20100800 – Augustus 2010, Togo

Het is dit keer niet zo’n lang verhaal (ik hoor je al dankbaar zuchten haha).

Togo is eigenlijk niet een boeiend land. Ik hoef er dan ook niet echt meer naar terug. Dat wil niet zeggen dat ik niks heb meegemaakt hoor. Want in Togo heb ik meer bloed gezien dan in welk land dan ook, en ook de dooie staan nog op mijn netvlies. Hoe dat in elkaar zit, moet je zelf lezen…

De grens over tussen Ghana en Togo was redelijk probleemloos. Ik maakte me alleen een beetje zorgen over de kwaliteit van de weg. Terwijl ik in Ghana mijn uitreis stempels aan het halen was, keek ik over de slagboom richting Togo en zag dat het zandpad veranderde in een karrenpad, zo nauw dat ik me er echt doorheen zou moeten persen. Aan weerskanten groene bomen en, wat erger was, overhangende bomen die op afstand zo laag leken dat ik er niet onder door zou kunnen. Vroeg het aan de man van de immigratie. Ohh, geen probleem. Vroeg het daarna aan de man van de douane. Ohh geen probleem. Laatste keer vroeg ik het aan sjakie die de slagboom omhoog deed (en hier uiteraard geld voor wilde vangen). No problem. Zonder geld achter te laten reed ik bij het verlaten van Ghana bijna de slagboom er af en bijna over de tenen van de zeurende man. Bye Bye, zwaai zwaai riep ik.

Route door Togo

Route door Togo
Die bomen hingen inderdaad laag en ik moest me door een haag van takken duwen. Langzaam om geen schade op te lopen aan mijn dak. Immers heb ik van die mooie dakluiken boven op het dak, die steken een cm of 15 boven het dak zelf uit en zijn van plastic. Er liggen wat zonnepanelen op het dak, zou prettig zijn als die er ook bleven liggen. En zo langzaam door de bomen heen drukkend kwam ik na een km of zo bij de Togolese grens. Voorbij was het Engels, ik was weer in Bonjour, Sa Vas land. Ook hier waren de formaliteiten snel gepiept. Het verschil met Ghana was duidelijk. Hier vieze groezelige boeken die alleen voor buitenlanders werden open gemaakt. Mijn gegevens werden in diverse boeken in lange tabellen genoteerd. Er was geen elektra dus de schrijver moest het boek met een zaklamp bij lichten. De stempel voor in mijn paspoort kwam uit de zadeltas van de bromfiets van sjakie. De stempel voor mijn carnet, die was er niet. Die moest ik dan maar 15 km verderop in het volgende dorp gaan halen. Na het maken van een bakje koffie reed ik Togo in.

De weg was spannend. Small, veel overhangende takken, héél erg groen en erg heuvelachtig. Er lag zowaar asfalt. Weliswaar van voor de oorlog, maar omdat er zo weinig verkeer was waren de gaten nog niet zo mega groot. Men had ook pas een poging gedaan de gaten te vullen. Weliswaar met gewone klei maar toch. Af en toe was de weg erg steil met zeer scherpe haarspeld bochten. Ik hoorde van allerlei rare geluiden van onder mijn auto vandaan en vertrouwde het werk dat er in Accra aan gedaan was voor geen meter meer. Het kon zijn dat de vervangen rubbers wat moesten ‘zetten’en daardoor nu wat vage ‘’knoep’ geluiden maakte. Ik hield het daar maar op, meer kon ik er toch niet aan doen.

Veel ongelukken op de weg
Wilde proberen om vandaag naar Lomé te rijden, de hoofdstad van Togo. Ten eerste was het vandaag zondag en dat is het rijden door een grote stad altijd eenvoudiger. Ten tweede wachten Ralph en Iris op me bij de overlander meeting plek ‘Chez Alice’. We zouden eventueel samen door Nigeria heen rijden. Maar de laatste mail die ik van ze kreeg was wat vaag. Iets over een resort in Ghana wat ze over zouden kunnen nemen en dat ze er een bod op hadden gedaan.
Het stuk weg naar Kpalime waren ze aan het verbeteren. Gelukkig regende het niet anders was het een modder zooi geworden. Maar de weg was gelijk een stuk breder en omdat alles al gewalst was reed het heerlijk. In Kpalime waren ze ook veel wegen aan het opbreken. Vond een pin automaat om wat CFA franken te verkrijgen. Kwam al gelijk zo’n vaag ventje op me af. Tsssssss begon het gesprek. Dat is de manier om hier iemands aandacht te vragen. Nu reageer ik niet zo op dat slangen geluid. Als ze me willen hebben kunnen ze gewoon mijnheer zeggen haha. Maar het ventje begon al gelijk over dat ie mijn auto bewaakt had (ik was 2 minuten in de pin automaat, 5 meter verderop geweest). Hij zat ook alles met inbrekers ogen te bekijken en ik heb ook hem al zeurend langs de kant van de weg laten staan. Ik kan daar nooit zo goed tegen als mensen gelijk beginnen te zeuren. Niet eens vragen van hoe gaat het of waar kom je vandaag, of waarom ben je zo wit of zo. Nee, bam, doné moi l’argant. Het enige wat ze dan van me krijgen, is een stofwolk van een wegscheurende auto.
Eigenlijk was de weg naar Lomé vanaf Kpalime niet echt spectaculair. Ook viel het me op dat er vrijwel geen plek om te parkeren was mocht ik hier de nacht door willen brengen. Alle kanten waren dik begroeit, geen enkel veldje of parkeerplek dat geschikt leek. Hoop dat het in de rest van Togo makkelijker word anders wordt het nog een probleem om wild te parkeren.

