20100300 – Maart 2010, Zuid Senegal en The Gambia

Vanuit Dakar in Senegal reed ik terug naar de Zebrabar om op mijn nieuwe paspoort te wachten. Die waren al in een week klaar dus karde ik wederom naar Dakar, haalde mijn paspoorten op bij de efficiënt werkende ambassade al daar en vervolgde mijn weg naar het zuiden. Via het land The Gambia reed ik met een grote lus richting Mali. Scheerde langs Guinee-Bissau maar daar is het niet veilig dus bleef ik uit de buurt. Dit verhaal gaat dus over Zuid Senegal en The Gambia.

Het spijt me. Maar niet heus. Heb geprobeerd dit verhaal kort te houden, maar het schijnt me niet te lukken. Het is weer een heel epistel geworden, en kan me voorstellen dat je diep moet zuchten. Dus, als je geen tijd of zin hebt, bekijk dan gewoon alleen de plaatjes…

Op 7 maart verliet ik Dakar. Dat was een zondag en ik vermoede dat dan het verkeer niet zo intens zou zijn. Dat klopte ook wel. Reed rustig langs de kust noordwaarts richting Lac Rosé. Op deze plek was vroeger altijd de finish van de Parijs-Dakar rally. De naam van het meer, Rosé dankt het niet aan de roze champagne die hier altijd vloeide, maar aan de kleur van het water, dat zou dus roze moeten zijn.

Route door Senegal en The Gambia
Zo rijdend langs de kust zag je enorm veel mensen joggen, voetballen of andere sporten doen op het strand of gewoon langs de weg, veel jongens die aan het fitnessen waren, de Senegalese jeugd vind een goed lichaam blijkbaar belangrijk. Werd vrijwel niet lastig gevallen en genoot van het rustige rijden. Zelfs de politie liet het afweten op zondag. Een immens standbeeld sierde het einde van Dakar. Geen idee van wie of wat, ze waren met de weg bezig en ik kon er niet bij. Dat was jammer, want ik weet zeker dat het uitzicht spectaculair was geweest. En wellicht een mooi plekkie om te overnachten.

Het gigantische standbeeld
Uit de volkkrant van 3 april:
Duizenden inwoners van Senegal zijn de straat opgegaan om het aftreden van president Abdoulaye Wade te eisen. De president ligt onder vuur vanwege een beeld dat hij zaterdag heeft onthuld om te herdenken dat het land vijftig jaar onafhankelijk is van Frankrijk. Het monument verbeeldt een gespierde man en een schaars geklede vrouw. De man houdt een kind op zijn arm omhoog. Het 49 meter hoge kunstwerk kostte ongeveer twintig miljoen euro. Tegenstanders bekritiseren de hoge kosten. Anderen vinden het beeld seksistisch. Islamitische geestelijken in Senegal hebben het kunstwerk als on-islamitisch gekwalificeerd. Het beeld is gemaakt door Noord-Koreaanse arbeiders en lijkt veel op een monument uit de tijd van de Sovjet-Unie

Kwam van de ‘ achterkant’ Lac Rosé binnen, en dat heb ik geweten. Een grote gatenkaas weg, dat koste wel wat tijd. Bij het meer zelf aangekomen was het een grote toeristische troep. Behalve dat er geen toeristen waren. Toen men mijn auto dan ook in de gaten kreeg, met blank vlees er in, was het feest. Men mist natuurlijk de Parijs-Dakar rally, met daarbij de nodige omzet. Die paar toeristen die er nu dan nog komen, worden vol enthousiasme besprongen en uitgekleed.
Ging eerst maar eens een plaats voor de nacht zoeken. Reed de paar kampementen af, maar ze vroegen allemaal veel te veel geld. De laatste wilde, na lang onderhandelen, voor 3000 Cfa (5 euro) me wel een parkeerplek geven, en dat vond ik wel ok. Maar het was nog vroeg dus besloot eerste even rond het meer te tuffen. Het Lac Rosé is een zoutmeer, en het water is een soort roestachtig bruin. Als de zon er pal boven staat, lijkt het water net rosé. Ok, je moet wel wat fantasie er bij gebruiken. En dat heb ik niet. Dus het was gewoon vies bruin water. De weg eromheen was van het wasbord soort en niet echt spectaculair. Om vier uur reed ik terug naar de afgesproken parkeerplek, maar kwam ineens nog een kampement tegen. Dat bleek van een echte Fransman te zijn, hij vroeg maar 2500 cfa, dus het andere sjakie had pech. Moest ie ook maar niet met 10.000 beginnen (en dan afzakken naar 3000, maar dan heb ik het al een beetje hangen).

Volgende morgen al vroeg door, of eigenlijk terug naar, de Zebrabar. Als ik dan toch twee weken op mijn paspoort moest wachten, ging ik het maar relaxed doen. Reed via een shortcut naar de Zebrabar. Zoals mijn meeste shortcuts, had ik deze ook beter niet kunnen nemen. Er waren zoveel splitsingen in dit zandpad dat ik maar globaal de goede richting aan kon houden. Uiteindelijk kwam ik er wel maar de normale weg zou waarschijnlijk sneller en zeker comfortabelere geweest zijn (maar minder spannend).
Het eerste wat ik deed bij de Zebrabar is mijn auto parkeren en de zee in duiken, het was warm vandaag. Owww wat is dat lekker. De zee is hier nog net een beetje koud, maar niet te. Net zo, dat je, op het moment dat je er in springt, nog effe iiiiiihhhhh, Maar als je er eenmaal 10 seconde in ligt verandert dat iiiihhhhhhh!!! in een oooohhhhhhhhhh wat lekker. Snap je wat ik bedoel?

Strand bij de Zebrabar
Het was niet druk op de zebrabar en ik werd ook met rust gelaten. Ik schreef mezelf in, in het register (er was niemand) en zag de verdere week eigenlijk niemand van de staf. Dat is wel wat typerend voor hier. Hoewel dat heel relaxed is, is het ook een beetje de Afrikaanse stijl die hier heerst. Het is een super mooie plek, paradijsje, maar de Zwitserse eigenaren hebben duidelijk de puntjes niet meer op de i. Er zijn veel kranen die het niet meer doen, afvoerputjes die verstopt zijn, douches die stuk zijn, bomen die wild over het pad groeien, dat soort dingen. En er word niet veel aan gedaan. Beetje laat maar waaien cultuur die typisch Afrikaans is maar je niet hier in klein-zwitserland verwacht.

Ik heb het al eerder gezegd, het lijkt hier India wel. Je moet je worstelen door het verkeer, vechten voor je plek op de weg. Maar, je moet het ook relaxed doen en je niet opwinden. Dat is in grote delen van Azië ook zo. En ik kreeg helemaal een deja-vu toen ik zag dat er hier TATA busjes reden. Het Indiase merk doet het blijkbaar ook goed in Afrika. De wegen zijn ook vergelijkbaar, gelukkig rijden ze hier iets beter.
Bestede zo een luie week op in en rond de Zebrabar. Lag wat aan het strand, op een rustig plekje waar niet te veel lokale je dingen kwamen aansmeren. Keek rustig naar de pelikanen die vrolijk dobberend langs kwamen drijven, de duizenden krabben die als maar bezig zijn gaatjes te graven, om dan vervolgens het uitgegraven zand te gaan onderzoeken op eetbaars. De vogels die aan het vissen waren door met een gigantische plons van 30 meter hoogte het water in te vallen. Zo af en toe kwam er eens een vissersbootje het strand op, om zijn vangst op te eten, of als het veel was te verkopen. Het was af en toer ongelofelijk wat ze vingen, de hoeveelheid en de grote van de vissen.

