Who are you and what do you want.”
De man stond op en was een stuk groter dan ik, en ook een stuk breder. De conversatie, in het Engels, ging ongeveer zo:
Luister, jij ongelovige, ik vorder je auto voor onze commandant. Het is een mooie auto die kan dienen als commando wagen. Ik doe dit uit naam van Allah en je zult me gehoorzamen. Als je dat doet, kom je er levend van af, als je niet meewerkt ben je snel dood en nemen we je auto alsnog. De keuze is aan jou.
‘Maar maar maar…’, opperde ik, ‘het is mijn prive auto, je hebt er geen recht op. Allah keurt het stelen van andermans eigendom niet goed, en ik ook niet’. Ik werd steeds bozer. ‘Dit is alles wat ik heb, en je krijgt mijn auto niet’ schreeuwde ik hem toe. De woorden waren mijn mond nog niet uit of ik kreeg een vuistslag tegen de zijkant van mijn hoofd. Dat kwam zo onverwacht dat ik tegen de grond ging.
De man riep iets in het Pakistaans en piet-geweer kwam binnen. Er werd wat in het Urdu gesproken. Ik werd opgehesen en mijn handen werden op mijn rug gebonden met een stuk touw. De Engelsman sprak opnieuw. ‘Het klopt dat Allah stelen afkeurt, daarom ga jij ons jouw auto geven, geheel vrijwillig. Mijn boosheid was ondertussen omgeslagen in angst. Toch kon ik nog uitbrengen dat ik nooit mijn auto zal afstaan. We zullen zien zegt de Engels sprekende man. Ondertussen had de man die me gebonden had ook de sleutels van mijn auto uit mijn zak gevist. Piet-pistool duwde me naar de deur en vervolgens naar buiten. Ik werd naar mijn auto geduwd en de mannen die buiten hadden staan wachten, inclusief de Engelsman, volgde. Bij mijn auto aangekomen begin hij weer tegen me te spreken. Luister, zegt hij. Het is heel simpel. Jij gaat ons precies uitleggen hoe je auto werkt, waar alle knopjes voor dienen en waar alles zit. Als je dat gedaan hebt, rijden wij weg in je auto en laten we je achter. Er komt vast wel iemand langs die je komt redden. Als je het niet doet, of je liegt, dan laten we je hier achter het hutje achter, met je handen gebonden. Daar vind niemand je. We zitten op 15 km van het dichtstbijzijnde gehucht, dus je mag schreeuwen en gillen wat je wilt. Ik laat je gewoon hier liggen, in het zand, zonder water, dan zullen we kijken hoe lang het duurt voor je meewerkt.

Ik pieker er niet over zei ik, de ernst van de situatie nog niet helemaal snappend maar de Engelsman zag dat ik het meende. Hij praate weer wat in Urdu en zei toen : Ik laat je hier bij je auto achter, Ik heb de sleutels, dus je kan er niet in of weg. Tegen de tijd dat je dorst krijgt, kom je maar naar mijn huis. Weglopen heeft geen nut, het is bijna 40 graden buiten en je zal binnen de kortste keren verdwalen. Je zal sterven van de dorst, als je niet eerder sterft aan brandwonden van de zon. Ik werd ruw in het zand geduwd en de mannen keerde zich om.

Daar lag ik dan, midden in de woestijn, in het brandende zand, zonder water, en met mijn handen gebonden op mijn rug. Ik strompelde overeind en ging in de schaduw van mijn eigen auto staan.
Shit, dat heb ik. Mijn boosheid kwam weer terug. Stelletje woestijn kamelen!! schreeuwde ik in het Nederlands. Vuile zandhappers, towelheads. Vieze slangenbezweerders… enfin, een hele stroom verwensingen schreeuwde ik richting het hutje. Heerlijk even. Plots ging het deurtje open, een van de mannen kwam op me afgelopen en schopte me hard. Binnen hoorde ik gelach. Ik zakte weer in het zand en de man keerde weer terug in zijn hutje.
Dat schelden, mwahh, nu maar even niet meer. Ik ging zitten en gebruikte mijn wiel als rugleuning, de boosheid was weer gezakt, ik had nu alleen naast een hevige koppijn ook pijn aan mijn been.