In Lomé reed ik vrij makkelijk naar de kust toe. Lomé ligt aan de zee en heeft een vrij mooie boulevard en een erg mooi goudkleurig strand. Vanuit daar was het 15 km de kust volgen om bij Chez Alice te komen. Ralph en Iris stonden er ook, het was prettig weerzien en we konden gezellig bij kleppen. Er stond ook een Zwitsers jong stel. Die hadden net die dag hun auto in een container gestopt richting zuid Afrika. Ze wilden niet door Nigeria heen rijden en losten hun probleem zo op.
De volgende dag was het erg mooi weer, voor het eerst dat de zon in volle hevigheid bezig was het warm te maken. Nam dan ook even de tijd om onder mijn auto te gaan liggen om eens te controleren wat ze nu in Accra allemaal hadden uitgevoerd. Er vielen mij twee dingen op. Er lekte olie uit de aansluiting tussen voor-as en cardan. Maakte het schoon om te kijken hoeveel er uit liep moest er na een of twee dagen nog eens naar kijken. Erger was dat de bout van de schokdemper achter weer eens los was gaan zitten. Ik heb daar al sinds het begin van mijn reis oorlog mee, en ook het vervangen van de hele bevestiging heeft dus geen effect gehad. Toen ik de grote bout probeerde vast te draaien was ie helemaal lam en toen ik hem er uit draaide was de hele schroefdraad zowat verdwenen. Raar dat ze dat in Accra niet gezien hadden. Derde was dat mijn twee achterwielen nog steeds lucht verloren en dit wilde ik echt eens op gaan lossen. Toen ik samen met Ralph die spring velgen eens goed ging bekijken, bleken die helemaal fout erop gezet te zijn, waardoor er lucht uit lekte. Dat was mijn eigese fout, stom dat ik dat niet eerder gezien had, maar op zich makkelijk te herstellen. Er was dus wel wat werk aan de winkel voor me.

Chez Alice
In de avond vrij duur bij Chez Alice gegeten. Het was wel gezellig maar het eten was niet echt je dat van het. De volgende dag besloot ik Lomé in te gaan per taxi om verzekering te regelen, de bout van de schokbreker zien te vervangen en misschien wat van Lomé te zien, hoewel ik daar niet te veel van verwachte. Togo is, net als Lomé een beetje vergane glorie. Togo is een heel smal langwerpig land met 7 miljoen inwoners. Het is iets groter dan Nederland en ligt, vanwege de lang gerektheid in diverse klimaat zones. Zo is er in het zuiden regenwoud en in het noorden steppen. De inwoners zijn ook erg divers, alle grote godsdiensten zijn vertegenwoordigt, voodoo en animisme zijn ook erg belangrijk. Togo was een van de parels van Afrika, en trok veel toeristen. Dat veranderde snel na politieke onlusten tussen 1995 en 2005, waar politieke moorden en onderdrukking orde van de dag was. Het bekende verhaal van de dictator die alle macht (en geld) wilde hebben. De man is nu dood en is opgevolgd door zijn zoon. Het is er niet heel veel beter op geworden en dat zie je. Veel vervallen of half afgemaakte gebouwen, slechte straten, veel arme mensen die op de stoep slapen etc. Het is gelukkig niet allemaal kommer en kwel en heel langzaam maar zeker klimt het land uit het diepe dal.

Boodschappen doen in Afrika, dat heb ik vast al eerder aangehaald, is niet hetzelfde als in Europa. Goed voorbeeld hier van is het vinden van het verzekerings kantoortje. Ik had een GPS- waypoint van de locatie, dus je zou zeggen, dat moet kat in het bakkie zijn. Maar daar aangekomen zat er nu de Poolse ambassade. Ik rond lopen. Vragen. Je wordt her en der gestuurd om uiteindelijk na een 45 minuten rondlopen door een mannetje weer naar de Poolse ambassade gestuurd te worden. Toch maar naar binnen dan. Voorzichtig vragen. Is dit een ambassade of een verzekeringen kantoor. Noiu, alle twee werd me verteld. Ja daar breekt me Hollandse klomp. Dat had ik ook niet verwacht. Ik werd er echter goed geholpen en toen men uit ging rekenen moest ik voor 6 maanden verzekering 100.000 CFA betalen, zeg maar 140 euro. Geldig in vrijwel alle landen van dit deel van Afrika. Ik had maar 90.000 bij me, dat was vervelend. De man weer rekenen, en weer eens, hij kwam steeds lager maar bij 96.000 bleef ie echt steken. Er zat niks anders op dan de volgende dag terug komen. Ook niet heel erg maar het kost wel weer veel tijd..

Op naar de MAN dealer, genaamd Toni-Togo. Ik had geen al te hoge fiducie van dat bedrijf. Had er al eens email contact mee gehad vanwege mijn kapotte raam en de man leek me gewoon contact gestoord. Ook nu liep dat bezoek uit op een fiasco. Gesetteld op een pracht plek, pal aan de boulevard en de zee, in een gigantische dump. Wat een tering ongeorganiseerde bende. Maar goed, ik kom er binnen, men vraagt netjes wat ik nodig had, men gaat kijken in het magazijn en kon de bout niet vinden. Een van de monteurs zegt tegen me, wacht even een uurtje, dan ga ik het voor je halen in de stad. Ik zeg, ok, ik loop even de grand-marche op en kom over een uurtje terug. Na een uurtje, je snapt het al, schrok de man dat ik al terug was en zegt, geef me nog heel even, ik ga het zo voor je regelen. Dus zeg ik dat ik drie krotten verder wel wat ga eten en kom een uur later weer terug. Sorry sorry, geen tijd gehad, geef me nog een uurtje de tijd. Dus ik zeg tegen de man, weet je wat, ik kom morgen vroeg wel, heb je alle tijd. Prima zegt ie, ik zorg dat het morgen vroeg om 9 uur klaar ligt voor je.

Zonder tanden kan je ook roken (let op de kin piercing, erg modern die Oma)
De volgende dag goot het. Met bakken kwam het naar beneden en het wilde maar niet ophouden. Straten stonden een meter onder water en een taxi vinden was onmogelijk. Het had heel wat voeten in aarde om toch bij Toni-Togo te geraken maar uiteindelijk lukte het me om om 11 uur bij de zaak aanwezig te zijn. Daar was niemand, behalve een zeer lui uitziende oude bewaker. Ik vroeg hem waar iedereen was. Tja zie die, het regent, dus is er niemand, zo gaat dat in Afrika. Ik schoot gelijk vol, Wat, een beetje water en niemand werkt, wat is dit voor een bedrijf? Sorry, kan je niet verder helpen, en hij draait zich om en loopt weg. Ondertussen had het monteurtje wel mijn defecte maar originele onderdelen mee, en zonder die kon ik niks, dus er restte niks anders dan wachten. Ook kam ineens het verhaal dat het ventje er helemaal niet werkte en dat ie mij privé had geholpen, heel vaag allemaal. Twee uur heb ik in de stromende regen gestaan, ik stond helemaal te rillen. De enige blanke die er rond liep moest Toni-Togo zijn leek me, maar toen ik hem dat vroeg zij hij bot NEE en draaide zijn rug naar me toe. Uiteindelijk ben ik weg gegaan, met de mededeling dat muts-monteur maar mijn onderdelen naar Chez Alice moest brengen.

