20090900 – September 2009, Valdez naar Paraguay

Begin september had ik genoeg van kou, wind en regen, en wilde ik zon en warmte hebben. Dus reed ik noordwaarts. Via El Bolson, waar het al 14 dagen continu regende, via Fiambala, waar het warme water niet warm meer was, naar Salta, waar het goed toeven en uitrusten betekende. Na de heilige maagd gezien te hebben, door naar Paraguay.

Vooraf wil ik eens alle vriendelijke gastenboek schrijvers bedanken voor hun aardige en vaak mee-levende commentaren. Dat doet mij altijd goed, ik lees de opmerkingen erg vaak terug. Vind het ook leuk dat er mensen in de verste en vreemdste uithoeken van de wereld mijn verhalen lezen. Ben er zelfs wel een beetje trots op. Om hier en daar wat antwoord te geven op opmerkingen: Nee, ik ben niet van plan een boek te schrijven, maar je weet het nooit. Ben momenteel happy zoals het gaat, en wie weet wat er later gebeurt. Wellicht meld zich een geïnteresseerde uitgever, dan valt altijd overal over te praten natuurlijk. Momenteel is echter mijn uitgangs punt van schrijven nog steeds wat ik jaren geleden op de voorpagina van deze site heb geschreven…ik schrijf voor mezelf.

Mijn schrijfstijl verandert, dat heb ik ook in de gaten. Of het beter wordt, dat kan ik niet oordelen, dat is aan de lezer. Maar zuid Amerika schrijft heel anders dan Azië, dat is zeker. Dit komt voornamelijk omdat het heel anders beleeft, en dat zal zeker merkbaar zijn in de schrijfstijl. Om het toch wat spannend te houden, gooi ik er af en toe een ‘short-story’ tussen door.
Nogmaals, de short stories zijn een mix van werkelijk gebeurde situaties, hier en daar wat aangedikt. Vooral hier en zeker daar.

Voordat ik de oversteek van de Oostkust van Argentinië naar de westelijke Andes ging rijden bracht ik een bezoek aan punta Nimfa. Op 75 km van Puerto Madryn is deze landpunt alleen via steenslag wegen te bereiken. Op de land punt staat een vuurtoren (die het niet doet) en verder is er niks, maar dan ook helemaal niks. Buiten dan de paar zee olifanten en zeehonden.
Punta Nymfas is geen natuurpark of beschermd gebied. Dus geen hekken, geen entree, geen toezicht en ook geen onderhoud van de weg. Kwam er om 4 uur in de middag aan. Die weg moet je niet rijden als het regent, dat was duidelijk.
Zoals grote gedeeltes van de kust, eindigde het land in een klif, 100 meter stijl naar beneden. Over de rand kijkend (heel voorzichtig op mijn tenen, want je hebt geen idee of het stuk klif waar je op staat ondersteund wordt, of op het punt staat naar beneden te lazeren) zag ik beneden wat zeehond achtige beesten liggen. Er was een soort geiten pad gemaakt naar beneden, een gedeelte was klimmen, dus ik besloot om dat de volgende ochtend maar te gaan doen.

Die beesten hebben vingers, nooit geweten
Na een rustige nacht op de klif (was toch maar iets naar achteren gaan staan met mijn 10 tonner) klom ik de volgende ochtend richting beesten. Er lagen twee zee-olifanten met , nam ik aan, een stuk of 8 wijfjes. Het kunnen ook de kids geweest zijn, geen idee. Heb het gevraagd maar kreeg alleen maar een gesnurk als antwoord. Heel langzaam naderde ik de beesten. Toen ik op 20 meter afstand was werden ze nerveus.Bleef stok stil gehurkt zitten. Na een paar minuten begon men de interesse in me te verliezen en de oogjes vielen weer toe. Voorzichtig een paar stappen dichterbij, daarna weer wachten. Dat proces herhaalde zich tot ik op 10 meter afstand van papa was. Dichter bij durfde ik niet te komen. Geen idee of ze gevaarlijk zijn, maar als zo’n vetzak op je gaat liggen, kom je er nooit meer onderuit. Jezus wat was pa vet. Bij elke beweging golfde het vet als een drilpudding heen en weer. Hij was wel 4 meter lang en op zijn dikst was ie denk ik 1,50 hoog.