Het aantal krabben was gigantisch
Achter in mijn hoofd zat nog wel steeds het idee dat ik dat nationale vogelpark moest bezoeken. Maar om er te komen moest ik weer langs die irritante politie controle en daar had ik niet zo’n zin in. Toen ik dan ook na een week een mail van de Nederlandse ambassade kreeg dat mijn paspoorten klaar waren, reed ik niet naar het Nationale park, maar terug naar Dakar. Ik had al genoeg vreemde vogels gezien.
Verbleef ik weer 3 dagen op de oh zo drukke parkeerplaats in het centrum. De parkeerplaats waar er midden in de nacht, op 5 meter afstand, een zware goederen trein passeert. De eerste keer dat me dat gebeurde dacht ik dat de wereld verging.

De trein, 3 meter van mijn bed vandaan. Gelukkig reed hij niet al te vaak.
Haalde mijn paspoorten op. De Nederlandse ambassade in Dakar had alles netjes voor elkaar en werkte snel en efficiënt. Wat een verschil zit er toch tussen ambassades. Ieder geval mijn complimenten voor die in Dakar.
De Nederlandse ambassade zit overigens dicht bij die van de USA. De toestanden die de Amerikanen er van maken tonen wel aan dat ze of erge angst hebben of redelijk paranoïde aan het worden zijn. Of allebei.
Deed een poging mijn oude laptop te laten maken en bezocht eindelijk het eiland Gorê, wat een paar kilometer voor de kust van Dakar ligt. Dit eiland werd vroeger gebruikt voor de verscheping van zwarte slaven richting Amerika. Ook Nederland heeft daar een grote rol in gespeeld, getuige de grote foto’s van een zekere adm. de Ruiter die in het museum aldaar hing. Iets denk ik, waar we in Nederland niet echt trots op hoeven zijn.
Verder was het eiland een grote toeristische val die me erg deed denken aan olifant-eiland voor de kust van Mumbai. Maar toch leuk om een keer gezien te hebben. Trek er echter niet al te veel tijd voor uit.

Het oude fort op Gore, met Dakar op de achtergrond
Wilde naar the Gambia, en vandaar uit via Senegal naar Mali. Wist eigenlijk niet goed of ik daar een visa voor nodig heb. Heb veel op internet lopen zoeken en vind allerlei tegenstrijdige informatie. Een daarvan is dat je een 5 daagse visa bij aankomst kan krijgen die je dan in een grote stad met verlengen. Omdat de ambassade van Mali in Dakar nogal uit het centrum zit besloot ik het er op te wagen en zonder visa straks daar aan de grens te komen.

In Senegal ben je ‘lid’ van een clan of brotherhood. De twee meest bekende daarvan zie je overal afgebeeld. Op muren, op auto’s, binnen winkels, veel mensen dragen hun foto’s voor op hun borst, overal hangen de afbeeldingen van Ibra Fall (ook wel lamp fall genoemd) en Amouda Bamba. Je moet ze vergelijken met geestelijke die een soort van directe link naar God hebben. Hun opvattingen lopen niet altijd gelijk met het Islamitisch geloof. Maar de clans zijn erg machtig en niet te onderschatten.
De moderne jeugd echter, heeft zijn eigen goden. Dragen de volwassenen de foto’s van hun brotherhood helden op hun buik, de moderne jeugd heeft foto’s van 2-pac of 50-cent op hun riem, broek of tas geplakt. Ook de rapmuziek die ze ‘ zingen’ is immens populair. Gelukkig verstaan de meeste Senegalesen niet dat die rappers het over moord, dood, verkrachting en de verering van de duivel gaat. Of misschien juist wel?

Over verering van de duivel gesproken, de kruiden doktor is hier nog steeds belangrijk aanwezig. Vrijwel alle lokalen die ik rond het strand van de Zebrabar ben tegen gekomen, droegen wel een kruidenbuiltje, amulet of andere item wat bescherming tegen boze geesten moet geven. Meestal om hun middel, een builtje met wat kruiden of andere geneeskrachtige materialen. Vaak nog vergezeld van een amuletje .

Dit kruidenbuiltje beschermt tegen boze geesten en ongeluk, het amulet er bij versterkt het nog eens
Reed in de ochtend van de 17e al heel vroeg Dakar uit, het was nog donker. Ook dit keer had ik goed gegokt, was binnen een uur heel Dakar door. Eenmaal de stad uit was het weer lekker rijden alhoewel de temperaturen langzaam elke dag wat omhoog gaan. De dikke walmen luchtverontreiniging liet ik achter me en de schonere lucht deed me goed. Op de auto lag nog een dikke laag met onduidelijk stof. Een aandenken aan een grote stad.