Die zelfde avond bracht hij inderdaad mijn onderdelen terug inclusief twee gebruikte, eigenlijk net te korte, bouten. Maar ik moest het er maar mee doen voor even. Hij had zijn telefoon nummer achter gelaten en vroeg 15.000 cfa voor twee bouten. 20 euro voor twee gebruikte bouten????.

Dat Afrika soms op je netvlies blijft staan bleek de volgende dag weer eens. Terwijl ik zeer ijverig aan het werk was aan mijn auto-klussen kwam Ralph ineens wat bleekjes melden dat er een ongeluk was gebeurt op de hoofdweg. En dat er waarschijnlijk doden bij waren gevallen. Hij was duidelijk van streek en vertelde zo’n warrig verhaal dat iedereen ging kijken. Wat bleek. Een auto was de controle over zijn stuur verloren. Was het een klapband, was hij in slaap gevallen, had ie niet opgelt, niemand wist het. Hij was in volle vaart over beide weghelften geschoten, had twee motoren aangereden en was tegen de muur van Chez Alice tot stilstand gekomen. De man, in een auto met kenteken platen uit Benin, was gevlucht en had een bloedige ravage achter gelaten. Midden op de weg lagen de lichamen van drie mensen. In dikke plassen met bloed zat er in twee van hun geen beweging. Er was ook niemand die ze aan raakte, iedereen bleef op een afstand stil staan kijken, alsof ze hun ogen niet konden geloven. Iets verder op lagen de restanten van twee motoren. Het eerste slachtoffer lag in een zeer onnatuurlijke houding, alsof hij zijn rug had gebroken. Uit zijn hoofd was heel wat bloed gelopen. Zijn ogen waren open net als zijn mond. Het tweede slachtoffer lag alsof ie vredig was gaan slapen midden op de weg, maar ook hij lag in een plas bloed die niets goed deed vermoeden. Het derde slachtoffer lag met zijn arm en schouder in zo’n positie dat je kon raden dat dat niet goed was, maar die zag ik nog ademen. Ontzettend naar gezicht allemaal.
Die mensen hebben zo minimaal 45 minuten op de weg gelegen voor er een ambulance aan kwam. Let op, ik zit hier aan de rand van Lomé, zo ver van het ziekenhuis is het niet. Alles bleef op de weg liggen en iedereen staarde er na. Geen doek er over, geen kussentje onder het hoofd, geen mens die zelfs er maar naar toe liep. Het was heel stil, geen gegil, geen huilende mensen. Na een twee uur kwam er een soort technische recherche, die kwam wat maten opnemen van waar de slachtoffers lagen en waar de auto in de muur geboord stond, daarna werden de dooie op de laadklep van een open auto gegooid. Er ging een kreet door de omstanders toen het lichaam met een ‘boink’ in de laadbak werd gegooid alsof het een dooie hond was. Dat zelfde lot verging het tweede slachtoffer terwijl de gewonde in de ambulance werd geladen. Nadat de lijken allemaal weg waren en de politie wat zand over het bloed hadden gegooid begonnen de omstanders ineens boos te worden. Late reactie, maar terwijl het verkeer weer langzaam op gang kwam werden alle auto’s met nummerbord uit Benin met stenen bekogeld. Ik ben weg gegaan maar hoorde later dat de politie toen wel ineens snel ter plekke was en met machine geweren de boel uit elkaar heeft geveegd. Niet geschoten maar wel gedreigd. Naar allemaal en weer een herinnering hoe snel het leven voorbij kan zijn.
Op woensdag reden Iris en Ralph terug naar Ghana om hun resort te gaan runnen, de Zwitsers reden met hun mee. Ik wilde nog een dag langer blijven omdat ik een lege gasfles had en men bij Chez Alice verzekerde dat ik op donderdag gas zou kunnen vullen. Bestede de dag om toch een iets langere bout te gaan zoeken voor mijn schokbreker. Ondanks dat de dooie motor rijders nog op mijn netvlies stonden sprong ik toch achter op een motor taxi om een winkel te zoeken die bouten had (maar wel na de man gemaand te hebben langzaam te rijden, en met mijn billen stijd dicht geknepen). Ik vond de onderdelen markt. Stal na stal met onderdelen uit gesloopte auto’s. En ook een paar stalletjes met alleen maar bouten en moeren in alle maten en soorten, uitgestald langs de weg. Daar vond ik ook de juiste lengte, voor 2,500 cfa per stuk (ipv de 7.500 die het ventje van de MAN dealer vroeg). Besloot ter plekke de dure bouten niet terug te brengen maar ook niet te betalen. Als je me af wilt zetten, kan ik dat spelletje ook meespelen.

