20100900 – September 2010, Benin

Begin september 2010 reed ik Benin binnen. Benin is weer zo’n land wat me weinig zegt. Het komt niet vaak in het nieuws en dat is meestal goed. Spendeerde er een dag of 10 en dat beviel best goed.

Helaas is ook dit verhaal nog zonder foto’s, ook die plaats ik zo snel als ik een redelijke internt verbinding vind

Het land is 3x zo groot als Nederland en weer erg lang gerekt. Hemelsbreed is het bijna 700 km lang. De onderste helft is maar 100 km breed, in het noorden word het breder. Er wonen 7 miljoen mensen. Men spreekt er Frans en betaald nog steeds met de CFA, net als de meest Frans sprekende landen in deze regio. Het boek zegt dat Benin erg toeristen vriendelijk is met goede wegen en vriendelijke mensen. Dat zullen we dan zelf wel eens gaan oordelen.

Waarom ga ik dan naar Benin? Eigenlijk om twee redenen. Omdat je er door moet op weg naar Nigeria, en omdat ze het nationale Park Penjari hebben. Van wat er in de gids staat en wat ik van collega reizigers hoor, is dat ‘the place to be’, als je olifanten, tijgers, leeuwen en maanmannetjes wil zien. Ok die laatste misschien niet, maar je weet het maar nooit.

Misschien een leuke bijkomstigheid is dat voodoo in Benin ontstaan is en hier nog welig tiert. Nu schijnt dat in het zuiden erger te zijn maar wellicht kan ik er hier in het noorden ook wel een graantje van mee pakken. Mijn visa voor Benin had ik al bijna twee maanden geleden gehaald en in latengaan op 1 september, iets waar ik later spijt van had omdat er in Togo eigenlijk minder te doen was dan ik van te voren had gehoopt en daar dus wat rond moest hangen tot ik de grens over kon. Aan de andere kant beter zo dan dat je graag wat wilt zien en je geen tijd hebt omdat je visum verloopt.
Op 31 augustus stond ik dan ook voor de grens van Benin en kreeg toestemming van de douane aan de Togoleese kant om daar de nacht voor de ‘paal’ door te brengen zodat ik de volgende ochtend fris en fruitig Benin binnen kon.

Gereden in Benin
Ik stond net een half uurtje op een zandveldje net van de doorgaande weg af, was even ingedommeld, klop klop. Een politie agent. Heeft U problemen mijnheer? Ik zeg nee hoor, alleen wacht ik tot ik de grens over kan ivm mijn visa kan ik er pas morgen door. Heeft u toestemming van de politie dan? Nou, ik heb met de douane gepraat, en daar stond ook een politie agent bij toen ik het vroeg, en alles was ok. Werd die man ineens nogal boos. De politie en de douane zijn twee verschillende diensten!!. U gaat toch ook niet voor een Visum naar de douane, nee U komt bij de politie, en waarom bent U dan niet bij mij geweest. Enfin, het duidelijke “ik heb veel macht want ik heb een uniform’ mannetje. Kon wel ruzie met hem maken (mijn tong begon te jeuken), maar er was op de hele weg hiernaar toe geen enkele mogelijkheid om rustig mijn auto te parkeren, dus ik slikte mijn scheldwoorden weg en zei dat het me ontzettend speet dat ik niet bij zijne hoogheid om toestemming was komen vragen. Hij bleef nog wat na sputteren maar uiteindelijk taaide hij af, wat een strepen-zak zeg. Het liefst had ik hem zijn uniform op laten vreten, zonder glaasje water er bij. Had het ook al meegemaakt bij het parkeren in Kara. Een immens parkeer terrein, niemand in de buurt en als je er dan gaat staan komt er een pief boos zeggen dat ik eerst toestemming moet vragen. Dat soort mannetjes heb je in Europa ook wel, maar daar zijn we toch wel wat over de uniformen heen, hier denken ze nog dat ze gelijk koning keizer en admiraal zijn. Ben bang dat dit alleen maar erger gaat worden naar mate ik zuidelijker kom.

Na een rumoerige nacht was de grens in de ochtend snel beslecht. Aan de Benin kant was het allemaal relaxed en easy going, dat geeft altijd goede hoop. De eerste 25 kilometer naar Djougou waren nogal slecht, en dan zeg ik het netjes. Daarna kwam er asfalt, zowaar nog net asfalt ook.