Durf eens dichter bij te komen…
De reden dat hij zee-olifant heet is omdat ie een raar soort bovenlip heeft, die waarschijnlijk familie is van de slurf van een olifant. Er zaten ook twee neusgaten in dus ik ga er van uit dat ie daardoor kan ademen. Het was een machtig gezicht en een kikken gevoel om weer zo dicht bij deze beesten in het wild te zitten.

Als ook scherpe tanden
Na deze pracht ervaring werd het tijd wat te gaan rijden. Na wederom een bijzonder avondmaal bij Dolly & Cesar, tufde ik de volgende dag dwars door Argentinië heen. Die weg (de ruta 25) was niet echt spannend, alhoewel een gedeelte door cayon achtige landschappen ging. Zag hier en daar mooie kleuren maar het was miezerig grijs weer, waardoor die kleuren niet echt schitterde. In de middag begon het ook te regenen en dat stopte pas tegen de avond. Jammer, want met een zonnetje erbij was dit misschien niet eens zo’n saaie weg geweest. Haalde zowaar 500 km die dag, niet slecht.

De volgende dag bleef het regenen, en daar kan ik nooit zo goed tegen. Ik weet niet, van regen word ik chagrijnig. Bleef er zin in houden omdat er in Bolson een goede camping is met wifi en ik in de ochtend erg veel regenbogen zag, altijd mooi. In de stromende regen kwam ik om een uur of 3 in Bolson aan. Alle campings waren dicht voor de winter, maar verder rijden werd me onmogelijk gemaakt omdat de straat net na Bolson geblokkeerd werd door boze buurt bewoners. Bah bah. Parkeerde dus maar mismoedig in het centrum van Bolson maar echt gezellig was het niet. Vond wel gratis wifi, en via de satelliet kaart zag ik dat ik echt een stuk verder naar het noorden moest gaan rijden om aan de regen te ontsnappen. Het bleek al twee weken vrijwel continu te regenen hier. Je raakt er toch depressief van.

Route sept 2009
Omdat niemand wist of de volgende dag de weg nog steeds geblokkeerd zou zijn werd ik (vanzelf) om 4 uur wakker en vertrok. In het pikke donker en in de nog steeds stromende regen reed ik de berg-slinger weggetjes. Dat was voor mij uniek. Ik heb altijd gezworen nooit in de nacht te gaan rijden en dat heb ik tot nu toe ook nog nooit gedaan. Op een uitzondering na, omdat ik midden in de nacht door politie gesommeerd was verder te gaan rijden. Nu dus in de stromende regen, en dat met mijn nachtblindheid. Gelukkig was er weinig verkeer en ging het eigenlijk best wel redelijk. Hield angstvallig de temperatuur in de gaten, zeker ook bij de klein bergpasjes, want opvriezende weg gedeeltes zouden bij deze regen wel eens fataal kunnen zijn. Na 50 km stopte ik om weer het bed in te kruipen. Later in de ochtend reed ik verder langs Bariloche en schampte langs San Martin de los Andes. Links de besneeuwde bergkammen van de Andes, en zag ook diverse mensen met ski’s op het dak naar San Martin rijden. Je kan hier de 7 meren route rijden, maar dat is allemaal steenslagweg en dat ga ik met dit regenweer dus echt niet doen. Ik had ook geen behoefte meer aan kou en reed door om uiteindelijk in La Lajas de dag te eindigen. Er viel weinig aan Las Lajas te lachen (in Spaans spreek je de J als G uit), Lajas was een triest winderig gehucht. Die wind was, zoals altijd, steeds tegen, maar gelukkig was het nu tenminste droog. Hoogetepunt was een, leek het wel, vers, lava veld. Altijd een mooi gezicht. Ook stond ik voor de lunch per ongeluk naast een zwavel bron. Ik zag mooie picknick plek, maar toen ik uit mijn auto stapte stokte mijn adem van de stank. Het water borrelde er zo omhoog, niet eens warm, maar wel met een super rotte eieren lucht.
Verder was het landschap saai. Pampa, maar dan met heuvels. Ach, beter dan pampa zonder heuvels.
Verder door was er een stuk van de weg niet af. Heel vreemd. De afgelopen honderden kilometers een pracht weg. Zonder gaten, weinig verkeer (twee tegenliggers per uur), super rijden. En dan ineens, bagger. Hier en daar nog stukken asfalt, meer gat dan wat anders, wasbord waar er geen asfalt meer lag, enfin, diep triest. Waarom dat dat stuk ineens zo slecht is, geen idee. Gelukkig was het maar 40 km, maar door de langzame snelheid ben je er toch zo twee uur mee bezig.
Dat stuk weg voerde wel langs de Rio Grande. Volgens mij is dat een bekende rivier uit Western films of zo, dus heb er maar een foto van genomen.
Rond Malargue zijn er olievelden en staan er veel jaknikkers in het landschap rustig de natuurlijke rijkdom omhoog te pompen.
Hoe verder ik naar het noorden reed, hoe warmer het werd. In de buurt van Mendozza was het zelfs aangenaam aan het worden, besloot 100 km voor Mendozza op een camping te blijven staan. Tunuyan was eigenlijk het eerste plaatsje van betekenis. Vond daar de Municipal camping. Mooie grote camping, lekker rustig. En dat zeg ik sarcastisch. Er was plek voor 500 tenten of zo. Ik was helemaal alleen. Was misschien ook niet heel raar. Er was geen electra, en het water deed het ook niet. Toilet gebouwen waren dicht. Een storm had twee weken geleden alles kapot gemaakt en de Argentijnse bureaucratie zorgt voor langzame actie. Het was een gemeentelijke camping. Ik hoefde ook geen stageld te betalen, dus vond het best, parkeerde mijn bak, nam de fiets en fietste heerlijk in korte mouwen naar het centrum.