En het dan vreemd vinden dat je door je assen gaat..
Het zuiden van Senegal bestaat uit een soort savanne achtig landschap. Niet echt spectaculair, al hoewel de enorme boabab bomen wel erg opvielen.
Kwam nog een soort nationaal park tegen, het reservaat van Bandia. Keek eens bij de ingang rond en vroeg wat informatie en kreeg er niet echt een lekker gevoel over. Er zouden giraffen en neushoorns en zo lopen, maar of ik zonder problemen met mijn auto er rond kon rijden, daar deden ze een beetje vaag over. Dat, tezamen met de best wel hoge entreeprijs (50 euro), en het feit dat ik , als ik in Nederland zou zijn, ook niet naar de Beekse bergen zou gaan, deden me door rijden.
In Kaolak aangekomen was het er een enorme verkeer chaos omdat ze de doorgaande weg aan het opbreken waren. Omleiding bestond uit een ‘ je mag er niet in’ bord. Waar je wel naar toe moest was gokken. Lang leve de GPS. Dook dus op goed geluk ergens een straat in en kwam midden in het centrum van de stad en markt terecht. Dat koste een uurtje, maar ook dat overleefd. Tussen Kaolak en de grens met The Gambia waren er hele stukken weg super slecht. Het was ook nog eens erg warm. (38 graden in de schaduw). Toen ik dan ook om 3uur een heel mooi parkeerplekje midden in de savanne zag, dacht ik…pik in, het is zomer, ik ga buiten zitten uit stomen. Het was nog zo’n 30 km tot de grens, die moest maar tot de volgende dag wachten.
Vroeg aan de grens natuurlijk de volgende dag, en dat leverde op zich geen problemen op. Moest voor het lessé-passé aan de Gambiaanse kant 250 Dailasi betalen (8 euro) en ik ontweek alle andere verzoeken, en dat waren er nogal wat. Ik kreeg maar 3 dagen inrijd toestemming en als ik langer wilde blijven moest ik het in Banjul, de hoofdstad, verlengen. Was er niet echt blij mee, ik bedoel wat kan je nu in 3 dagen doen. Omdat het donderdag was, betekende het eigenlijk dat ik het gelijk moest gaan verlengen, beetje geneuzel en geldklopperij allemaal. Hoe dan ook, was al bijtijds bij de weegbrug voor de beruchte ferry. Volgens hun was mijn auto 9 ton (kan wel kloppen) en dat koste 14 euro. Er is geen brug over de Gambia rivier. Deze is namelijk 5 km breed en voor een arm land niet op te brengen om een brug te maken. Er varen dus twee kleine ferry boten heen en weer. Echter is het aantal mensen en auto’s dat over wilt steken groter dan de ferry’s aan kunnen en dan weet je het wel. Puinhoop. Maar wel een puinhoop op Afrikaanse manier. Ik had de dag er voor een email van Bruno & Adriaan gehad, die hadden 8 uur in de rij gestaan. 8 uur, daar had ik niet zo’n zin in. Toen ik dan ook bij de ferry aankwam en de rij vrachtauto’s zag staan, besloot ik om mijn principes aan te passen en hier en daar wat kleine hoeveelheden pegels achter te laten, om zo de corruptheid maar eens voor me te laten werken. Na twee keer schuiven, stond ik als eerste in de rij. Maar, nog niet op de boot. De loading-master wilde ook gesmeerd worden, dus passeerde er een derde keer een biljet van hand tot hand. Steeds niet veel geld, een Euro-tje hier, twee Euro-tjes daar. De man die het regelde kreeg een flesje parfum en een (kapotte) zaklamp, maar het gevolg was wel dat ik binnen 35 minuten op de ferry stond. Eenmaal met de auto op de pont, was er blijkbaar het praatje rondgegaan dat deze toebab teveel geld had. Dus achtereenvolgend kwamen nog de kapitein van de ferryboot, de machinist, het hulpje veiligheidsdienst en een grote neger die ik weet niet wat deed allemaal afzonderlijk zeggen dat ze toch echt geld van me tegoed hadden. Je snapt, ik had de knip gesloten, ik stond op de pont en knappe jongen die me er nog af kreeg. Maar het is wel kenmerkend voor Gambia, want iedereen en overal wordt er aan je getrokken. Iedereen wil profiteren, en op een gegeven moment begint dat vervelend te worden. Anyway, de overkant zonder kleerscheuren bereikt te hebben moest ik me door Banjul worstelen door gigantisch slechte straten. Vond na wat zoeken Sukuta camping. Gerund door een Duits stel was het een oase van rust. Maar wel een Duitse rust. Het was duidelijk dat er regeltjes waren. Overal hingen bordjes wat wel en niet mocht. Toen ik een gloednieuwe wasmachine zag staan midden op de camping, en er niks bij stond, ging ik er van uit dat dat voor de camping gasten is. Propte de vuile was er in en hoppa, wassen met die zooi. Oops, Na 15 minuten kwam de Duitse vrouw mij vragen of ik aan het wassen was. Hierop was ze zeer verongelijkt, bijna boos. Haar man bitste gelijk dat ie er morgen een ketting op zou zetten, terwijl de vrouw me mede deelde dat dat toch echt niet de bedoeling was. Het was hun prive wasmachine, en hoe haalde ik het in me hoofd….. enfin, de sfeer was er dusdanig door bedorven.
Het verlengen van mijn auto-toelatings papieren was de volgende dag vrij probleemloos. Pakte een taxi naar de Douane. Ook de taxichauffeur begon me te bewerken op zijn Afrikaans. Hoe moeilijk hij het wel niet had, hoe weinig geld er wel niet was, hoe duur een zak rijst wel niet koste….blabla Typisch voor Gambia, maar ik ben er niet zo van onder de indruk. Wel leuk was de opmerking die hij maakte toen ik per se zijn telefoon nummer moest opschrijven voor het geval ik nog eens een taxi nodig had. Hij zocht naar een pen, vond er eindelijk een in de zooi van zijn auto, maar die deed het niet. Ik pakte mijn en uit me borstzakje en gaf hem die, die werkte gelijk. Kijk zegt ie, daarom houd ik nou zo van witte mensen. Die hebben altijd alles goed voor elkaar.

Was ieder geval al vroeg in de hoofdstad Banjul, omdat het vrijdag was en de douane dus alleen in de ochtend open zou zijn en daarna op zaterdag en zondag dicht. MOEST het dus echt vandaag doen. Dat hele proces duurde 5 minuten. Betaalde een of andere vaag figuur 150 Dailasi. Hij vroeg er 400 maar zoveel geld had ik niet eens bij me. Achteraf kreeg ik wederom het gevoel dat ik eigenlijk helemaal niet had hoeven betalen, maar dat, door wat geld bij de juiste persoon achter te laten, het proces 10x zo snel ging.
Liep wat rond in Banjul. Dat is dan wel de hoofdstad van Gambia maar voelde aan als een dorp. Er was veel gesloten, waarschijnlijk omdat het vroeg en vrijdag was, maar alles ging rustig, er was niet zo veel verkeer, de straten bestonden uit zand of gravel. Mijn zoektocht naar een pin automaat die Nederlandse bank kaartjes accepteerde was zonder resultaat. Wisselde 20 euro in Dailassi en was eigenlijk wel snel uitgekeken. Tuurlijk, de markt is leuk om te zien, maar men verkocht er niet anders dan andere markten. Nou ga ik meestal naar een markt om mensen te kijken maar die waren ook niet spannend. Was dus weer snel terug bij de auto.
De taxirit terug was apart. Bij een politie controle werd mijn taxichauffeur er tussen uit gepikt. Zowel agent als chauffeur zaten te lachen, maar de man moest toch mee. 5 minuten later kwam de taximan terug om een biljet van 50 in zijn rijbewijs te duwen en deze te overhandigen. Een kwartier later waren we weer op weg, een glunderende taxichauffeur naast me. Begreep er niks van dus vroeg hem om uitleg.
Het bleek dat hij, een half jaar geleden ook eens aangehouden was. Ook toen vroeg de politie om geld. Dat had ie echter niet, dus de hoofd agent had hem bevolen om de sleutels van zijn auto aan hem te geven en terug te komen als ie geld had. Te taxichauffeur gaf echter een andere sleutel af, vroeg toen aan een hulp agentje om te helpen zijn auto aan de kant te duwen (hij had immers geen sleutel meer ahum). Terwijl dat hulp agent aan het duwen was, spong de taximan achter het stuur, startte de motor en reed weg. Hier had mijn taxichauffeur al een half jaar plezier van, maar het vervelende was dat elke keer bij een controle, zijn gezocht moest verbergen in de hoop niet herkend te worden. Helaas werd ie dus vandaag herkend. De hoofdagent, die zijn sleutel nog steeds had, na een half jaar, kon er ook allemaal wel om lachen. Immers had een van zijn eigen agenten de auto aangeduwd, en dat was hilarisch. Die man, die er ook nu weer was, werd dus vrolijk uitgelachen door iedereen. Ik ben echt blij dat ik nu herkend werd zei mijn chauffeur. Immers heb ik nu de boete betaald en ben ik vrij. Hoef me niet meer te verbergen.

Maakte bij terugkomst maar een praatje met de Duitse camping eigenaars. Wilde de sfeer ook niet zo laten. Gelukkig zagen ze nu wel in dat de wereld niet vergaan was, en alles was weer goed.
Een van hun bediende, een stelletje zeer slome dames, had in de keuken een flinke rat gevangen. Deze werd vakkundig gevild, in stukken gesneden en gekookt. Een toerist en twee lokalen hebben er heerlijk van zitten smikkelen. Volgens de Engelse toerist was het best lekker. Beetje taai, maar zeker te doen.