De eerste indrukken waren : slechte wegen
Bij Djougou sloeg ik links af richting noorden. Kwam zowaar langs een MTM kantoor, dat is de grote telefoon aanbieder in dit deel van Afrika. Ik had een MTM sim gekregen maar die deed het niet, dus wilde dat gelijk even gaan vragen. Helaas stond er een wachtrij tot buiten, en daar ga ik dan echt niet in staan. Die mensen willen geld aan mij verdienen. Prima, maar dan ga ik echt niet eerst een uur of meer in een rij staan wachten. Iets verder noordwaarts begon het te regenen. En niet zo’n klein beetje ook. Gatver, als dat door zou zetten zou dat wel eens roet in mijn Penjari plannen kunnen gooien. Vlak voor Natitingou was er een waterval te zien, de watervallen van Kota. Hiervoor moest ik rechtsaf een geschoven gravel weg op maar omdat het regende had men de weg afgesloten. Deze ‘barrière de pluis’ zie je vaker en is om te voorkomen dat er ongelukken gebeuren op de door regen glad geworden weg en om te voorkomen dat de weg wordt stuk gereden. Ik zette mijn auto voor de slagboom en stapte uit, werd onmiddellijk overvallen door teintallen mensen. Overvallen is niet het juiste woord want men was erg vriendelijk en belangstellend. Er werd niet om geld of cadeaus gezeurd en dat was een hele verademing. Ondertussen was de regen gestopt en na nog 10 minuten grapjes maken met de inwoners van het dorpje werd de barrière omhoog gedaan en kon ik op zoek naar de waterval.

Ook de weg naar de waterval was ..eum…minder
Die bleek op zich niet ver, maar de weg er naar toe was spannend. Een smal bospad van een kilometer of twee met steile klimstukken en een paar gevaarlijke passages. Eenmaal aangekomen was de waterval wel aardig maar niet om laaiend over te zijn.

Hebben de mensen in Mali of Burkina nog een kenmerk in hun wang gegraveerd ten teken van bij welke stam ze horen, hier in Benin zijn veel gezichten compleet beklad. En niet zomaar met een penseel, er zijn groeven over het hele gezicht getrokken, en ook soms op buik of rug (foto volgt). Het staat zeker niet lelijk maar erg apart is het wel en het lijkt me een heel pijnlijke bedoeling. Die versieringen worden aangebracht op jonge leeftijd, is toch wat anders dan een tatootje op je linker bil niet waar….

Kraslot
In de avond voelde ik me plots onwel. Kreeg koorts die heel snel omhoog liep. Om 6 uur had ik 37.6, om 8 uur was dat 38,2. De diagnose is dan snel gemaakt, malaria. Nam dus onmiddellijk een lading Coartem (anti malaria middel) en lag om half 9 te slapen. In de ochtend was de koorts niet echt minder, sterker, ik voelde me moe en lamlendig. Besloot nog maar een dagje bij die waterval te blijven staan. Het was er uitermate stil en rustig. Er was een care-taker genaamd Gilbert. Aller aardigste man die, net toen ik de eerste avond een bordje rijst opgeschept had, zelf met een bordje rijst aan kwam zetten (met vieze vis prut er op). Ik heb gezegd dat ik geen vis at en hem mijn rijst met gehakt en kerriesaus gegeven, hier was ie heel erg blij mee.

De volgende avond kwam Gilbert met een bord Yam aan. Hij had er echt werk van gemaakt, een deel had ie geroosterd op een vuur en een deel gekookt. De geroosterde Yam was net friet, super lekker. De gekookte een beetje smakeloos. In de avond de twee lading Coartem geslikt in de hoop dat ik de volgende dag een stuk beter zou zijn. Mijn koorts bleef zo rond de 38,5- 38,8 hangen. Helaas was het de volgende ochtend weer slechter. Ik voelde me echt zwak-ziek en misselijk en begon aan de coartem tabletten te twijfelen. Immers zouden die nu toch echt effect moeten hebben gehad. Ondanks dat je zo’n kuur moet afmaken besloot ik toch te switchen naar een ander middel. Ik had drie andere middelen bij me. Lariam , Malarone en fandisar. Die eerste twee waren over datum. Van fandisar , wat ik ooit al eens eerder had geslikt, werd ik toen zo erg beroert dat dat ook niet aanlokkelijk was. Wat is dan wijsheid, geen idee. Omdat ik goede resultaten met de Malarone had gehad besloot ik die in te gaan nemen en in de ochtend van de derde dag begon ik daar dus mee. Het effect was wederom niet meetbaar die dag. De koorts steeg naar 39,5 en dat begon tegen de gevaren grens aan te komen, en dat terwijl ik hier midden in de bush-bush stond. En ik voelde me echt te beroert om te rijden. Zou ik dan hier het loodje leggen, bij de watervallen van Kota??