De terugweg met de taxi was ook weer op z’n afrikaans. Na onderhandeling over de prijs reed de taxi chauffeur al luid babbelend richting Chez Alice. Bij het industrie terrein aangekomen stond er, zoals altijd, een file. Deze taxi chauffeur ging op de vluchtstrook (nouja, strook zand) rijden en haalde zo iedereen in, totdat er plots een onguur gast stond te zwaaien aan de kant dat ie moest stoppen. In plaats van stoppen gaf ie echter gas en schoot een vaag zijstraatje in. De zwaai-neger holde achter de taxi aan, al luid schreeuwend en pakte nog net het portier van de auto vast. Zich zo aan de taxi vasthoudend werd ie meegesleurd, de zwaai-man had hoogste moeite zich staande te houden. Toen echter de taxi moest remmen voor een groot gat midden in de weg openende de zwaaiert het portier en sprong in de auto. Ik vermoede een overval en had al snel mijn spullen bij mijn benen neergelegd op de grond, maar hield wel mijn hand erop zodat ik snel met tas en al uit de auto zou kunnen springen. De zwaaiert en de chauffeur begonnen heftig tegen elkaar te schreeuwen en wild gebaren en toen de auto helemaal stil stond ben ik er uit gesprongen en weg gelopen. Ondertussen kwam er nog een louche figuur met grote spiegel zonnebril aangelopen en sprong ook in de auto. Ze hadden het duidelijk op de chauffeur gemunt. Dit alles gebeurde gewoon tussen al het verkeer en mensen door, niemand die er naar omkeek.
Ik liep terug richting hoofdweg en na een paar minuten kwam mijn taxi met de twee enge gasten langszij en gebaarde me in te stappen. Ik weigerde en zei dat ik dacht dat ze dieven waren waarop ze lachten, een soort identiteit bewijs lieten zien en zeiden dat ze goed volk waren. Ook de taxichauffeur vroeg me weer in te stappen dus op goed geluk dat maar gedaan.
De taxi reed zo een paar honderd meter verder en stopte voor een bankje langs de straat met daarop drie padden. En met padden bedoel ik drie dikke negers, met grote zonnebrillen, die zichzelf heel erg belangrijk vonden. Een van de padden had een fluitje in zijn hand, en als ie daar op blies stopte de voorbijgaande taxi en kwam geld brengen.
De sleutels werden uit de auto van de chauffeur genomen en iedereen begaf zich naar de padden. Daar ontspon zich een tafereel wat zo uit een film zou kunnen komen. Ik verstond er geen zak van maar begreep natuurlijk wel wat er aan de hand was. De chauffeur moest voor iets betalen, had dat niet gedaan, en werd nu aangepakt. Er werd heftig gesmeekt door mijn chauffeur en de drie padden zaten daar als koning te rijk een beetje te lachen. Enfin, dit duurde allemaal bijna een half uur en ik wilde net een andere taxi gaan zoeken toen ik geld van hand tot hand zag gaan en mijn taxi verder mocht.
Wat bleek achteraf. Er is een taxi syndicaat. Daar aan moet elke taxi chauffeur elke dag een bepaald bedrag betalen. En dat had mijn chauffeur blijkbaar al een paar dagen niet gedaan. Op de vraag waarom hij dat moet betalen antwoorde hij ; ‘omdat het dieven zijn. Ik moet betalen maar krijg er niks voor terug. Ik heb geen idee waarom ik moet betalen maar als ik het niet doe dan jatten ze de sleutels van mijn auto, dus wat moet ik.’

Links groen, rechts groen, even stoppen is er niet bij
Gas bleek er donderdag toch ook niet te zijn dus begon vrijdag maar aan de toch noordwaarts, Het was grijzig weer en in de middag begon het flink te plensen. Reed langs weer een dode motor rijder. Ongeluk was net gebeurd, vent lag nog tegen de auto aan waar die tegen was geknald. Zat geen beweging meer in. Het was een auto van het leger, dus daar bemoei ik me maar niet mee.
Ik had van collega reizigers al gehoord dat er delen zijn van Lomé waar je overdag niet met een vrachtwagen mag komen, en dat dit ook voor grote doorgaande straten zou gelden. Dus ik lette bij het uitrijden van de stad er op of ik vrachtwagens zag. Ik heb er niet één gezien. Vermoede elk moment aangehouden te gaan worden maar het geluk was met me. Elke keer als er een controle agentje stond (en die staan er veel en vaak) was die net bezig. Eenmaal hoorde ik een fluitje. Pech, want ik was er al vrijwel voorbij en tja, dan doen mijn oren het ineens erg slecht.

De rit naar het noorden was eigenlijk saai. Erg veel lang gerekte dorpjes, veel vracht verkeer en de omgeving was ook niet spectaculair. Na 60 km had ik er geen zin meer in en toen ik een soort grind afgraving zag ben ik daar maar in gaan staan en heb die dag niet meer gereden. Ondanks dat ik midden in de natuur stond was het slecht slapen. Er zitten hier een soort cicaden die een enorme herrie maken. Als dat constant is kan je er aan wennen maar die beesten hebben duidelijk onderling afspraken gemaakt om mij wakker te houden. Alsof er een dirigent voor staat beginnen ze plots allemaal luidkeels te schreeuwen. Oor verdovend. Echt waar. Als de dirigent na een paar minuten weer met z’n stokje zwaait, dan zijn ze allemaal tegelijk stil. Heel apart. Helaas voor mij stond ik vlak bij een poel water. En de kikkers hebben afspraken gemaakt met die cicaden. Als die namelijk aan het uitrusten zijn nemen de kikkers of padden het over. Volgens mij kon je het 10 km verderop nog horen.

De weg noordwaarts werd steeds slechter. Het aantal gaten per kilometer (GPK) nam drastisch toe. Ook het aantal defecte vrachtwagens en vrachtwagens die van de weg af waren gereden begon astronomische aantallen aan te nemen. Er was om de dertig kilometer of zo, een speciale trucker-parkeer plek. Dat was op zich een prima idee want nog steeds was het onmogelijk ergens een parkeerplekje langs de kant van de weg te vinden. Deze truckers plaatsen waren niets minder dan een soort parkeer haven. Maar elke haven stond vol met defecte vrachtwagens en er werd stevig gesleuteld. Het merendeel van de chauffeurs stond banden te verwisselen maar her en der zag ik ook assen die er onder uit lagen en soms een heel motorblok dat in onderdelen naast de auto lag. Wordt je niet vrolijk van als dat je auto is.
Deze weg loopt rechtstreeks naar Ouagadougou in Burkina, en omdat Burkina geen eigen haven heeft komt en gaat er veel van hun goederen via de grote haven in Lomé. Vandaar het vele vracht verkeer.