Als je zo door Senegal of The Gambia rijd, dan worden er vanaf de kant van de weg erg vaak het woord Toebab naar je geslingerd. Veel kinderen schreeuwen het in het voorbijgaan. Niet als scheldnaam, maar denk ik in de hoop dat je stopt en ze een cadeau geeft. Ik heb me laten vertellen dat het woord Toebab synoniem is voor ‘ witte’ of ‘ blanke’ . Eigenlijk is het wel een beetje vaag. Ik bedoel, kan je je voorstellen dat als je bij jou in de stad of dorp bij de Albert Heijn staat, en er een neger staat, je heel hard ‘ hé zwarte’ roept. Doe je toch niet. Waarom omgekeerd dan wel?

Langs de kant van de weg wordt gewaarschuwd om niet te hard te rijden, dat is gevaarlijk. Duhhh. Alleen noemen ze het hier niet speeding, maar overspeeding. Soort van , je mag wel hard rijden, maar niet oer-hard. Grappige termen die Afrikanen.
Ook in the Gambia zijn er veel politie controles. Heb ook al wel door dat boos worden bij zo een controle helemaal geen zin heeft. Likken, slijmen, slijmen en kwijlen, dat doet het veel beter, en dat geld al vanaf Marokko eigenlijk. Zal ik je eens wat zinnen geven die ik al uitgekraamd heb bij politie controles (en het goed deden): -Eigenlijk is het zonde, dat een intelligent persoon als u gewoon alleen maar auto’s staat te controleren.
-Nee…. Volgende keer als ik langs kom neem ik een mooie blonde vrouw uit Nederland voor je mee.
-Hier is me kaartje, kom me maar opzoeken in Nederland.
-Ik heb respect voor U. Dat U zo in deze warmte toch op zo’n nette manier Uw werk nog kan doen.
-Nee mijnheer, bij ons in Holland zeggen ze altijd dat de politie je beste vriend is, dus dat vind ik hier ook.
-Ach mijnheer, ik zou graag met u van positie willen ruilen. Het is echt jammer dat ik nog zo ver moet rijden anders had ik het echt wel gedaan.
-Als ik morgen terug kom over deze weg, dan heb ik echt een leuk cadeau bij me voor je.
-Welke drank drink je het liefst dan?
-Doe vooral de groeten aan uw vrouwen en kinderen.
-Ach mijnheer, ik ben maar een arme vrachtwagen chauffeur.
-Het kan nooit echt lang meer duren voor U commissaris bent.
-InshAllah
-Weet u de weg naar xxxx (doet het ook altijd goed als afleiding manoeuvre)

Een dag later reed ik naar Frans&Gabrielle. Twee Nederlanders die, net als ik, met een lange reis begonnen in hun Unimog. Alleen zijn ze al vrij snel blijven hangen in The Gambia waar ze een kliniek runnen in een plattelands dorpje. Gabrielle was vanwege familie omstandigheden in Nederland, dus na een zoektocht over zandweggetjes en paadjes, kwam ik bij Frans aan. Ze hebben er een stukje land gekocht, een huisje opgezet en wonen er midden in de natuur. Omgeven door redelijk veel bomen (voor dit deel van Afrika), 3 ezels, 3 schapen, een flink aantal kippen en andere vogels, een hond, tientallen eekhoorntjes, patrijzen en andere dieren, wonen ze er erg mooi. We lunchte samen. Ze hadden pas frikadellen en kroketten ergens gevonden, dus daar zaten Frans & Casper midden in The Gambia aan de frikadel speciaal. Dat was lekker.
Een lopende rondtocht door een deel van het dichtstbijzijnde dorpje leerde me veel over het leven in Afrika. Dat de vrouwen het meest van het werk deden wist ik al wel. Dat elk dorp een soort van dorp-baas heeft ook al wel. Maar niet dat deze dorp-baas een grote invloed heeft op het dorpsbestaan. Dat hij conflicten oplost, dat hij landdeals bezegelt, dat de meest van zijn acties in een groot boek worden geschreven om evt. later als geschreven bewijs te dienen. Vroeger was grond hier vrij. Als een persoon naar een stuk grond ging dat nog niet bezet was, dan zette hij er een omheining om heen, en dan was het van hem. Hij moest er wel zelf wonen, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij zo meerdere lappen grond zou gaan bezetten. Als er iemand anders binnen zijn zgn. compound wilde gaan wonen, dan werd dat besproken en als goedgekeurd dan kreeg hij een stukje grond toegewezen en mocht ie daar zijn huisje bouwen. Zo werd een dorp gevormd en de originele stichter blijft zijn leven lang dorpsbaas, hierna zijn kinderen. Als een van de kinderen een slechte baas is (kan gebeuren), dan verpieterd het dorp, zo gaat dat.

In en rond het dorp veel cashew en mango bomen. Beide waren zwaar behangen met oogst. Volgens Frans leverde een grote zak cashew al gauw 800 Dailasi op, best veel geld. Heb nooit geweten dat er 8 verschillende cashew noten bomen zijn, met verschillende soorten noten.

De mango bomen zijn ook een welkome schaduw verschaffer. Immers zijn de bomen groot en breed en kan er geen zon door heen komen.

Omdat ook hier de rivier niet ver verwijdert is, is er grondwater genoeg. Er word dan ook, op een afstandje van het dorp, lekker in de grond geploeterd om wat te oogsten. Zoals gezegd wordt dat door de vrouwen gedaan, immers moeten de mannen toch veel belangrijkere dingen doen (maar geen idee wat).
Op het platteland van The Gambia zie je wat er met het goedbedoelde geld gebeurt, wat door Nederlanders, en andere volkeren, vaak geheel belangeloos word ingezameld. Van dat geld rijden de hulpverleners rond in dikke 4-wheel drive auto’s. Die wonen meestal in een compound, oftewel een afgeschermd woonerf, waar dan ook meestal alleen maar andere blanken wonen. Zo is men goed afgeschermd van het normale volk, het volk wat men zou moeten helpen. Je zal die ellende maar elke dag zien, nee, dat gaat te ver. Zo eens in het jaar, als er sponsors op bezoek komen, komt men in actie. Dan wordt er een put geboord of een watertoren geplaatst. Of als je geluk hebt wordt er ergens een gebouwtje opgeleverd wat straks een kliniek moet worden. De pers er bij. Een paar hoge omes uit de regering, de foto’s worden genomen, de handen geschud. Men slaat elkaar op de rug, ‘ dat hebben we toch maar weer mooi geregeld voor die arme Afrikanen’. De volgende dag staat dat natuurlijk groot in de krant.
Wat dan niet de kranten haalt, is dat ook de volgende dag (of de volgende week) de zonnepanelen van de watertoren worden gestolen, of de waterpomp van de put kapot gaat. Ook altijd leuk is dat het gebouw van de kliniek er eindelijk staat, alleen is er nu geen geld meer om medicijnen te kopen of medisch personeel in te huren. Geen hond die er dan naar kraait. En dan zitten die afrikanen weer zonder water en of medische verzorging. En het ingezamelde geld van klas 2d van de Blabla Mavo is naar de haaien. Maar… de hulpverlener stond in de krant, en dat kan ie toch mooi weer thuis laten zien..