De malaria-watervallen
Om toch maar wat te doen begon ik paracetamolletjes en nurofenetjes er bij te slikken. Dat deed de koorts ieder geval goed en het eind van de middag, toen deze koorts verlagende medicijnen goed hadden ingekikt, voelde ik me zelfs zo dat ik me bed uit rolde. Buiten stond een blanke. Het bleek een Duitser te zijn die in Benin woonde. Sterker nog, hij woonde in het Nationale park Penjari waar ik naar toe wilde. Das nou eens boffen. Hij vertelde me dat ik er met mijn auto van z’n lang-zal-ze-leven niet in het park zou kunnen komen momenteel. Er was de afgelopen weken zoveel water gevallen dat alles sompig was. Er waren twee stukken weg weggeslagen door stort regens en daar zaten nu gaten waar het water schouderhoog in stond. In een van die gaten stond een auto, maar hij wist niet wat voor een want hij kon alleen het randje van het dak zien. Hij was zelf, met een speciaal daar voor geprepareerde auto het park in geweest en had niet een spannend dier gezien. Onderwijl had hij, tijdens die rondrit, tot drie keer vast gezeten.

Dat maakte dan snel een einde aan mijn Penjari plannen. Maar, als ik niet snel beter zou worden maakte dat natuurlijk ook niet meer uit.
Op de ochtend van dag 4 voelde ik me iets beter. De koorts was iets gezakt, ik durfde zelfs voorzichtig een kopje thee en een half boterhammetje naar binnen te gooien, moest ook wel voor de tweede lading Malarone. (had het de dag ervoor nuchter gedaan, en daar heb ik nog maagpijn van). Besloot, nu ik me iets beter voelde, maar gelijk deze plek te verlaten want als de malaria niet over zou zijn zou ik beter in de buurt van een ziekenhuis kunnen gaan staan. Reed naar Natitingou. Prettig opgezette langgerekt dorp. Zag een groot bord Çyber-cafge’, dus op de remmen. Helaas was het alleen maar een bord, het bedrijf zelf was er niet meer. Liep terug naar mijn auto en hoorde van alle kanten TSSSSSS geluiden, die ik maar negeerde. Maar een Beninaan kwam achter me aan. Zoekt u het internet café? vraagt ie… het zit iets verder terug. Ik loop wel even met je mee. Ik zag al dollar tekens in zijn ogen maar wilde ook graag internetten. Dus liep met hem mee, bijna een km terug, en ja hoor, mooi opgezette internet plek. Terug naar de auto wilde ik de jongen wat geven maar hij wilde niets accepteren. Nee hoor, ik wilde je gewoon helpen. Ik was zo gewend en geprogrammeerd dat alle Afrikanen alleen wat doen als er geld te verdienen valt, dat ik het niet kon geloven toen het wel eens een echt behulpzame gast was.

Kreeg mail van Ralph en Iris dat ze nog steeds met hun visa’s bezig waren en kreeg het idee dat zij pas de 15e Nigeria in zouden kunnen.
Na het internetten zette ik de weg voort richting Nigeria. Daarvoor moest ik eerste weer terug naar Djougou, dezelfde weg als ik was gekomen. Het was maar 100 km, dus dat viel mee. In Djoegoe liep er, in een drukke marktwijk van de stad, plots een kind van een jaar of 3 pal voor mijn auto de straat op. Hij liep niet hard, waggelde een beetje en keek lachend naar zijn doel, de overkant, de aanstormende banden van mijn auto geheel niet in de gaten hebbend. Links en rechts begonnen mensen al in paniek te schreeuwen, die zagen het naderende onheil. Een Afrikaanse vrachtauto zou het kind finaal plat hebben gereden. Een echte MAN van Rosier van den Bosch laat zijn ABS werken en remt net op tijd. Het kind heeft het nog steeds niet in de gaten en dreigt nu door een paar brommers die me links aan het inhalen waren te worden geschept maar het kind blijkt een engelbewaarder te hebben en waggelt tussen de voorbij rijdende motoren door naar de overkant. Ik geef een zucht van verlichting en vervloek de moeder die haar kind zo maar laat lopen. Dat is een ongeluk dat ik echt niet had willen zien.