Door naar Mendozza, de wijnstad van Argentinië. De stad was 100 jaar geleden geheel plat gegaan door een aardbeving en was opgebouwd met brede straten en veel groen. Op zich plezant. Er was zelfs een camping niet al te ver van het centrum, maar de prijs was debiel hoog. Ook hier was ik weer geheel in me uppie. Toen ik met de fiets het centrum in ging, en weer eens alle winkels dicht waren, knapte het bij me. Ik had eigenlijk wel genoeg van Argentinië.

Er is een nieuwe regel die weer eens toeristen een poot uit trekt in Argentinië. Je kan nog steeds pinnen met je buitenlandse pas. Echter maar een maximum van 300 peso (alhoewel dat schijnt te veranderen). Dat was altijd al zo, en nogal belachelijk, maar met wat vooruitpinnen is daar wel over heen te komen. 300 peso is 60 euro. Als je dus iets duurs wilt kopen moet je per creditcard werken, of het op een andere manier oplossen. Ok, niet prettig maar met wat planning overheen te komen. Vanaf vorige maand of zo, is er de nieuwe regel bij gekomen dat je van die 300 peso die je maar mag pinnen, nog eens 11.5 peso kosten moet betalen. Belachelijk.
Gelukkig heb ik daar een manier omheen gevonden, en dat is de City bank, Die heeft een eigen pin netwerk en hier kan je meer dan 300 opnemen en zonder kosten. Doe bank zit echter maar in een aantal grote steden, dus kan je niet overal pinnen en moet je je financiën weer goed van te voren plannen.

Tussen Mendozza en San Juan wel 7 keer een controle. Ik werd er een beetje simpel van. Ik mocht bij de meeste wel door rijden, maar toch. Waar dat nou goed voor is, het is 150 km of zo, wat denken ze, dat ik onderweg drugs in laad of illegalen Chilenen?
San Juan leek me nog wel een geinige stad, ondanks dat ik er niet stopte. Breede straten, niet te druk, beetje landelijk, het had een vriendelijk uitstraling. Iets voor de volgende keer.

Soms mooie bergen
Noorden van San Juan is saai, tot bij Jachal, daar begon het stuk door de bergen met een erg mooie weg, qua natuur dan he. Tot Huaco is het echt schitterend, met wederom dat lieve kleine tunneltje. Bij Huaco weer eens een politie controle. Zucht, kon me steeds moeilijker inhouden. Ja, legde mijnheer agent uit, er waren vorige maand 350 pickups gestolen in de regio, dus wij controleren alle auto’s. Op mijn lippen lag de opmerking dat het dus blijkbaar niet veel hielp, want ze controleren hier al langere tijd (3 maanden geleden ook), maar hield maar wijselijk mijn mond en gaf de agent mijn valse Bangkok-Kao-San-road rijbewijs, wat hij vrolijk op zijn grote lijstje invulde.