New and improved…the hulpverlener special clinic zoal het niet hoort maar vaak gaat
Frans en Gabrielle doen het anders. Ze helpen niet om er beter van te worden, zoals veel hulpverleners helaas, maar om een verschil te maken. Ze hebben zich het lot van een van die wegkwijnende klinieken aangetrokken. Op het platteland van The Gambia hebben zij hun plannen uitgewerkt. Frans, met zijn gezonde Hollandse nuchtere verstand en Gabrielle met jaren ervaring in de gezondheid zorg. Tezamen met de lokale bevolking, met de dorpsoudsten en met heel veel doorzetting vermogen en uithoudingsvermogen, hebben ze de kliniek niet alleen opgeknapt, maar er ook voor gezorgd dat er medisch personeel is, dat er medicijnen zijn, en, en dat is erg belangrijk, dat er continuïteit en een toekomst in de kliniek zit, ook als ze het zelf niet meer zouden overzien. Geheel zelfstandig durven ze het nog niet te laten, maar de gedrevenheid van Frans meegemaakt hebbende durf ik wel te zeggen dat ik daar vertrouwen in heb. Ze helpen elke dag zo’n 30-40 patiënten en dat aantal is groeiende. Het merendeel van deze patiënten heeft malaria, maar er zijn ook veel (brand) wonden, bevallingen en de nodige ongelukken en andere ziektes. Ik heb met eigen ogen gezien hoe de kliniek liep en heb er alle vertouwen in dat deze bij zal dragen aan het verbeteren van de gezondheid van deze Afrikaanse mensen.

De kliniek, door Frans en Gabrielle zelf met de hand weder opgebouwd.
Ik ben normaal heel sceptisch tegenover hulpverleners maar vraag bij hoge uitzonering toch diegene, die dan echt andere willen helpen, en echt willen weten dat het geld ook gebruikt word voor hulp (en niet voor dure SUV’s of dikke salarissen) om te overwegen wat bij te dragen aan het goede doel van Frans en Gabrielle. Dit kan zowel door gewoon wat op een bankrekening te storten (simpel, snel en efficiënt), of misschien werk je wel in de medische industrie en kan je wat geneesmiddelen regelen, of verband, enfin, alles wat voor hulpverlening nodig zou kunnen zijn. Ik garandeer je dat het goed terecht komt. Bankrekening nummer: 11.02.31.252 Van de Rabobank te Valkenswaard en Waalre t.n.v F.J. Sak e/o G.L.C. Sak-Stolwijk Mededeling: Caring Hands Health Centre, The Gambia

Van Frans had ik de tip gekregen dat er naast het malariaprofylaxe Lariam, ook andere middelen zijn die goed werken. Hij gebruikt zelf Pyrimitrine, wat je ook maar eens in de week hoeft te slikken, en hij had er goede ervaringen mee. Omdat lariam behalve erg duur, ook nogal wat bijwerkingen heeft (je wordt er gewoon langzaam gek van) kocht ik een doosje Pyrimitrine om te proberen. In plaats van mijn wekelijkse Lariam, nam ik nu een andere dosis chemische rotzooi. Dat heb ik geweten. Was de volgende dag zo ziek als een hond. Voelde aan alsof ik hoge koorts had (wat ik niet had), hoofdpijn, rugpijn, misselijk. Besloot maar niet te gaan rijden en bleef een beetje lamlendig in mijn auto aan het strand hangen. (voor collega overlanders, rijd het straatje van el Piroque beach bar in, dat pad loopt tot aan het strand waar je vrij kan staan). In de middag ging het iets beter en in de avond durfde ik zelfs wat te gaan eten. De volgende ochtend, na een nacht van bijna 11 uur slapen, was ik weer zover opgeknapt dat ik dacht, ik ga rijden. Omdat Gambia niet groot is, ben je zo bij de grens met Senegal. Aan de Gambiaanse kant was het zo gepiept. Auto papieren inleveren en stempeltje in paspoort. Aan de Senegalese kant ging het iets stroever. De man die mijn klessebessen papiertje moest maken, zag een kopie van mijn oude lessé-passé. Dat was dom van me. Hij keek er op, zag dat ik 25 februari voor het eerst Senegal binnen gekomen was, en besloot dat ik eigenlijk niet meer Senegal in mocht met mijn auto. Je mag, inclusief verlengingen, maximaal 40 dagen in Senegal rijden, ik dacht, daarna ga je er uit, en kom je terug om een nieuw papier te halen en hoppa, je hebt weer 40 dagen. Maar, zegt die man achter het bureau, die nogal boos werd en erg verbolgen was, dat gaat niet. Je mag één maal 40 dagen, en dan is het over. Dus eigenlijk moet ik je terug naar Gambia sturen. Hij zei het met verheven stem en grote opengesperde ogen. Ik schrok van zijn woorden en de manier waarop hij het zei. Ik denk, straks haalt ie zo’n machete van onder zijn bureau. Wist niet dat het zo’n halszaak was en stammelde wat in mijn beste Frans. Ik weet nog steeds niet precies hoe het gebeurde, maar plots begon hij een nieuwe lessé-passé uit te schrijven en zegt, ik geef je 10 dagen tijd om mijn land te verlaten en geeft me het nieuwe papier. Ik betaal hem de 2500 CFA, geef hem 3x 1000 en zeg houd maar. Hij wilt mijn extra 500 niet en stuurt een slaafje om geld te wisselen. Hierna loopt ie weg, gaat buiten op een stoel zitten en toen ik wat verbouwereerd langs hem heen liep, was het ineens een goedzak en begon ie wat over Nederland en reizen en zo te kletsen. Het was ineens een geheel andere man. Raar toch dat zo iemand achter zijn bureau een eikel is , maar er buiten weer een aardige peer. Zou het gewoon zijn dat ie op zijn strepen wilde staan, even laten voelen dat ie macht had? Ik weet het niet. Maar ik dankte hem nogmaals en liep snel naar de immigratie voor mijn inreis stempel. Overigens zag ik later dat de man, op het lessé-passé mijn oude paspoort nummer had geschreven, terwijl de inreis stempel in mijn nieuwe paspoort staat. Daar kan ik bij het verlaten van Senegal nog wel eens problemen mee krijgen, maar dat zien we dan wel weer.

De weg in Senegal begon slecht. Ik had een route uitgestippeld die deels over de hoofdweg liep (Trans Gambia en Senegambia wegen), deels binnendoor via kleine wegen. De hoofdwegen waren over het algemeen erg slecht. Erg veel gaten in de weg, soms zo veel dat er tussendoor rijden niet meer lukt en je hele stukken vaartjes van 10 a 20 km moest rijden. Grote geruststelling was dat ze al wel alle gaten met witte verven hadden gemarkeerd. Helaas waarschijnlijk al 5 jaar geleden, en helaas blijft het bij markeren.

Gatenkaasweg in Senegal.
De termieten heuvels worde steeds groter. Durf me auto er niet zo goed naast te zetten voor een leuke foto, want die zandheuvels komen van ondergrondse gangen, en daar kan de auto wel een inzakken als ik er naast sta. En dan wordt ik door de termieten opgegeten.