Ook de doorgaande wegen bleken zeer matig
Het was ondertussen al 4 uu rin de middag en zag een verwijzing naar een hotel. Reed daar langs. Mooie locatie aan een meer, maar met een hek met poort waar net een normale auto onderdoor kan. Ik niet dus. Jammer en maar door rijden naar Parakou, hopend onderweg een plek te vinden om te overnachten.

Onder het rijden was ik de afgelopen dagen steeds vaker gaan merken dat mijn auto vibreerde. Had al een paar keer onder de auto gelegen ter inspectie, had al eens banden omgedraaid, maar kon niet goed achterhalen wat nu het probleem was. Ik vermoede dat het een van de ophang rubbers van de motor was die er erg ‘anders’ uitzag dan de andere. Maar kon geen zekerheid krijgen en besloot eigenlijk, omdat ik nu weer wat tijd over heb omdat Iriis en Ralph pas over een dikke week de grens over kunnen, in Parakou eens met een Garage te gaan praten.

De weg tussen Djougou en Parakou staat op de kaart als zijnde snelweg, dus dat moest goed zijn. Maar hij begon met zo af en toe een daverend gat. Ach, dat was te laveren. 20 km verder werden de gaten groter en frequenter maar ook daar draaide ik geen hand voor om. Toen ik plots een ogenschijnlijk rustig zijweggetje zag besloot ik mijn auto daar voor de nacht te parkeren. Eenmaal stond ik of er kwam een hele stroom mensen langs, het bleek het toegangspad naar een dorp te zijn. Maar mensen waren niet lastig en tegen het donker hield de stroom met mensen op en had ik ik een rustige nacht.

In de ochtend stortregende het waardoor ik mijn vertrek uitstelde naar een uur of 10. Het was weer droog en ik vervolgde mijn weg op deze vrij uitgestorven zondag. De gaten werden steeds groter en frequenter en op de helft van de weg was het asfalt vrijwel niet meer te zien. De vooruitgang werd stapvoets en ik vervloekte de landkaarten, de lonley Planet (die claimde dat hier alleen maar goede wegen waren) en Pipo de clown, omdat ie met zijn woonwagen harder ging dan ik op dit stuk scheitweg. De 100 km duurde dan ook tot ver in de middag. Bij de politie controle post bij binnenkomst in Parakou (de eerste die om cadeau’s zeurde) zag ik dat de houder van mijn olie vul leiding was gebroken, en zag nu de noodzaak van een snel bezoek aan een garage. Maar niet vandaag want ik was hondsmoe. De malaria, ondanks nu echt wel voorbij, sloopt je lichamelijk zodat je er dagen daarna nog zwakjes van bent. Reed wat rond om parkeerplek bij een Hotel te vinden, maar alles was zonder parkeer gelegenheid of met een lage poort. Al zoekend zag ik aan de noordkant van de stad een leegstaand terrein. Er stonden wel wat huisjes op, er was ook een poort, maar er leek geen activiteiten. Ik denk kom, ik doe brutaal, ik vraag of ik daar mag staan. De baas werd opgebeld, de baas die kwam (wie durft er hier een beslissing te nemen?) en hij gaf me toestemming om mijn auto er voor een of twee dagen neer te zetten.