Lokaaltje
Op een gegeven moment, midden in een stuk jungle een file. Ik sloot netjes achteraan want ik kon in de verte zien dat ze wat aan het doen waren wat de weg blokkeerde. Daar naar toe gelopen was men aan het proberen een vrachtwagen met oplegger weer de weg op te trekken. Zonder succes. De truck was in een flauwe bocht rechtdoor gereden en het talud af gedoken zo de jungle in. De politie gebaarde dat we door mochten rijden maar aan de andere kant van de wegversperring blokkeerde het tegemoet komende verkeer beide banen. Het leek India wel, en het duurde een half uur voor er een rijbaan vrij zodat ik door kon. Ik reed door Atakpame. Een gewone rommelige vieze stad, die me niet riep om te stoppen. Na een lange en langzame gaten-laveer weg bereikte ik Sodoke. Ook hier een rommelige drukke mierenhoop en ik reed er aan voorbij. Maar nu ging ik veel te snel want ik had nog dik een week in Togo. Immers ging mijn visa voor Benin pas 1 september in. Ik hoopte maar dat ik een plek tegen kwam die me aansprak. Maar tot nu toe…helaas.
Moet zeggen dat Togo tot nu tot nu toe mijn hart niet heeft gestolen. Het is een druk land, met weinig vrije natuur. Er is op zich wel veel natuur en groen maar je er meestal niet in omdat er geen weg is. Wildkamperen is moeilijk omdat je vrijwel nergens van de weg af kan (het helpt ook niet dat het veel regent). De wegen zijn redelijk slecht en je moet dan toch ook nog best veel tol betalen, meer dan in Mali of Burkina. Het verkeer is chaotisch met te veel motoren die zich aan geen enkele regel houden en zichzelf dan ook vaak te pletter rijden. De verkeersregels zijn onbekend, alleen de politie weet ze.
Het land ziet er allemaal oud en verlept uit. Niet alleen de wegen maar ook de gebouwen. Aan de kust kan je niet zwemmen. De zee is vies en vervuild, en het strand is een vuilnis stort plaats en een toilet. Het visum was best duur. Maar, aller belangrijkste, de mensen zijn niet echt prettig. Er wordt te veel gezeurd over geld en cadeau ’s. In Mali of Burkina kon je, na het negeren van die vraag nog aardig communiceren, hier is men verbolgen dat ze geen cadeau krijgen.
Ik wil niet zeggen dat alle mensen in Togo zo zijn maar veel wel, en dat maakt het gewoon niet plezierig.
Onderweg weer eens het bewijs van de Europese hulp verlening. In veel dorpjes zijn toilet gebouwtjes neergezet zodat men de behoefte niet gewoon op straat hoeft te doen. Een of andere halve zool van een ontwikkeling pief, laten we hem mijnheer Pronk noemen of zo, besloot dat dat erg wenselijk was, en heeft in veel dorpjes een stenen gebouw geplaats….net buiten het dorp. Je snapt al wel wat er gebeurt, want de gemiddelde afrikaan gaat echt geen 4 minuten lopen om te kakken, laat staan om een plas te doen. Dat is veel te ver, daarbij is het gewoonte om je snikkel te pas en te onpas uit je broek te hangen, dus waarom zou je dan daar naar toe gaan. Gevolg, gebouwtjes worden niet gebruikt, of voor wat anders gebruikt (opslag of zo), weg ontwikkeling geld. Zal al snel een miljoentje per gebouw hebben gekost, zeker als je de salarissen van de ontwikkeling medewerkers mee t lt en de waarschijnlijk Europese bouwfirma die het heeft neergezet. Wie wordt er beter van? Juist, de bouw firma, de ontwikkeling medewerker en de persoon die nu het gebouw als opslag gebruikt. Wie moest het betalen, jazeker, U en ik.

Eenmaal in Kara aangekomen was het een aangenamer. Een ruim opgezette stad (of groot dorp) waar het ieder geval niet zo mierenhoperig druk leek. Kan er ook aan gelegen hebben dat het zondag was natuurlijk. In Kara vond ik het enorme parkeer terrein van het ‘Palais de congres’. In Europa zouden daar wel 400 auto’s op passen en wel 800 in Afrikaanse parkeer stijl. Er stond er niet één, dus besloot dat als camping te gaan bezitten. Maar vond eerste nog een internet café en spendeerde een uurtje of wat aan het antwoorden van mails. Niet dat ik zoveel te schrijven had maar de verbindingen zijn erg traag.
In de avond kwam er een agent kijken. En zoals al vele malen in vele landen gebeurde, was de agent van mening dat het op deze plek veel te gevaarlijk voor me was. Na wat door zeuren bleek dat hij bij de beveiliging van het congres gebouw werkte en hij zich zorgen maakte wat een superieur wel niet zou zeggen als hij mijn auto op dit parkeer terrein zou zien. Dus ik moest mee, om vlak bij zijn politiepost te parkeren. Daar stond ik dicht bij een disco met harde muziek. Ik had eigenlijk moeten weigeren, maar ja. Slapen met privé bewaking is ook wel eens lekker.

In de ochtend werd ik natuurlijk vroeg wakker door rond lopende en luid pratende politie agenten. Afrikanen praten nooit, ze schreeuwen altijd. Reed dus om kwart voor 6 in de ochtend mijn auto weer terug op het grote parkeer terrein en er kwam, in tegenstelling tot zondag, veel volk langs. Erg leuk waren de hardlopende militairen die niet alleen ritmisch zongen onder het hardlopen, maar er ook muziek bij maakte. De ene groep droeg lege plastic 20 liter vaten mee om op te trommelen, de volgende had een vuvuzela op kop lopen, de derde groep droegen stukken metal die ritmisch op elkaar werden gekletst. Het klonk alle drie erg melodieus, ik had gewoon zin om mee te gaan lopen. Een andere voorbijganger was Charles, een Ghanees die mij vertelde dat ie wees was en door de kerk was opgevangen en groot gebracht. Zijn religie droop door al zijn zinnen heen maar daar eenmaal overheen ontstond er een boeiend gesprek over de omliggende landen, de politiek en wat er allemaal te zien was.