Termieten heuvels van een paar meter hoog zijn geen uitzondering.
Vraag een Afrikaan nooit hoe ver iets is. Heb al meerdere malen nu mee gemaakt dat ze er ECHT vet naast zaten. Vandaag ook weer, ik moest ergens rechtsaf, ik vroeg het, hij zegt, oh, over 5 km of zo. Dat bleken 70 km te zijn, een heel verschil. De gemiddelde Afrikaan heeft geen idee hoeveel een kilometer is. Handiger is denk ik om te vragen hoeveel tijd het duurt om er te komen.

Het laatste stuk hoofdweg was link. Hier waren in de afgelopen maanden een aantal keren overvallen geweest. Dit door een of ander groepering die zuid Senegal af wil scheiden van Noord Senegal, en die hadden auto’s gestopt en alles maar dan ook alles gejat. Ook van toeristen. Ze namen niet de auto mee, maar wel alles wat er in zat. Al je geld, papieren, computers enfin, alles. De regering is daar nu alert op en er zijn veel militairen in het gebied. Elke paar kilometer staat er een sjakie met machine geweer, en dat geeft wel een iets veiliger gevoel. Ben ook maar gaan lunchen naast een jeep met grote mitrailleur en 6 soldaten, je weet maar nooit. De wegen zijn hier in dit deel van Afrika niet echt druk. Op de hoofdwegen kom je om de paar minuten eens een auto tegen, op de kleinere wegen nog minder. Tenzij je natuurlik in de grote stad bent. Maar daar buiten is het tot nu toe altijd nog rustig.
Reed naar Kolda, en halverwege werd de weg beter. In Kolda aangekomen nam ik de kleine weg naar Fafakourou. Dat bleek een zandweg te zijn maar wel een van redelijke kwaliteit, dus karde ik een 20 tal kilometers richting oosten en plantte toen mijn auto in een veld om af te koelen. Dat gaat steeds minder goed moet ik zeggen. Pas om een uur of 11 kwam er af en toe een vlaagje windje opzetten, echt koel werd het er niet door.
In Afrika lopen de mensen, net als in Azië, liever niet in het donker buiten. Er kunnen maar geesten zijn, of andere enge dingen, dus dat doen ze liever niet. Als je dus je auto net voor het donker ergens neer plant, is de kans groot dat je rustig slaapt.

De volgende morgen vervolgde ik mijn zandweg. Tot Fafakourou was 20 km en daarna nog 40 km door naar Velinggara. Dat moet snel te doen zijn dacht ik. Nam een lifter mee die om 8 uur in de ochtend midden door het onherbergzame gebied liep. Deze jongeman bleek van Kolda naar Fafakourou op weg te zijn. Lopend. Hij was vanochtend heel vroeg vertrokken , in de hoop dat ie Fafakourou vandaag zou halen. Het is 45 kilometer, en de kans om een lift te krijgen is erg klein omdat er vrijwel geen verkeer is. Hij vermoede dat er per dag 5 auto’s over deze weg rijden.
Hij was werk wezen zoeken maar had niks gevonden. Een maand eerder was ie naar Guinee gelopen, 6 dagen lopen, ook om werk te zoeken. Ook dat was tevergeefs geweest.

Overigens zijn er veel lifters in dit deel van Afrika. En dat is soms moeilijk. Je rijd op wegen waar heel weinig verkeer is, en dan wil je eigenlijk wel iemand mee nemen. Maar heb het meegemaakt dat er een iemand stond en toen ik stopte, de hele familie tevoorschijn getoverd werd. Moeilijk is ook de militairen of politie agenten die liften. Kwam vandaag een militair met een groot geweer tegen, hij stond half op de weg zijn hand uit te steken naar me. Wat moet je dan doen. Ik reed door, verwachte elk moment een kogelgat te gaan zien.

Op dit soort wegen kom je de ouderwetse ambulante handel tegen. Dat zijn mensen die een fiets als winkel hebben ingericht. Helemaal vol geladen met goederen rijden ze zo van dorp naar dorp. Dorpen die zo afgelegen zijn dat dat soort handel nog interessant is. Plastic potjes, handdoeken, haarspelden, fietspompen, sokken, schoenzolen, dat soort spul. Daarvan krijg je een hoop op een fiets als je flink propt hoor.
Zaten vaak en veel apen in het bos langs de weg. Ook van die hele grote, met van die grote billen. Moet je geen ruzie mee krijgen lijkt me.

Bij Fafakourou verliet de lifter mijn auto en hield ook de weg op. Dat was minder. Op de kaart liep hij gewoon door. Lang leve de Michelin kaart. Grrrr. Bij navraag werd me verteld dat er wel een weg was, maar dat het niet makkelijk zou zijn die te rijden, hij was niet aangelegd of onderhouden zoals de afgelopen 45 km. Als inheemse dat al zeggen, dan ga ik dat lekker niet doen. Ik bedoel, ik ben maar alleen en als ik ergens vast kom te zitten dan sta je. Onbewust denk ik dat je minder risico’s neem als je alleen bent. Draaide dus rechtsaf om weer terug naar de hoofdweg te gaan, die volgens vele erg slecht zou zijn. Daar aangekomen (bij Dabo) lag er een superglad asfaltje en in mijn sas tufte ik verder naar het oosten. Tja, dan treed een van mijn eigen wetten op….’ als het asfalt goed is, kan het nooit lang duren’ . En dat klopte ook wel. 45 km voor Velingara begon gatenkaas en dat bleef zo tot ver na Velingara. Dat betekend laveren tussen de gaten, en als het niet anders kan, langzaam door de gaten heen. Was pas om 12 uur bij Velingara, terwijl het vanochtend nog zo dichtbij leek.

Na verloop van tijd kwam ik op een grotere weg (de weg naar Guinee). Die waren ze aan het asfalteren. Niet een stuk van 10 km of zo, maar gewoon de hele weg. Het leek wederom India wel. Gevolg, je moest van de weg af op een inderhaast aangelegde zandventweg, die, moet ik eerlijk zeggen, soms beter was dan de gatenkaas die ik eerder had. Stopte om alle kieren en gaten dicht te doen, want het stofniveau was hoog.

Mijn doel vandaag was Kampement wassou. Dit ligt in of tegen het natuurpark Du Niokolo-Koba. Had van andere gehoord dat het er goed toeven was. Eenmaal daar aangekomen was het al laat in de middag en erg warm. Geen zuchtje wind, 42 graden en droog. Het kampement ligt aan de rivier Gambia. Die stelde in de droge tijd wel niet zo veel voor, maar er zwommen wel een stuk of 6 nijlpaarden in, dat was leuk om te zien. Alhoewel…..die beesten liggen alleen maar in het water en om de paar minuten steken ze even de neus uit het water om adem te halen.