Bij het Talapampay nationale park aangekomen bleek dat ze midden in de pampa een soort camping hadden, met wifi. Mijn geluk kon niet op. Het park bestaat uit een labyrinth van kloven en Canyons, gevormd door aard verschuivingen, water en wind. Je kan er niet op eigen gelegenheid in. Je moet met een tour mee, en mij was aangeraden door collega reizigers om de lange tour te nemen. Het was al 3 uur in de middag en helaas was de laatste lange tour al vertrokken, zou dus tot de volgende ochtend moeten wachten. Geen straf, ging heerlijk aan het internetten, deed de was en de volgende dag heerlijk onder een warme douche. Dat was lang geleden, een douche waar ik niet met een minimim aan water hoefde te doen. Ging met de tour mee om 10 uur de volgende dag. Zag ravijnen met een diepte van 150 meter. Of eigenlijk een hoogte want ik stond beneden in dat ravijn en de rotswand hief zich loodrecht 150 meter boven me omhoog.

Loodrechte rotswanden
Leek me een natte droom voor ervaren bergbeklimmers. Er waren ook wat rots tekeningen van zo’n slordige 2500 jaar oud en ook het wild liet zich goed zien die dag. Grote dikke soort hazen. Guanaco’s en vossen drentelde lustig in het wild rond en leken in het geheel niet angstig. Ook Condors vlogen er rond en er liepen wat vaag achtige vogels die me wel aangenaam in de pan leken. Al om een geinig tripje van een uur of vier.

Reed in de middag maar weer aan, het mooie en enge stuk weg tussen Villa Union en Chilecito. Een kleine bergpas van zandweg (en 2100 m hoog), die soms zo smal is dat ik er moeite mee had. Diepe afgronden en wondermooi vergezichten. Ik had hem al eerder gereden en was er toen ook al van onder de indruk, want de omgeving is van wonderschoon knalrode rots, doorspekt met groene mega kaktussen (of is het kakti).

Die tunneltjhes blijven spannend
In Chilecito raakte ik, net als vorige keer, de weg kwijt. Daar staat geen enkel bord, dus het was maar wat aan hanussen. Ach, uiteindelijk kom je altijd wel weer aan de andere kant van de stad.
Een vervelende eigenschap van Argentijnen is dat ze plakken. Ik hoor je denken…… Ik heb het over wegplakken. Ik rijd natuurlijk altijd zachter dan personen wagens (en veel andere vrachtwagens). Die komen dan achter me aan rijden, op 5 meter afstand. Ze doen het allemaal, dus het een nationale gewoonte. In plaats van dan in te gaan halen, blijven ze achter me plakken, en ik vind dat erg irritant. Heb nog wel eens de neiging, als ik een mooi plekkie zie, om te stoppen voor een bakkie koffie, thee of plaspauze. Maar als er iemand 5 meter achter je rijd, durf ik niet goed op de rem te trappen. Ik ga dan maar langzamer rijden, net zo lang tot ze me wel inhalen. Maar er zijn er, die dat dan niet durven of zo. Die komen achter me plakken als ik 75 rijd (mijn normale cruise snelheid), en als ik dan afzak naar 50 blijven ze volharden. Nouja, het is niet zo erg, maar gewoon irritant. Nu heb ik dit liever dan de inhaal manoeuvre Indiase stijl, waar ze niet eens kijken of er een tegenligger aan komt, stuur omgooien om dan vervolgens zo langzaam te gaan inhalen dat ze er een kwartier mee bezig zijn.
Verder door naar het noorden parkeerde ik voor een paar dagen bij mijn vrienden in Fiambala. Wilde namelijk weer in die heerlijke warm water bronnen gaan liggen. Jammer dat het nooit zo fijn is als de eerste keer, iets waar ik wel vaker in trap.