Ik had nog steeds een week voordat ik de grens met Benin over kon en had moeite om dat in te plannen. Zoveel is er niet te zien in dit gedeelte van Afrika. Treuzelde daarom al een paar dagen en besloot vandaag maar eens te kijken of ik mijn lege gasfles zou kunnen vullen. In Lomé was al een aantal dagen geen gas en onderweg had ik het ook al eens geprobeerd en te horen gekregen dat er al weken geen gas was. Ook plande ik om, ten Noorden van Kara, de Tambera compound te gaan bezoeken. Dat schijnen een soort huizen te zijn die meer op forten lijken, met speciale kamers waarin de vijand in de val word gelokt en men van boven deze vijand vervolgens kan bestoken met een regen van pijlen, speren, stenen en zo. Op zich niet spectaculair, wel dat deze forten alleen uit klei zijn gebouwd. En dat ze stammen uit de slaventijd, om op deze manier de slavenhandelaren die ‘vers bloed’ kwamen zoeken te snel af te zijn.
De zoektocht naar gas was snel voorbij. Of eigenlijk moet ik zeggen dat ik het snel op gaf. Twee maanden was er al geen gas gezien in Kara, en dan is de kans dat je bij toeval nog wat kan kopen erg klein. Dan maar op naar Kandé, 50 km naar het noorden, ondanks het vieze regenachtige Hollandse weer. Het landschap was hier veel opener. Ook veel minder bevolking en dat maakte het een verademing. Kon zowaar her en der wel wat plekkies zien om mijn auto wild te kamperen. Er waren af en toe mensen die stonden te zwaaien, het was plezant. Vlak voor Kandé was een berg keten waar ik over heen moest. Het was gelijk puinhoop op de weg. Het verkeer bestand voornamelijk uit vrachtwagens die cm voor cm de berg op kropen. Een lange file van kruipende vrachtwagens en daar tussen af en toe en busje of gewone auto, dat vraagt om problemen. Toen er ook nog eens een defecte vrachtwagen midden op de weg stond was het raak. Een tegemoet komende vrachtwagen ging door zijn remmen (niks remt op de motor, alles met de gewone rem hier) en knalde boven op zijn voorganger. Dit gebeurde precies op het moment dat ik langs kwam en de stukken plastic en glas vlogen in het rond, mij net missend. Stopte niet om het resultaat te zien maar gaf een dot gas en maakte dat ik weg kwam. Aan de overkant van de berg was het ineens veel beter weer. Bij Kandé sloeg ik rechts af, de piste op richting Nadoba en uiteindelijk Benin. Maar Benin wilde ik niet halen, wel wat dorpjes daar in de omtrek waar ik in de Tamberna valley naar de Tata compounds wilden kijken. Bij een slagboom touw moest ik entree betalen en een gids mee nemen. Een aantal jaren geleden is dit gebied op de Unesco lijst van beschermde landschappen gekomen, en dat weet je het wel. Het was allemaal nog betaalbaar met 6500 CFA totaal (10 euro) en er werd me verzekerd dat dat alle kosten zouden zijn. Jaja, maar dit is Afrika. De gids, een zekere Atchoimin Lo Keto (Tel +228-8265432) was een schappelijke gast die in het gebied zelf woonde en wel wat Engels kon. Met z’n tweeën reden we het smalle zandpad op richting bezienswaardigheden. De rit met hem begon niet goed. Al na 100 meter rijden werd me verteld dat als ik de heilige boom wilde zien, ik een cadeau zou moeten geven, en het dansen koste ook extra, en dan was er nog zus en zo. Ik denk, dat moeten we gelijk stoppen, dus heb hem mijn mening daar over gegeven die hij respecteerde. Voor het zien van de Boabab boom wilde hij 2000 CFA hebben, ik bood hem 500 en dat werd geaccepteerd. Het dansen hield ik in het midden.
Onderweg was er een akker en daar stonden Yams in. Die had ik nog nooit gezien dus ik stapte uit om een foto van de akker te maken. Onmiddellijk kwam er een vrouw aan lopen die geld vroeg omdat ik foto’s van haar Yams maakte. Heb haar genegeerd maar het was wel typerend voor deze streek.

Yam velden zijn net molshopen
Iedereen maar dan iedereen, vroeg om geld, en niet op een prettige manier. De kinderen langs de weg, de oude mannen die onder een boom in de schaduw zaten, de vrouwen die op het land werkte. Het was echt irritant.
Na een uurtje over het pad hobbelen aankomst bij het eerste dorp. Onmiddellijk werd ik opgevangen door een troep lokalen die me allemaal zelf gemaakte fluitjes, poppetjes, klei-en huisjes en andere goedbedoelde rotzooi probeerde te verkopen. Ik volgde mijn gids de berg op en werd in een erg fraaie tata gedirigeerd.

Een Tata huis cq fort
Om je te laten begrijpen moet ik je helaas wat geschiedenis geven. De eerste settlers in dit gebied woonde in bomen of onder bomen. Vooral de Baobab is een grote boom met een flinke wortel structuur en sommige baobab bomen zijn hol. Daar kan je dan mooi in wonen en je kan ook binnen in de boom omhoog klimmen om zo boven te kunnen zien of er vijanden aan komen. Op een gegeven moment kwamen de slaven handelaren jonge mannen halen of kwam er een naburige stam een beetje oorlog maken en in zo’n boom zit je mooi als een rat gevangen. Na verloop van tijd is men de Tata huizen gaan bouwen om beter beschermd te zijn. In principe zijn dat een soort nagemaakte ge-evolueerde bomen. Men bouwde (en dit alles van alleen klei en stro) vier ronde torentjes en verbond die met hoge muren. Binnen in maakte men allerlei soorten kamers, maar wel op zo’n manier dat als de vijand kwam, ze makkelijk overmeesterd konden worden.
Als je door de hele smalle opening het huis binnen stapt kom je eerst in een soort voorkamertje. Je ziet dan al links aan de andere kant van het kamertje het licht schijnen vanuit de volgende kamer (de keuken) en omdat dit licht schel binnen valt zie je niet dat er aan de rechterkant de zogenaamde donkere kamer zit. Die zit zo in het duister verstopt dat dat de kamer was waar de vrouwen en kinderen zicht verstopte tijden een aanval. Via de iets hoger gelegen keuken kwam je op het dak. Daar bevind zich de voorraadschuur (in een van de holle pilaren) en de slaapkamers, klein kamertjes met hele kleine ronde gaatjes als deur.