Even adem halen dacht deze kolos
Het was erg warm die nacht en ik sliep er slecht. De natuur maakte veel geluiden die ik niet kende, en ook veel die ik wel kende. De nijlpaarden brulde in de nacht, vogels deden vreemde lokroepen. Om half 6 denderde er een grote groep apen over het camp terrein. Die waren in een opgefokte stemmig. Hun roep klonk ergens tussen een hondenblaf en het woord Wahu. Dat schreeuwden ze om de paar seconde tegen elkaar, zonder zich iets van decibellen aan te trekken. Kan je verklappen, daar word je wakker van. Ook trouwens van die vogel die een kilometer verder waarschijnlijk door een ander beest werd verscheurd. Voor dat het beest het loodje legde, maakte ie half Afrika wakker, inclusief mijzelf uiteraard.
Om half zeven vond met het nodig de generator aan te zwengelen, en om 7 uur maakte een zwerm bijen me helemaal wakker. Dat is overigens erg vaag. Had het ook in Banjul al mee gemaakt. Elke morgen, in bepaalde bomen, komen hele zwermen, ik vermoed, bijen, bij elkaar om te vergaderen. Het is dan een gezoem van jewelste, een half uur later zijn ze allemaal weer weg. Rare jongens die bijen.
Vond het kampement mooi. Mooi aangelegd, veel groen en mooie bomen, maar het is erg duur (je werd verplicht er te eten), er was een groep Franse invliegtoeristen, ook niet echt sociaal, er stond een generator vlak bij mijn auto voor de waterpomp die ze te pas en te onpas aanzwengelde. Het ding maakte herrie en stonk, al om een plek die ik ieder geval niet meer zal bezoeken.
Door naar Tambacounda. Of eigenlijk terug, ik was er gisteren op een haar na, voordat ik afsloeg naar het kamp. Het bleek een flink dorp te zijn, warm en stoffig. Had dringend behoefte aan groente. De markt was vies, warm en stonk, en het aanbod niet geweldig. Scoorde toch wat tomaten, een komkommertje en wat wortelen en aardappelen en uien (yeaaahhh, een stuk klapstuk erbij en ik kan hutspot maken). Internet kon ik niet vinden, wel een ATM die werkte. Pinde dus nog even wat CFA’s, gooide me tank vol met diesel en karde richting Mali.
Vlak buiten Tambacounda een meute mensen op de weg. Minderde vaart. Zo te zien was er een ongeluk gebeurt. Er stonden veel mensen op de weg. Dit soort opstootjes zijn meestal link. Dat bleek ook nu. De mensen waren duidelijk opgefokt. Net toen ik dacht voorbij de meute te zijn, sprong er een duidelijk onder invloed zijnde grote neger met een grote kapmes in zijn hand midden op de weg. Ik probeerde langs hem heen te rijden maar omdat ik langzaam reed sprong hij op de treedplank en hield zich aan mijn spiegel vast. Hij keek me aan met enge rode ogen. Ik schrok en gaf gas, de man mee nemend terwijl hij aan de spiegel bungelde. Ik zag hem wat twijfelen, minderde gas zodat hij er af kon springen en gaf vervolgens weer gas. Ik had geluk dat ie onder invloed was. Hij maakte een zwaai met zijn kapmes naar mij en de auto, maar hij verloor zijn evenwicht en maaide in de lucht. Ik was door, maar mijn harte klopte dubbel zo snel.

Mali was eigenlijk niet zo ver meer (200 km of zo) maar had geen zin vandaag de grens over te gaan. Stopte dus her en der. Om een bakkie thee te doen, een fles water leeg te drinken of gewoon omdat ik zin had om te stoppen. In een van de dorpjes zette ik mijn auto onder een grote Boabab in de schaduw. Na een minuut of 5 hoorde ik fluisteren. Elke minuut klonk het dichterbij. Begreep er geen snars van, maar hoorde wel het woord Toebab erg vaak. Na een minuut of wat durfde het eerste kind zich te laten zien, en stammelde ‘ doné moi une cadeaux’ . Ik negeerde het jong, bleef achter mijn pc zitten om de waypoints van Mali in mijn GPS te gaan laden. Het ene jochie werden er twee, toen 4 en na 5 minuten was het kermis en stond het hele dorp voor mijn deur te jengelen. Wilde eens niet het grut weg jagen, dus stapte vriendelijk naar buiten en vertelde ze dat ik echt geen cadeaus had, dat ik moest werken en dat ik hoorde dat hun moeder riep dat het eten klaar was. Ja, als het moet kan ik best Frans poekelen, alleen kreeg ik niet het idee dat ze er iets van snapte of wilde snappen. Had net de vorige avond een zak Chinese snoepjes gevonden ergens onder, al enigszins over datum. Ze lagen pas 2 jaar in mijn auto, maar wel afgesloten. Koos het oudste jochie uit, een jaar of 12 en geheel kaal geschoren. Ik zeg, jij bent mijn broeder. Hier heb je een hand snoepjes: deel ze uit aan je vriendjes en vriendinnetjes, en laat me werken. Dat werkte goed, want ze gingen nu op een afstandje staan schreeuwen tegen de kale jongen. Ik was 4 minuten verlost, waarna ze weer allemaal voor de deur hingen. Er zat niks anders op dan te verkassen want ik zou nu waarschijnlijk nooit meer met rust gelaten worden. Reed dus nog een uurtje verder en zette de auto in de natuur op 50 km van de grens. Omdat het gisteren nacht zo warm was, en het vandaag weer 42 graden was, paste ik mijn tactiek aan. Na het eten koken (buiten) zwengelde ik generator aan en de air conditioning. Gisteren bleef de warmte echt veel te lang in de auto hangen waardoor het pas tegen de ochtend aangenaam werd. Nu zorgde ik met een paar uur A/C dat de auto van binnen koel werd voor ik ging slapen. Prima resultaat.

Dit deel van Senegal is groen. Nou ja, groener dan wat ik de afgelopen maanden gewend ben. Geen jungle, maar wel veel boompjes en dor gras. Tenminste, als de lokale bevolking het niet afgefikt heeft. Er word heel erg veel goed groen land afgebrand, vermoedelijk zodat men hout heeft voor de verkoop en eigen gebruik. Dat er hierna hele stukken kale grond ontstaan, dringt blijkbaar nog steeds niet tot de mensen door, en dat vind ik wel raar, gezien al die goedbedoelde hulpverlening in dit land. Als er niet afgebrand is, is de natuur mooi. Veel vogels in de meest prachtige felle kleuren. Vooral de diep blauwe zijn erg mooi, als ook de fel lichtblauwe met lange staart.

De laatste dag in Senegal was verder niet zo spannend. Heerlijk koel geslapen met 28 graden, maar was al vroeg wakker omdat er heel veel trucks langs kwamen. Ik dacht eerst een militair konvooi of zo, maar toen het wat licht werd en er nog steeds trucks reden, bleken het allemaal goederen trucks te zijn die waarschijnlijk ook naar Mali reden. Hield me hart vast. De laatste 50 km waren niets bijzonders. Leuk waren die grote dikke zwarte stoere mannen in een nog dikkeren Mercedes, die me voorbij stoven. 20 km verder stonden ze langs de kant van de weg, motorklep open. Ze waren ineens zo stoer niet meer. Ook passeerde ik de koelwagen met vis die ik gisteren in Tambacounda ook al had zien vertrekken richting grens. Die had onderweg ook pech gekregen. Zijn motor deed het niet meer, en ook zijn koeling dus niet. Denk dat ie de nacht aan de kant had doorgebracht, wachtend op hulp. De stank van rottende vis droop uit elke kier en hing als een rottend karkas om de auto heen. Blij dat ik niet de monteur voor deze auto niet was.
Bij de grens aangekomen stond het inderdaad helemaal vol met vrachtwagens. Langs de weg, op de weg, naast de weg, kilometers lange rijen van vrachtwagens. Zag het lijk al drijven. Ik reed zoals gebruikelijk de rijen vrachtwagens voorbij en parkeerde de auto pal voor de politie controle. Liep naar binnen, deed net alsof ik dit al honderden keren had gedaan, duwde mijn paspoort onder de snufferd van een stempelaar. Hij kijkt me aan alsof hij het in Timbuktu hoorde donderen en zegt….maar mijnheer, de stempel voor jou moet je halen bij het grenskantoor, en dat zit midden in de stad, twee straten zo, drie zandpaadjes zus, en dan rechtdoor. Stap weer in de auto en pers mezelf weer tussen de geparkeerde vrachtwagens langs. Vond inderdaad het kantoortje, helemaal achterin het dorp. De stempel was zo gezet, ik kon de zelfde weg weer terug. Wel raar trouwens, want ik kan nu zo in Senegal blijven met een uitgestempeld paspoort. Maar ja, wie wil er nu illegaal in Senegal blijven.
Reed de brug over de droge rivier tussen Senegal en Mali, gaf mijn Senegalese autopapieren af bij de douane, al roepend van ‘ het is toch wel goed zo he?’ , en zonder op antwoord af te wachten reed ik Mali in. Denk, controleer jij mijn paspoort nummer maar als ik weg ben…..