Die vrienden waren druk, ondanks dat ik wel op het eten werd uitgenodigd. Tja, kan zo wezen, er moet gewerkt worden nietwaar. Het was lekker weer, overdag voor het eerst ‘lekker’ met 30 graden en een zonnetje, dus ik nam me voor wat aan me auto te klooien. Zijn altijd een hoop van die kleine dingen die je uitstelt, maar dan toch ooit eens gedaan moeten worden, nu had ik daar mooi de gelegenheid voor.
Stel je voor. Het is 2 uur in de middag, brandende zon, prettig temperatuurtje, ik stond mijn olievul slang vast te maken, die was los getrild. Plots een windvlaag, lekker koel windje dacht ik nog. Paar minuten later nog een hardere windvlaag, er kwam zand mee omhoog, het windje was wel erg koel. 2 uur later, zat ik binnen in de auto, met een temperatuur van 12 graden en een zicht van 5 meter verder vanwege het opstuifende zand. Echt, in twee uur tijd, van heerlijk naar klote. Van lekker warm naar Hak-weer. Hak-weer, wat is dat? Nou, achter glas was het beter.

Ach, binnen is ook zat werk, dus ik denk, ga dat doen, en morgen lekker in het warme water leggen. De volgende ochtend was het met -2 graden koud te noemen. Ik reed al vroeg naar de warm waterbronnen toe. Bij de entree poort was niemand, dus ik reed zonder te betalen door, Auto geparkeerd, zwembroek aan en in de kou naar het warme water lopen. Dat bleek echter lang zo warm niet als voorheen, sterker nog, het was gewoon lauw. Leuk voor even, maar niet om er een hele of zelfs maar een halve dag in te gaan liggen. Het water was ook nog eens vies, er dreef plastic en kranten in, veel bladeren en alles was glad van de algen of mos. Niet zo prettig, en toen ze ook nog eens stroom opwaarts besloten om aan de bassins te gaan werken en al het opgerakelde vieze water met kleine steentjes en zooi naar beneden kwam, besloot ik dat het genoeg was en vertrok van Fiambala. Beneden bij de poort aangekomen werd me om geld gevraagd, en ik weigerde te betalen. Dan kom je er ook nooit meer in zegt die bewaker. Prima, voor vies koud water ga ik niet een hoop geld betalen, ajuu.

Door naar het noorden had ik een wat aparte weg in gedachten. Helemaal steenslag maar het moest erg mooi zijn. Ik sloeg die weg in vanaf de hoofdweg en kwam op een super belabberd zandpad terecht. Oeps…. 500 km zandpad? Ik reed het 20 km op, het werd steeds slechter, en keerde om. Ondanks dat mijn wagen het misschien wel aan zou kunnen, had ik daar geen zin in.

Bezocht onderweg nog een oude inca stad
Reed door richting Salta, altijd leuk om te zijn. Met zijn grote camping en veel overlanders, heb je daar tenminste nog eens contact met mensen. Mensen waren er. Een paar dagen later was er het feest van de heilige maagd Del Milagro, beschermheilige van de stad Salta. En niet zo maar een maagd hoor, een echte. Nou zou dat in Europa een paar duizend mensen trekken, hier is dat andere koek. Al dagen van te voren kwam men van heinde en verre uit de dorpjes en gehuchten. Zelfs van ver, uit Bolivia, kwamen ze dagen lopend, om deze maagd te eren. Elke processie die de stad binnen kwam lopen droeg een beeld van de Maagd mee. Meestal op een soort draagbaar, onder het lopen, zingend over de wonderen van deze heilige maagd. Jongeren, maar ook oude moekes, hele families, de honden mee, soms ter paard, lange slierten met mensen kwamen de stad in alsof er een hele volksverhuizing aan de gang was. Binnen no time stond de camping dus ook vol. Dat was gezellig. Er waren weinig overlanders maar des te meer Argentijnen, en die kunnen ook gezellig zijn.

Veel mensen en veel maagden
De maagd is zo belangrijk omdat er , een jaar of 80 geleden, hier een grote aardbeving plaats vond. Toen men, tijdens deze beving, het beeld van de maagd uit de kerk haalde om haar te behoeden tegen neervallend puin, stopte de beving precies op het moment dat het beeld de kerk verliet. Nu eert men haar elk jaar, en er is sindsdien geen beving geweest.
Op de camping trof ik drie verschillende mensen, die alle drie heling vroegen. Een was een oudere vrouw met kanker, een ander had een baby die ‘gebrekkig’ was, en een ander vroeg volgens mij heling van zijn portemonnee. Allen kwamen van verre. Er waren die dagen 200.000 bezoekers in de stad.
Op een dag fietste ik de camping op en daar stond een camper met een grote Hollandse vlag er op. Ik denk, dat moeten Nederlanders zijn. Het bleken Jan en Rita Eggens uit Assen te zijn die op hun derde lange reis waren. Eerst door Azië, daarna door Afrika en nu dus zuid Amerika. Aardige mensen met wie ik menig kopje koffie heb gedronken, af en toe zelfs met een koekje erbij.