Het veld bleek van de ‘societé de transporteurs de Niger’ te zijn, een staats onderneming van Niger die olie en gas vervoerde van Cotonou, de hoofdstad van Benin, naar Niger. Helaas pindakaas had de regering van Niger geen centen meer te makken. Toen ze een aantal jaren geleden alle blanken eruit gooide, droogde ook het geld op en al snel werd het bedrijf 3 jaar geleden (tijdelijk) gesloten. Er stonden nog wat tankwagens op het terrein (al drie jaar te roesten) en achter op het terrein een grote loods met daar in een werkplaats, ook die zat op slot. Verder was het eigenlijk een heel groot grasveld
En zo sliep ik op grondgebied van Niger, kan ik toch ook een beetje zeggen dat ik daar geweest ben. In de ochtend was het tijd geworden om een garage ter gaan zoeken, dus benaderde ik de Chef van de failliete boel. Beetje starre, stoïcijnse, extreem rustige man die ik niet heb zien lachen. Hij was verder vriendelijk, daar niet van en ik legde hem mijn probleem en vermoeden uit. Hij bleek zelf ex monteur te zijn en had er wel verstand van. Ondanks zijn rug problemen kroop hij heel voorzichtig onder de auto, keek wat, klopte hier, voelde daar en deelde me mede dat hij wat zou gaan bellen. Een uur later stond er een ander gastje voor de auto. Ook hij keek en deelde mee; kom, we slopen die motor steun er onder uit. Altijd in voor actie trok ik mijn overal aan en een uur later lag de motor steun er af. De motor werd ondertussen ondersteund door een krik met een ijzeren staaf, dat kon elk moment omdonderen, maar ja.. this is Africa. Het rubber was inderdaad flink op, dat moest vervangen worden. Die heb ik standaard bij me, dus dat is geen probleem, maar het rubber moet in de steun geperst worden en dat gaat alleen maar met een hydraulische pers. Er kwam weer een ander ventje, met een dikke Mercedes, ik moest instappen. Die scheurde zo gevaarlijk door het verkeer heen dat ik angst had. Bij een keet aangekomen werd mijn steun met rubber en uitleg achter gelaten, om 12 uur zou het klaar zijn. Nouja, ik zal de rest van het verhaal in verkorte versie doen, maar je snapt, om 12 uur was er niks klaar en toen ik eenmaal de ingeperste steun had en terug bij de auto, bleek het rubber er op de kop te zijn ingezet. Dus alles weer overnieuw. Uiteindelijk om 4 uur in de middag zat alles er netjes in. Pfew dat was hard werken. En dat voor een ex-malaria patiënt, viel allemaal niet mee.

De man die me geholpen had treuzelde een beetje en ik kreeg van de chef te horen dat ie op een cadeau te wachten stond. Dom als ik was liep ik de markt op, kocht wat lekkers en stalde dat vol trots voor de mannen uit. Kom op joh, lekker schransen. Ik zag de gezichten op de knieën zakken. Nee, eten wilde ze niet en ze weigerde wat te nemen. Wat nu. Ik pakte wat basball-petjes van MAN die ik in de auto had. Die werden eerst met ongeloof aangepakt maar daarna toch opgezet. De gezichten bleven op half zeven, ik begreep ineens, ze wilden geld. Nu zaten er ook mannen bij die er gewoon rond hingen en ik had geen zin met geld te strooien, dan wilde ieder, dus ik beloofde morgen een aardig financieel cadeau te hebben voor ze. Morrend liepen ze weg, mij met een rot gevoel achter latend. Ze hadden me immers wel goed geholpen.

De volgende dag besloot ik de chef het geld te geven, dan kan hij het mooi verdelen. Vanwege zijn rug klachten wilde ik hem ook helpen met wat rug oefeningen en al doende stapte ik op de man af met 10.000 CFA (zeg maar 12 euro) en de rug oefeningen. Hij werd er helemaal blij van, begreep het allemaal en niks was een probleem. Dat was ook weer opgelost.
Het wachten bleef op Ralph en Iris en ik begon eigenlijk wel genoeg te krijgen van dat wacht gedoe. Hing eigenlijk al, zonder het echt prettig te vinden, te lang in Ghana, Togo en nu Benin rond en wilde verder. Het gaf een beetje een nietsnutterig gevoel. Voor even is dat niet erg maar het duurt nu te lang. Maar kon niets anders doen dan wachten. Liet die dag maar een Afrikaans pak op maat maken (bij elkaar 12 euro) en nam nog eens een motor-taxi naar het internet café om te kijken of er nieuws van de Duitsers was. Liep wat rond op de lokale markt, maar echt iets boeiends was daar niet bij. Groenten zijn er vrijwel niet. Heel af en toe zie je wat zielige worteltjes, genoeg ui en tomaat, maar dan is het op.
Sliep slecht hier. Het is Ramadan en dan gaat de moskee vanaf 11 uur in de avond al bidden, uiteraard door de luidsprekers. En dat gaat uren door. Deed de tweede nacht oordopjes in, maar dat slaapt toch minder lekker.