Boven op het dak de slaapkamers
Ook is er een gat naar beneden waardoor je pijlen en speren op de binnendringers kan loslaten zonder dat ze jou zien kunnen. Nogmaals, het is allemaal van klei gemaakt en erg imposant.
De huizen lagen in een mooie groene vallei, beschermd uit het zicht. De diverse huizen die er staan zijn verbonden door middel van loop paadjes, het deed me een beetje aan Mali en Burkina denken. Niet zo raar, zit hemelsbreed maar 200 km van Burkina Faso af.
Het dak van het huis is ook gelijk toilet, gewoon, zonder afvoer en zo, alhoewel ik de indruk had dat men meer een meter buiten het huis stapte om te pissen dan in het huis zelf.
De zoon van de eigenaar van het huis bood me wederom prullaria te koop aan. Ik wilde eventueel wel een klei huisje kopen maar hier moest natuurlijk eerst flink over onderhandelt worden. Na een bezoek aan de holle Boabab boom, waar de chief nog steeds in woont, terug naar de auto die 500 meter terug stond, een lange stoet van lokalen achter me aan trekkend. Bij de auto heb ik de zoon des huizes erg blij gemaakt met een grote doos pennen/stiften/kleurpotloden e.d. (met dank aan mijn Zus) en kocht ik voor 1500 CFA (dikke twee euro) een geinig klei afbeelding van een zgn Tata compound. Tijdens het hele bezoek in het dorp had mijn gids goed uitgelegd en mij goed in bescherming genomen tegen de tig opdringerige lokalen die uiteraard aan me wilden verdienen. Op zich begrijpelijk maar de manier waarop was niet prettig.

Tata met blanke
De volgende stop was het huiselijk dorp van mijn gids. Ik werd ergens op een bankje gezet, kreeg een kalebas-kom met hele zure gierstdrank en de gids liep weg. Ik zat daar met de Chief, zeg maar de burgemeester van het gebied. Had een boeiend gesprek met hem over zijn verantwoordelijkheden als chief, zijn werk en relatie met de uit ongeveer 700 leden tellend dorp. Helaas klonk ook steeds in zijn antwoorden de drang naar geld tussen de woorden door. Ja hij moest rechtspreken, maar kreeg van niemand daar geld voor. Ja hij was belangrijk, maar daar kan je niet van eten. Ja hij trouwde mensen, maar deed dat meestal gratis. Op die manier. Nou ben ik wel wat gewend dus laveerde moeiteloos tussen de geldvragen door tot opeens de gids weer verscheen. De dansers stonden klaar om voor mij te dansen. Ja maar prevelde ik, we zouden het eerst over een prijs hebben want ik heb niet zo veel geld bij me (ahum). Maakt niet uit, wat je wilt geven zijn we tevreden mee. Daar sta je dan tussen een hele stam met gevaarlijk uitziende inboorlingen.

Ze gaan met de mode mee hier, het zijn echte trendsetters
Een paar huizen verder stonden 3 mannen en twee vrouwen klaar om te gaan dansen. Met wat ritmische geluiden en gezang en rare bewegingen werd er gedanst. Het was kostelijk en leuk om te zien hoor, maar niet echt spectaculair. Maakte wat foto’s en filmpjes en wilde toen eigenlijk weg. HO, eerste geld geven werd me streng vermeld. Nu weet ik precies wat er dan gaat gebeuren. Wat je ook geeft, het is nooit genoeg. Jij bent alleen en zij met tig, je wordt zo onder druk gezet dat je uiteindelijk veel meer geeft dan je eigenlijk wilt. Ik had hier al een oplossing voor bedacht dus zei tegen de gids; ik geef jou het geld, jij komt toch vanavond weer terug in het dorp en dan kan jij het ze geven. Dit werd ok bevonden en ik liep naar de auto, een meute boos kijkende zwarten achter me aan. De gids legde het uit en men nam morrend genoegen er mee en onder een diepe zucht reed ik verder. Na 100 meter rijden kwam de vraag al. Hoeveel ga je geven? Dan begint het ‘ik wil het niet zeggen maar ik wil van jou weten wat ze verwachten ’spel, maar de gids had dat spel blijkbaar eerder gespeeld en hapte niet. Na een kwartier verder gereden te zijn over het zandpad zegt de gids ineens: Ok, we hebben eigenlijk alles wel gezien, kom, we keren hier om en rijden terug. Ik vond dat wat vreemd want iets verder op lag nog een dorp maar stemde in, het werd al laat in de middag en wilde voor het donker van het zandpad af zijn. Na een kwartier kwam zijn eigen dorp weer in zicht en mijn gids vond dat ik nu toch echt moest gaan geven, dan kon hij het afgeven. Aha, dus daarom wilde hij zo snel mogelijk omkeren. En inderdaad, aan de kant van de weg stond het hele dorp al te wachten. Ik had ondertussen al 3000 CFA gepakt (5 euro) , gaf mijn gids 2000 en hield 1000 achter de hand. De gids stak de 2000 uit het raam, ik hoorde al geklaag en gemor en na een minuutje gaf ik de 1000 er bij, het klagen werd minder en ik reed door. Na een uur hobbelen was ik weer terug op de normale weg. Na de gids nog getipt te hebben (ondanks alles had ik toch wel het idee dat hij zijn best had gedaan) was ik terug op beschaafd asfalt.

Kom, dans mee
Het was alom heel boeiend om deze huizen en deze mensen en cultuur te zien, jammer dat het zo commercieel is geworden. De bevolking is duidelijk verpest door het toerisme en hun eigen hebberigheid en dat maakt de ervaring minder prettig dan dat ie zou kunnen en moeten zijn. Ben bang dat ik er maar aan moet wennen want in het zuiden van Afrika schijnen dit soort poot-uit-draai praktijken veel erger te zijn.