Een heel gedoe
Ze hadden pech gehad, op de boot van Grimaldi was hun auto open gebroken en was er behalve veel gestolen ook erg veel schade gemaakt. Bij een tussenstop in Afrika was er een Afrikaan in de ruimen achtergebleven en had zo gedurende de oversteek het er eens van genomen. Alle campers in het ruimen waren open gebroken. De man had zich tegoed gedaan aan kleding, de elektronica en zelfs zijn oude schoenen geruild voor een paar mooi glimmende van Jan. Je kan je voorstellen hoe die zich voelde toen ze hun auto van het schip op haalde.
Hield het een week uit op de camping, alhoewel ik makkelijk nog langer had kunnen blijven. Maar het weer bleef tegen werken. Het was niet koud, maar ik wilde naar de rode bergen gaan kijken (die noem ik de Pam&Ries bergen, maar das voor insiders). Echter moet je dan wel zonnig weer hebben anders zijn die bergen niet echt mooi. En had wel een dagje zon en erg warm, maar dan was het de volgende dag gelijk weer grijs. Na die week besloot ik om niet meer naar de Pam&Ries bergen te gaan maar door te rijden naar Paraguay. Mijn doel was, om via dat land, naar de Panatal in Brazilië te rijden. Als ik veel langer wachtte zou het regen seizoen gaan beginnen en dan is het afzien.
Naar Asunción betekend weer eens Argentinië over steken, dit keer van west naar oost. Kon op twee manieren in Asunción geraken. Via de kortste noordelijke weg, ruta 81. Daar stond op een aantal kaarten dat die een stuk (250Km) steenslag was (en een aantal kaarten stond van niet). Kon ook via de meer zuidelijk gelegen ruta 16. Dat was een stukje langer en waarschijnlijk drukker. Kreeg moeilijk informatie over de meest noordelijke route, ieder had er een andere mening over. Had ieder geval wel gehoord dat de zuidelijkere route erg slechte stukken er tussen had. Kon maar geen beslissing maken en maakte die dan ook ad-hoc bij de splitsing zelf. Ik pakte de meer avontuurlijkere, onbekende, noordelijke route. Beide overigens bevatten een stuk van ongeveer 700 km door niets. Echt niks….