Reed een rondje met de auto om te kijken of de vibratie er nu uit was maar kon er eigenlijk geen goed gevoel over krijgen. De wegen waren te slecht of te druk om naar de 60 km p/u te gaan en als het eens wel mogelijk was, was de weg zo hobbelig dat het moeilijk was een indruk te krijgen. Maar als ik moest kiezen, zou ik zeggen dat het vibreren erger geworden is. Moest het maar gokken.
Had besloten woensdag de 8e Parakou te verlaten. Stond hier wel veilig maar ook erg alleen. Ondanks dat een paar biertjes drinken met de ‘chef’ de vorige avond erg gezellig was, jeukte het. Stond lekker te douchen op woensdag ochtend, klap, boink, rinkeldekinkel, krijs, schreeuw. Dat moest een ongeluk zijn op de hoofdweg. Hoorde onmiddellijk kabaal en mensen schreeuwen dus ik wist genoeg. De dooie uit Lomé stonden nog op mijn netvlies dus ik nam me voor niet te gaan kijken. Maar na het douchen ben ik toch een snelle blik gaan gooien. Dit keer was de ambulance er wel snel bij. Twee motor rijders waren frontaal op elkaar gebotst, de wrakken lagen midden op de weg. Blijkbaar waren er dit keer geen dooie want de slachtoffers waren van de weg af en werden door de ambulance snel afgevoerd. Maar het is weer een herinnering over het gevaar op de weg hier, zeker als motor rijder zijnde (en dus ook achter op een brommer-taxi). Er is er geen een die een helm draagt en heb zelf al meerdere malen op een brommer taxi gezeten die zo gaar was dat het een wonder was dat ie reed. Zwaar doorgezakte vering achter (van altijd die passagiers achterop), lekke of zachte banden, remmen die het niet doen, bah bah.
Na een bezoek aan de ‘Grande Marche’ (lees puinzooi gebied met 1 miljoen kleine stalletjes) dat altijd enerverend is, een bezoek aan de bank, het t tankstation en de bakker begon ik maar noordwaarts te rijden. De weg was erg slecht. Het is de hoofdweg van noord naar zuid (of andersom) er rijd heel erg veel vrachtverkeer. Vrijwel alle goederen voor Niger gaan over deze weg en die is dan ook zo kapot gereden dat de enige overeenkomst met het woord weg nog was dat er asfalt lag. Dat de gaten tussen dat asfalt groot en diep waren was opmerkelijk want Benin doet veel zaken met Niger over deze weg, en deze niet onderhouden is zelfmoord plegen. Er is zelfs geen poging gedaan om wat aan onderhoud te doen. Toen ik plots bij een Tol poort aankwam, heb ik verteld wat ik er van dacht. Dat luchte tenminste iets op. Het aantal kapotte vrachtwagens langs de kant van de weg is groot. Hoorde bijvoorbeeld dat vorige week een defecte vrachtwagen de hele weg had geblokkeerd en dagen dicht had gehouden. Vandaar dat er op zondag zo weinig vrachtwagens reden in Parakou.

In tegenstelling tot Togo vond ik diverse goede overnachtings plaatsen en ben om 4 uur er maar op een gaan staan. Ga er nog steeds van uit dat Ralph en Iris ergens achter me rijden. Theoretisch is het natuurlijk mogelijk dat ze me in Parakou voorbij zijn gereden en al aan de grens staan, maar die kans is erg klein.
Behalve dat de weg slecht is, is het vracht verkeer hier levens gevaarlijk. De mega vrachtwagens, ook hier vet overladen, denderen door de gaten heen. De weg is net breed genoeg voor twee vrachtwagens, maar er zijn soms ook stukken zijkant van asfalt afgebrokkeld en dat maakt de weg smaller. Die mega-vrachtwagens denderen gewoon door en als ze een stuur fout maken (of jij) heb je een frontale botsing die zijn weerga niet kent. Het zou niet de eerste keer zijn dat dat gebeurt. Ik vond het erg onprettig en gevaarlijk rijden, dus ik ga maar wee langzaam.