Informatie over Senegal.
Het land is 5 keer zo groot als Nederland en er wonen 11 miljoen mensen. Men spreekt Frans, en gebruikt als geld de CFA (Afrikaanse frank, die men in veel landen in oost Afrika gebruikt). 1 euro is ongeveer 650 frank. Een liter diesel kost 570 CFA, een wit stokbrood 150 cfa bruin 350. Flesje of blikje bier 33 cl kost 300-400 cfa, grote fles van 66 cl kost500-600 (beide in de winkel). Prijzen zijn uit 2010.
Het land kent een noord en een zuid deel, omdat het in het midden opgesplitst word door The Gambia. Alle Senegalesen zeggen dat noord en zuid zeer verschillend is.
Senegal is echt een Afrikaans land. De mensen zijn duidelijk relaxter dan in Mauritanië en zeker dan in Marokko. Ach, wat vandaag niet kan, dat kan morgen ook nog wel.
Doorgaande wegen in het noorden zijn over het algemeen goed. Wijk je er van af, dan kan je van alles treffen, van strak asfalt to modderige gatenkaas. In het zuidelijk deel van Senegal zijn de wegen duidelijk slechter.
Visa krijg je aan de grens (28 dagen) en voor de auto moet je een lessé-passé kopen aan de grens. Hiervoor moet je een klein bedrag betalen (2500 cfa). Deze lessé-passé is in eerste instantie 10 dagen geldig en is 2x met 15 dagen te verlengen, zonder al te veel problemen. Ik vroeg bij het opnieuw binnenkomen van Senegal vanuit The Gambia een nieuw lessé-passé, maar dat schijnt normaal gesproken niet de bedoeling te zijn. Informeer hierover van te voren als je dat van plan bent.

Het nationale gerecht is Thieboujen. Een soort heel klein korrelige rijst met vis en vissaus. Ik zelf geef er niet om, de meeste mensen eten het echter 3 maal per dag (als ze zoveel te eten hebben natuurlijk). Er is ook thiebouyapp, waar de vis voor vlees vervangen word. Dit word tijdens feestdagen en speciale gelegenheden gegeten. Dit is wel ok, maar niks speciaals. Veel lekkerder is de Poulet Yassar, een nationaal gerecht van Kip met héél veel uien gekookt in een citroen saus. Dat met rijst is een heerlijk maaltje.

E wordt veel gezeurd in Senegal en The Gambia. Mensen zijn zo gewend aan uitdelende blanke dat ze gewoon verwachten dat je cadeaus bij je hebt voor hun. Op het moment dat ze snappen dat er niks te halen valt, druipen ze of af, of het worden ineens heel andere mensen. Helaas meestal het eerste. Ik denk dat dit soort landen zichzelf er meer kwaad dan goed mee doet. Immers schrikt het veel mensen af als ze zo direct en brutaal gevraagd worden om te geven. Maar goed, het is nu eenmaal zo. Ik vond het af en toe storend maar meer ook niet. Denk dat je er aan begint te wennen naar verloop van tijd.

Informatie over the Gambia:
Ongeveer een vierde van de oppervlakte van Nederland, dus maar een klein landje. Echter is het geografisch nogal een vreemd land, omdat het zeer langwerpig is en overal in het midden doorklieft wordt door de Gambia rivier, die wel 5 km breed kan zijn. Er wonen 1.5 miljoen mensen. Er zijn veel buitenlanders (lees blanke), ik vermoed omdat men hier Engels spreekt, en niet Frans zoals in de meest omringende landen.
Voor geld gebruikt men de Dailasi. Ongeveer 35 Dailasi in een euro (in 2010). Een wit (stok)brood kost 20 Dailasi (bruin niet kunnen vinden), een krant 10 Dailasi. Liter diesel 32, een flesje bier (33cl) 25 Dailasi in de supermarkt, 35 in de kroeg. Visum krijg je aan de grens (28 dagen is normaal), voor je auto moet je ook een lessé-passé kopen, hier variëren de prijzen en lengtes van, afhankelijk van hoe warm het is, hoe de dienstdoende ambtenaar geslapen heeft en of je wel of niet vriendelijk lacht (lees schuift). Ik moest 250 Dailasi betalen voor 3 dagen, en om het te verlengen met 14 dagen (in Banjul) legde ik nog eens 150 neer, maar kreeg het idee dat dat in de vestzak verdween.

Er werd erg veel gezeurd om cadeaus, veel meer dan in Senegal. Elke politie post, elke taxichauffeur, vrijwel iedereen die ik sprak, begon wel een zielig verhaal te vertellen. Kreeg een beetje het idee dat ‘geld-uit-een-toebab-kloppen’ de nationale sport is. Moet wel zeggen dat ik, onderweg naar Gambia, tot 3 keer een konvooi met hulpgoederen deze kant uit zag gaan. En krijg dus het idee dat ze dat in Gambia wel prima vinden, en er moeite voor doen om die stroom op gang te houden. Dus vooral roepen dat je zielig bent. Vers uit Europa trappen vele daar natuurlijk en helaas in.

Het landschap in The Gambia is gevarieerd. Dit waarschijnlijk ook omdat alles nabij de Gambia rivier loopt, en er dus voldoende water is. Dicht bij de kust kan dat brak water zijn, maar hoe verder landinwaarts, hoe zoeter. Er zijn veel mooie vogels, veel insecten (waaronder veel muggen, malaria is zeker in het regenseizoen een probleem hier) .

The Gambia heeft een paranoïde president. Elke paar maanden wordt zijn kabinet weer omgegooid, of omdat hij vermoed dat er tegen hem wordt samen gezworen of omdat ie niet genoeg smeergeld van zijn collega’s opstrijkt (en hij vermoed dat de collega’s alles houden). Zo houd hij de boel in beweging en niemand is er lang genoeg om wat tegen hem te kunnen doen. Was getuige van een doortocht van de president naar het vliegveld. Uren van te voren stonden er militairen, waren er checkpoints en toen ie eindelijk langs kwam, reed hij een andere weg en waren de militairen een afleiding manoeuvre.