Ik zat zo een half uurtje toen ik dorst begon te krijgen. Het feit dat je dan geen water KAN drinken, zorgt ervoor dat je nog meer dorst krijgt. Begon mijn lot donker in te zien. Zou ik dan toch mijn auto op moeten geven. Het is niet alleen mijn auto, het is ook mijn huis en alles wat ik heb. Plots echter, herinnerde ik me mijn geheime sleutelkastje. Dat is heel klein kastje, gesloten door een cijfercombinatie slot, waar ik reserve exemplaren van de belangrijkste sleutels in heb zitten, ook die van de deur en contact. Joepie, mijn weg uit was gevonden. Nu moest ik eerst dat lastige touw om mijn polsen kwijt zien te raken. Maar dat leek me niet zo’n probleem, er lagen stenen genoeg. Rolde onder mijn auto, in de schaduw, en begon met mijn polsen het touw tegen een steen te schuren. Het zweet rolde om over de kale knikker maar ik moest volhouden.
Plots ging de deur van het hutje open en kwam de Engels sprekende man naar buiten. Hij zag me onder de auto liggen, handen op de rug en hij liep op me af met een waterfles in zijn hand. Heb je al dorst? Vroeg ie. Hij dronk een flinke teug uit de fles en hield de nu half volle fles naar mij uitgestoken. Je kan het hebben hoor, vertel me gewoon wat ik weten wil.
Ik keek hem alleen aan en zei verder niks, veel te bang dat hij me anders op zou pakken en zou zien waar ik mee bezig was. Na een tiental seconden liet hij de rest van het water in het zand lopen en liep lachend weer terug naar zijn hutje. Een minuut later begon ik weer te schuren en na een kwartier sprong het touw kapot en kon ik mijn handen weer voor me brengen. Snel schoof ik naar de plek waar mijn sleutel kluisje zat en draaide de goede combinatie. De sleutels vielen er onmiddellijk uit en ik voelde een stroom van nieuwe energie. Wilde net op gaan staan toen de deur van het hutje weer open ging. Weer kwam er een man, dit keer niet de Engelsman, naar me toe met een volle fles water en hield die naar me uit. Mijn hele lichaam was nat van het zweet van de actie van zonet en het drupte van mijn gezicht af. Toen ik niet reageerde dronk de man eens diep uit de fles. Hij gooide de rest niet weg maar nam die terug mee naar binnen.
Hij had de deur nog niet dicht of ik wrong mezelf onder de auto vandaan, aan de andere kant van het hutje. Ik opende de passagier deur want die was uit het gezicht van het hutje. Kroop naar binnen. Trok de deur achter me dicht en gooide die in het slot en kroop naar de bestuurders stoel. Dit moest in een keer goed gaan. Schakelde, voor ik startte, de 4-wheel drive mode in en de hoge gearing. Haalde de handrem er van af en zette de auto in de tweede versnelling. Ik startte de motor, die onmiddellijk startte, liet onmiddellijk de koppeling opkomen en scheurde in volle vaart op het lemen hutje af. Goh wat was ik blij met mijn stalen bumper. Het lemen hutje gaf het snel op. Al krakend zakte de boel in elkaar. Ik schakelde onmiddellijk in zijn achteruit keerde de auto zo snel mogelijk en reed zo snel ik kon het pad op waar we vandaan kwamen, richting hoofdweg. In mijn spiegel zag ik nog geen activiteiten maar kon me niet voorstellen dat ik alle mannen gedood zou hebben, het was maar een lemen hutje. Het gaf me denk ik net genoeg tijd om weg te komen en dat was de opzet.

Bereikte de hoofdweg zonder problemen en scheurde rechtsaf in de richting van Quetta. Een paar minuten later kwam de witte pickup truck in mijn spiegels in zicht, met achterin de luid gebarende mannen. Ik hoorde ook geweerschoten, maar zag dat ze in de lucht schoten. Ha, dacht ik, die willen de auto niet beschadigen, jammer voor jullie, grote fout. De pickup was veel sneller dan ik en in no-time zaten ze vlak achter me. Ik reed zo midden op de weg, dat ze me moeilijk in konden halen, de weg was smal. Het zijn echter ervaren zand rijders, en na een paar minuten waagde de chauffeur het om met twee wielen op de weg, en twee in het zand, me in te gaan halen. Ik wachtte tot ie halverwege de manoeuvre was en zette toen de tien ton gewicht van mijn auto in. Stuur naar rechts. De pickup werd vol geraakt en zwermde naar rechts het zand in. Ik zag zijn wielen wegzakken. Ik zag hem stoppen. Ik zag de boze gebaren van de mannen achter in. Ik gaf nog wat extra gas…..