Ndali was het laatste redelijke drop voor de grens met Nigeria. Bij Ndali moest ik rechts af het zandpad op. Verwachte geen goede weg maar ja, de asfalt weg was ook niet denderend. In Ndlai probeerde ik ergens internet te vinden om te kijken of er bericht van de Duisters was. Het was maar een dorp van niks en ik verwachte eigenlijk niet iets te vinden. Bij het post kantoor stond, als klant, een beetje dikke, welgestelde dame, en die kon me vertellen dat er bij de mission (lees het klooster annex ziekenhuisje) een computer zou staan. Ik op de taxi-brommer er na toe. Na lang wachten werd me door een zuster mede gedeeld dat de computer stuk was. Jammer, dat ging dus niet lukken. Dus draaide ik het zandpad op en zette koers naar Nikki. Nikki is het laatste dorp in Benin, hier zou ook het kantoor van de douane zitten, iets verder op de immigratie. De weg was inderdaad drie keer niks. Vol met gaten en, erger nog, sleuven, getrokken door weglopend water. Het was regen seizoen, niet de beste tijd om hier te rijden maar veel keus was er ook niet. Daarbij was het wel spannend en als ik echt vast zou komen te zitten, ach, dan zouden de Duitsers op een gegeven moment vanzelf verschijnen. Het verkeer op de weg was minimaal, des te opvallender waren de konvooien met Europese auto’s die langs scheurde. Had ze op de hoofdweg ook al de hele dag gezien en ik wist wat dat betekende. Er was een Grimaldi schip aangekomen in de haven van Benin, vol gestouwd met een paar duizend oude Europese auto’s. Ik had vermoed dat die naar Niger gereden zouden worden, immers heeft dat geen haven. Vaag was dat ze dus allemaal afsloegen naar Nikki, dus ook naar Nigeria gingen. Des te vager, want vanaf de haven in Benin rijd je in een paar uur naar de grens van Nigeria en dan door naar Lagos. Maar blijkbaar was daar te veel criminaliteit en werden de auto’s gewoon een paar dagen om gereden over zandpadjes om die ellende te omzeilen. Wel typerend en het deed met gesterken in de gedachten dat ik de goede keuze had gemaakt om Nigeria een stuk noordelijker binnen te gaan ipv aan de gevaarlijke en corrupte Niger-delta zuid kant.

Het zandpad schoot niet echt op. Ik had ook geen haast dus parkeerde rond het middag uur mijn auto op een mooie plek midden in de natuur, zo’n 50 meter van de weg af op een soort gravel vlakte. Vanwege de mogelijke regens moet je voorzichtig zijn hoe en waar je je auto neer zet. Lag heerlijk een boek om mijn e-reader te lezen (super ding) toen er een takkenwijf aan kwam lopen. En dan bedoel ik uiteraard een vrouw die hout gesprokkeld had. Ze vond me wel interessant en ging op een 20 meter afstand (nadat we elkaar netjes gegroet hadden) haar hout lopen hakken. Weg stilte. Toen er nog twee vrouwen bij kwamen en hetzelfde ging doen, reed ik maar verder. In een sukkelvaartje van 5-7 km p/u vond ik om 2 uur in de middag net zo’n mooi plekje en bleef daar staan.

Kreeg bezoek van een paar mensen maar niet veel. Er was blijkbaar een dorpje niet al te ver weg. Hoorde af en toe ook wel stemmen en kinder stemmetjes ver weg. Het begon net donker te worden toen er een stem klonk. Ik keek naar buiten en daar stond een man met in zijn hand drie yam’s. Het was ene cadeau voor mij. Ik was ontroert, dat soort vriendelijkheid maak je in Afrika niet vaak mee. Accepteerde één Yam, die kon me een week voeden. Ondanks dat het zo’n lokaal weggetje is, was er best veel verkeer. 95% daar van is brommer/motor, even de grimaldi caravan niet meetellende. Heel af en toe een oude Peugeot, volgestouwd zodat de auto knarsend door de hobbels heen rijd, zijn chassis over het zand slepend. De schokbrekers rammelen gevaarlijk en vaak komt er dan ook nog eens zo’n walm rook uit de uitlaat dat je denkt… waar rijd die man op? Waarschijnlijk motor olie.