Ik hing nog een week rond Kara. Niet omdat het nou zo erg prettig was maar ik had tenminste een plek gevonden om mijn auto neer te zetten. Niet het Palais de congres hoor. Daar kwam, toen ik er de tweede keer stond, een mannetje aangelopen die me op een onvriendelijke manier vertelde dat ik er niet mocht parkeren. Oh ja, beet ik hem nog toe. Natuurlijk omdat er zo weinig plek was, en de Togolezen zo’n vriendelijk volk zijn. Nee, ik had 15 km ten noorden van Kara een plek gevonden midden in de natuur. Werd er alleen elke nacht een keer ‘lastig’ gevallen door de beveiliging die kwam kijken en prompt natuurlijk ging zeuren om een cadeau, iets te eten of te drinken . En als je dan zo in de natuur staat, leer je weer een hoop. Zo staan er regelmatig kapotte vrachtwagens langs de weg. En ik weet nu hoe dat gaat.
Die vrachtwagens rijden heen en weer tussen Lomé en meestal Ouagadougou (Burkina) of soms ook Bamako (Mali). Ze rijden vrijwel constant, zijn zwaar overladen en slecht onderhouden. Resultaat is dat men meestal geen motor rem heeft en dus altijd de normale remmen gebruiken, ook als het een stuk berg afwaarts gaat. Dat gaat dan natuurlijk niet goed, getuige de vele wrakken langs de kant. Gebeurde dus op een avond ook 500 meter hier vandaan (ik heb niks gehoord). Maar daar over zo meer. Vanwege de slechte rijkunst, het zware overladen en slecht onderhoud gaat er vaak wat stuk aan deze vrachtwagens. Opvallend vaak iets in een differentieel of versnellingsbak. Ze kunnen dan echt geen meter meer verder rijden en staan kapot stil, vaak echt midden op de weg. Dan wordt er in een naburig dorp een monteur of garage gezocht. Deze komt dan naar de vrachtwagen toe en haalt, met alleen steeksleutels en een hamer, een versnellingsbak er onder uit of een hele motor, men demonteert een as, enfin, men demonteert het probleem. Het probleem wordt gevonden maar dan moet er een onderdeel komen. Ondertussen zijn we al minimaal 24 uur verder hoor. De chauffeurs van de vrachtwagen bivakkeren ondertussen in een provisorisch tentje naast de auto of met een soort veld bed er onder. De monteur neemt wat voedsel mee als ze afgelegen staan. Ook bestelt de monteur het defecte onderdeel. Afhankelijk van het merk van de vrachtwagen moet het onderdeel uit Lomé, Accra, Ouagadougou of Bamako komen. En geloof me, DHL hebben ze hier nog niet uitgevonden. Dus moet het onderdeel met een vrachtwagen meekomen die dezelfde route rijd. Afhankelijk van route, onderdeel beschikbaarheid, het weer etc. kan dit tussen 2 en 7 dagen duren. Al die tijd bivakkeren de chauffeurs bij hun auto. De gedemonteerde onderdelen liggen rond de auto verspreid, in regen en wind. De weg wordt gemarkeerd met pollen gras, takken en of stenen om aan te tonen dat er een vrachtwagen midden op de weg staat. Geluk is dat ze hier geen koelwagens hebben, anders zou de handel het niet overleefd hebben. Als dan uiteindelijk het onderdeel komt wordt alles weer gemonteerd, wederom alles met spierkracht. De monteur vangt een aardig sommetje (heeft daar een goede boterham aan) en de vrachtwagen kan weer verder tot het volgende mankement. De monteur gaat rustig onder de boom zitten wachten, want de volgende defecte vrachtwagen komt er zeker aan. Is het niet vandaag, dan is het morgen, heel misschien overmorgen…

In een van de nachten dat ik heerlijk sliep denderde er 500 meter van me vandaan een vrachtwagen het talud af. De man was door zijn remmen gegaan, had nog enigszins kunnen remmen door tegen een voorganger aan te knallen maar had daardoor ook de controle over zijn auto verloren. Zij vrachtwagen combinatie was het talud afgereden, omgekiept en bijna ondersteboven tot stilstand gekomen. Wonder boven wonder was de chauffeur niet dood maar werd achterop een brommer, met twee gebroken armen naar Kara af gevoerd, 25 km verderop. En dan begint de stoelendans, want de lokale monteur ziet brood. Het was dit keer ingewikkeld want het was een lading schroot uit Burkina, onderweg naar Lomé maar in een Ghanese vrachtwagen met Ghanese chauffeur. Er moet een verse vrachtwagen komen, de spullen moeten overgeladen worden en dan moet de vrachtwagen geborgen worden. Dit kon omdat men vermoede dat hij nog wel hersteld zou kunnen worden. Het duurde twee dagen voor er een lege vrachtwagen aan kwam. De derde dag stond er een ploeg van lokalen, grote sterke negers, klaar om de hele lading met de hand over te laden. Het kan goed 40 ton geweest zijn, maar binnen twee dagen was alles over en kon het schroot zijn reis richting Lomé voortzetten. Denk niet dat de vervoerder op dit ritje een winstje heeft gemaakt…Het wachten is nu op een takelwagen die de vrachtwagen omhoog kan hijsen.

Ondertussen kwam er een email van Ralf en Iris. Dat is het Duitse stel dat evt met me door Nigeria heen zou rijden maar besloten een resort in Ghana te gaan runnen. We hadden in Lomé afscheid genomen van elkaar maar nu bleek dat ze al na een week bij het resort er de brui aan hebben gegeven, dat werd niks daar. Ze vroegen of ze nog mee konden richting Kameroen, waar ik natuurlijk erg blij mee zou zijn. Dus mailde ze mijn vermoedelijke ritplanning, in de hoop dat dat een beetje met die van hun zou aansluiten.

Tja, en dan heb ik verder niet zo heel veel meer te melden over Togo. Misschien wat over het eten, maar ondanks dat ik lees dat dat erg goed moet zijn, heb ik daar niet echt speciale ervaringen mee. Je kan overal langs de kant van de weg rijst of noedels met een klein beetje saus krijgen (200-300 Cfa) en is dus erg goedkoop. Smaak is niet speciaal eigenlijk. Er wordt van de Yam een soort stopverf pasta gemaakt. Dit krijg je in een bol op je bord, ook dit wordt met saus overgoten (of er naast geserveerd) maar het smaakt eigenlijk precies zoals het er uit ziet: naar stopverf.

Terwijl ik dit schrijf is het zondag (29 augustus) , ik kan pas woensdag de grens over naar Benin. Blijf dus nog een of twee dagen hangen en ga dinsdag wel richting die grens rijden. Togo was voor mij geen super land. Alhoewel het noorden beter is dan het zuiden, zijn beide delen eigenlijk niet echt aanlokkelijk om nog eens naar terug te keren. Nog even om te onthouden.
Ze hebben hier eg lekker lokaal bier. Het heet Awooyo, is een rood bier en erg smakelijk. Het kost, net als de andere bieren (Flag, 33 etc) rond de 500 CFA per 0.6 liter (75 cent).
Diesel kost hier momenteel 550 CFA per liter, een erg klein stokbroodje 100 Cfa, een normaal 200 CFA. Een kilo aardappelen kost 750 Cfa (duur) maar een kilo Yam ook 800 Cfa. 3 klein groene paprikaatjes 5600 Cfa, een eetbare kokosnoot tussen de 100 en 200 Cfa. Liter meld alleen in lang houdbaar te krijgen (en alleen in de grote stad) voor 800 tot 900 Cfa.