Salta heeft genoeg kerken
De weg bleek achteraf goed en niet eens zo saai. Ok, er was niet echt super veel te zien maar omdat het steeds groener werd en er her en der zelfs bloemen in bloei stonden, was het veel afwisselender dan de pampa. Zag weinig wild, behalve veel roof vogels. Reed de eerste dag bijna 100km de weg op en parkeerde midden in het niks voor de nacht. Gooide in de avond de botjes van mijn karbonaadje naar buiten, in de hoop zo wat wild te trekken. Mooie vos of wolf, wie weet een kaaiman, olifant of dinosaurus. Maar de volgende ochtend, na een heerlijke rustige nacht, lag het er nog precies zo. Geen wild dus.
Maakte die volgende dag een rit van 650 km, dat gebeurt niet vaak. Sterker nog, de laatste keer dat ik over de 600 km op één dag reed was in Griekenland. Het laatste stuk ‘oversteek’ ging langs een national park op. Veel moeras achtig land, drassig, begroeid met vage palmbomen en polletjes gras. Ook een bord ‘Niet inhalen zonder te tuteren’, dit vermoedelijk omdat de helft van de chauffeurs (inclusief ondergetekende), half slapen onder het rijden. 600 km kaarsrechte weg is niet echt goed voor de concentratie.
Belande tegen de avond net voor de grens in Clorinda en parkeerde op een truck parking aan de rand van de stad, moe maar klaar om de dag erop de grens over te gaan.
Die grens was de volgende dag toch enigszins spannend. Ik had immers die boete van 1000 peso (200 euro) open staan in Argentinië en hoopte dat die bij de douane niet geregistreerd stond. Men zou daar, volgens insiders, 3 maanden voor nodig hebben, en het was 2 en een halve maand geleden. Bij de grens aangekomen was het een heerlijk zooitje. Alles liep door elkaar en er waren horden met mensen die in rijen stonden. Lekker Aziatisch. Ik werd door een ronselaartje eruit gepikt. Hij had een officieel douana-identiteit bewijs op zijn borst hangen. Yeah right, die ken ik, maar toch zijn dat soort mannetjes vaak handig. Vermoede dat ie straks om geld ging vragen, maar dat zien we dan wel weer. Hij loodste me van het ene loket naar het andere, ik had de billen bij elkaar gedrukt maar alles ging redelijk voorspoedig. Ook bij het loket van het leger/politie/immigratie werd er, na wat gezoek, toch een stempel in me paspoort gedrukt. De Paraguayaanse formaliteiten gingen in het zelfde gebouw, dat was wel zo handig. Na 45 minuten formaliteiten gaf ik mijn hulpje een eurotje en reed fluitend Paraguay in.
Dat fluiten duurde echter niet lang. Ik was nog geen 3 km onderweg toen een auto luid toeterend achter me reed. Bestede er niet zo’n aandacht aan maar hij bleef claxonneren en toen hij me eindelijk inhaalde hing het douane/leger/immigratie ventje uit het raam en gebaarde me te stoppen. Ik was dus al 5 km in Paraguay, hij was het ventje van de Argentijnse douane !!. Dat kon niet veel goeds betekenen, maar ik stopte toch maar. Ja, begon ie, hij kon in zijn computer niet zien waar ik, met mijn auto het land was binnen gekomen, en hij snapte er niks van, of ik a.u.b mee terug wilde gaan zodat ze het uit konden zoeken. Ik vermoede een list om me terug in Argentinië te krijgen zodat hij die boete kon innen. Kon nu wel door rijden en hem een lange neus geven, maar ja, je weet nooit wanneer je Argentinië weer in moet, dus kon maar beter gelijk de boel afhandelen, als ik dan echt moest betalen, dan maar gelijk.
Terug bij de grens echter, ging piefje er met mijn paspoort en auto papieren vandoor. Ik maakte snel een kopje koffie in de auto (ik denk, misschien is het wel mijn laatste), en na 15 minuten kwam piefje weer terug met mijn papieren, duizend verontschuldigingen. Hij had het opgelost zegt ie, ik kreeg mijn papieren terug en ik mocht gaan. Pfeeeww.
Bienveniedo en Paraguay.

Nu dan nog maar even een opbiechting. Ik heb het ooit al eerder aangehaald, maar het gevoel sluimert steeds verder. Zuid Amerika is leuk om te zien. Er is erg veel natuur, soms echt spectaculair…maar… het grijpt me niet. Niet zoals Azië dat deed.
Het is moeilijk te definiëren. Zoals ik zei, de natuur is mooi. De mensen zijn over het algemeen vriendelijk. Heb vrienden gemaakt. Sommige echt heel speciaal. En toch loop ik steeds weer terug te denken aan Azië. Niet dat is nou perse heel snel terug naar Azië wil, maar het avontuur, de cultuur, de mentaliteit, het elke dag anders en verrassend zijn. Dat kan ik van Zuid Amerika tot nu toe nog niet zeggen.
Over Zuid Amerika heb ik tot nu toe een beetje het Thailand gevoel. Leuk om er eens te zijn, maar gezien is gezien. Onthoud dat ik alleen reis. Contact met andere is voor mij erg belangrijk. Maar heb in Zuid Amerika meer contact met andere reizigers dan met lokalen. Nogmaals, niet dat de mensen niet aardig zijn, maar men is veel afstandelijker, haast Europees. Ik bedoel, sta je in Azie met een kaart op straat, zoekend te kijken, weet je zeker dat er iemand aan komt om je te vragen of ie kan helpen of waar je heen wilt. Doe je dat in ons eigen landje, en er komt een Nederlander voorbij lopen, zou die denken….sukkel, die is de weg kwijt…en doorlopen. Een zuid Amerikaan zou denken, hé, een toerist, wat leuk, en ook doorlopen.