Zo gauw het donker word droogt al dat verkeer op. Het is lang geleden dat ik zo’n rustige nacht heb gehad zeg. Zelfs de krekels, kikkers en ander ongedierte hield zich rustig. Sliep zou goed dat ik al om 5 uur wakker was omdat ik dacht dat er iemand om de auto liep. Dat kan je goed horen vanwege het gravel. Dat knerst. Maar het bleken van allerlei insecten te zijn die op mijn, intussen vochtige dak, waren geland en daar in het water terecht waren gekomen en weer probeerde weg te komen.

In de ochtend was het mistig. Ik kreeg bezoek van Osman, een klein kereltje die claimde 15 te zijn. Hij woonde in het dorp iets verder op en was op weg naar het veld om mais te gaan plukken. Morgen zou het feest zijn, het einde van de ramadan, en er moest voedsel gekookt worden. Op zijn lamme fiets met lekke voor en achterband en uiteraard geen remmen, besloot hij ter plekke dat mijn auto erg mooi was en besloot hij ook dat hij met me mee zou gaan. Ik speelde het spel mee, en claimde dat zijn ouders dat toch echt niet goed zouden vinden. Daarbij is Holland koud en nat en niks voor je, claimde ik nog. Maar zijn besluit stond vast, zijn ouders zouden het geen probleem vinden, hij zou ze ook niet missen. Maar eerst ging ie mais zoeken.
Dat zijn van die gesprekken die je hier dus vaak hebt, Osman zou ik waarschijnlijk niet meer terug zien. Krijg het idee dat, als je zegt van ja hoor kom maar mee, het een soort eer voor ze is. Of misschien een soort van gastvrijheid die je laat zien wat men dan erg waardeert, zonder dat ze echt eigenlijk mee willen.

In de ochtend was mijn was nog niet droog dus wachtte op een beetje zon. In plaats daar van kreeg ik dikke donkere wolken. Altijd hetzelfde gezeik als ik de was heb buiten hangen. Ach ja, dan blijf ik toch gewoon nog een dagje staan, zo beroert was het hier ook niet. Maar, op zaterdag zou ik dan weg gaan. Echt waar. Op zaterdag was het heerlijk weer, misschien iets te warm. Weet je wat, blijf ik vandaag ook nog staan, morgen, zondag ga ik echt rijden. Ondertussen waren er al wat lokaaltjes langs geweest, de een kwam met een yam aanzetten, de ander met een handjevol tomaten, de derde met wat kolven mais. Ik werd goed verzorgd en het waren nog aardige mensen ook, wat wil ik nog meer. Ik zat net aan een kopje soep voor de lunch toen Ralph en Iris aan kwamen rijden. Ze parkeerde de auto naast de mijn en we besloten dat we morgen samen verder zouden rijden. Duis was het ervaringen en verhalen uitwisselen, biertje er bij, het was weer gezellig.

Zondag reden we gezamenlijk richting Nigeria. Ralph maakte me er op attent dat ik al twee weken de verkeerde tijd aan hield, het was namelijk in Benin een uur later. Oops. Geen probleem, alleen zouden we om 8 uur in de ochtend gaan rijden, dat was dus eigenlijk 7 uur voor mij, wel wat vroeg. Maar klokslag 8 uur reden we al hobbelend over de laatste 60 km zandpad naar Nigeria. Daar gebruikte we de hele ochtend en een deel van de middag over. Kleine tussenstop in Nikki om wat groenten te scoren. Helaas was een kilo ui het enige waar ik mee terug kwam.

Op naar Nigeria
De grens overgang om Benin uit te komen was niet spectaculair, stempeltje, formuliertje, nog een stempeltje en klaar. Op ons stond een van de spannendste landen te wachten; Nigeria. Dat land maakte zijn reputatie al gelijk waar bij de grens, waar de douane mijn visa in twijfel trok. Maar daar over en volgende keer meer.

Ik vond Benin een verademing. Veel prettiger dan Togo en ook beter dan Ghana. Mensen zijn erg vriendelijk en relaxed. Een land om nog eens naar terug te keren