20101000 – Oktober 2010, Kameroen

Kameroen is weer een Frans sprekend land, een hele ommekeer van het volle en Engels sprekende Nigeria. Ik wist niet veel over Kameroen, behalve dat het me groen leek.

Nog voor ik de grens over was naar Kameroen, werden me al volgende woorden toegeschreeuwd: ‘Donnéz mois une cadeaux. AAAAAAHHHHH, we komen weer terug in een francofiel land, een land waar de mensen echt denken dat we helemaal uit Europa zijn komen rijden, speciaal om hun cadeau’s te geven. AHHHHHHHHHHH.

De grens formaliteiten in Kameroen waren wat apart. Omdat de grens overgang midden in het dorp lag, liep iedereen gewoon over de grens heen. Niks papieren controleren, weg gezwollen verhalen die ik in de Nigeriaanse krant las over strengere grens controles.

Route door Kameroen
Eenmaal onder de slagboom door en beland in Kameroen werden we besprongen door geld wisselaars, grens hulpers , bedelaars, patjepakkers, tauts, auto wassers, brood verkopers en andere mensen, het was een ‘gezellige’ drukte. Ik had minstens 20 man achter mijn kont lopen, Ralph ook. Hoofd koel houden, in de auto springen en langzaam door de mensen massa rijden. De kantoren van immigratie en douane waren heel ver van elkaar verwijdert en ‘ergens’ in het dorp. Nadat onze kabel-omhoog-duwer nog enige elektra en TV kabels omhoog had geduwd vonden we de immigratie. Hier geen problemen, alleen wel weer met instappen in de auto. Er stonden nu wel 30 geldwisselaars om me heen, allemaal schreeuwend en pakken met geld omhoog houdend of in mijn gezicht duwend. Ik wilde wel geld wisselen, maar niet zo midden op straat, te midden van 30 duwende mensen, dan weet je gewoon dat het fout gaat. Nam de gast met het vriendelijkste gezicht en beste wisselkoers mee in de auto en zowel Ralph als ik wisselde om naar oostelijke CFA. Jaja, het is weer franken land, maar dit keer is het niet de westelijke CFA maar de oostelijke CFA. Die heeft dezelfde koers, maar ziet er gewoon wat anders uit. Gemiste kans voor de Afrikanen. Die hadden al ver voor de Euro een grote gemeenschappelijke munt kunnen hebben.
De Douane zat 3 km verderop, net buiten het dorp. Een zeer vriendelijke vrouw vulde ons biljetten in en hoppa, officieel Kameroen in.

Kameroen is dus een oude Franse kolonie (alhoewel de Engelsen en de Portugezen er ook huis gehouden hebben, maar voornamelijk in het zuiden). Zoals bij elke oude Franse kolonie hebben de Fransen de boel leeg geroofd en niets maar dan ook niets er voor terug gegeven. (met uitzondering van het stokbrood). Gevolg, ieder geval in het noorden, een door en door arm land. In het zuiden is het waarschijnlijk beter, daar zijn de Engelsen aan land geweest, maar daarover kan ik dus pas later berichten.

Kameroen is iets meer dan 10x zo groot als Nederland en telt 18 miljoen mensen. Ik vermoed dat dat aantal een schatting is. Ik vermoed ook dat meer dan 60% van die 18 miljoen onder de 16 is. De voertaal is dus voornamelijk Frans hoewel er in het zuiden hier en daar ook Engels gesproken word.
De infrastructuur is nog erg onontwikkeld. Het zuiden kent de beste wegen. Daar is ook de hoofdstad Yaoundé en het economische centrum in Douala.

Politiek gezien is Kameroen een echte Afrikaanse …eum …democratische dictatuur als je snapt wat ik bedoel. Paul Biya is al 30 jaar de heersende man. Onder druk van het westen zijn er in de afgelopen jaren democratische verkiezingen geweest maar er was zoveel intimidatie en stem-vervalsing dat Biya altijd in het zadel bleef. Rara. Ex-Pats vermoeden dat als Biya ooit dood gaat, het land wel eens in een zeer diepe afgrond kan gaan glijden, misschien zelfs wel richting burger oorlog. Toch is het Kameroen niet slecht gegaan de afgelopen decenia, maar dit kwam vooral door de vondst van olie. Olie die momenteel aan het opdrogen is en dat zal wel eens een groot probleem kunnen gaan worden.
De weg van de grens naar het eerste plaatsje, Mora, is verschrikkelijk. Het is de officiële weg die ook door grote zwaar beladen vrachtwagens gebruikt word. Het is een zandpad, en niet meer. Als het regent houden de vrachtwagens stil en wachten dan tot 6 uur na het stoppen van de regen. Anders is er geen doorkomen aan. Wij hadden redelijk geluk. Het had gisteren geregend maar was nu al weer 10 uur droog. Het pad was hier en daar nog wel modderig maar een vier-wiel-drive heeft natuurlijk vele voordelen boven een zwaar beladen 18-wieler. Laat staan natuurlijk nog de geweldige chauffeur achter het stuur whaoaoaoao. (even mezelf een schouderklopje geven, niemand anders doet het..)

Lokaal vrouwtje, vrolijk kijken was er niet bij
Bij het passeren van een klein dorpje stonden er een troep kinderen langs de weg. Dat gebeurt wel vaker en hier staan ze gelijk weer cadeau.. cadeau te schreeuwen. Maar de kids in dit dorp maakte het wel heel bont. Toen ze me aan zagen komen begonnen ze plots met de handen wat grind in een groot gat te gooien, net te doen alsof ze wegwerkers waren. Daar aangekomen werd er agressief geschreeuwd om geld. Welkom in Kameroen was een betere kreet geweest. Helaas was dit gedrag waar ik weer aan moest wennen, het bedelen neemt hier onprettige vormen aan.
Moet wel zeggen dat je steeds harder word met bedelaars. Stond ik een paar maanden nog wat onzeker tegenover mensen die zo keihard in je gezicht zeiden dat ze dit of dat wilde hebben, nu krijgen ze steeds vaker een ‘wat moet je, rot op randdebiel’ antwoord. Uiteraard altijd in het Nederlands.

Je kan in Afrika vaak niet aardig zijn tegen iemand. Als je iemand wat geeft, krijg je onmiddellijk een hele meute over je heen die ook wil. Dus geef je niks, terwijl je soms best wilt.

Eenmaal in Mora aangekomen begon er asfalt. Uiteraard met gaten, hobbels, afgebrokkelde zijkanten en veel verkeer. Bij het verlaten van Mora, het was al 4 uur in de middag, een politiepost, en vlak daar achter een mooi groot veld met bomen. ‘Mijnheer de agent…mogen we…..’ Pas de problem’, en we sliepen er heerlijk.
Verder door zuidwaarts werd de weg er niet beter op. Die vele gaten en hobbels en afgebrokkelde zijkanten maakte het erg zwaar rijden. De weg was door de afgebrokkelde zijkanten soms gewoon te smal voor twee auto’s, en altijd, op zo een punt, komt er natuurlijk een vette vrachtwagen tegemoet. Die gaan niet op zij, bang dat ze hun veel te hoog en zwaar overbeladen vrachtwagen kantelen, dus moet je, voor de veiligheid zelf met een wiel het asfalt af, met kans op kapotte banden omdat de afgebrokkelde asfalt scherpe randen heeft.

De omgeving is net als vorige dagen. Minimaal heuvelachtig, veel mais en veel pinda teelt en gierst. Gierst lijkt qua stengel op suikerriet, maar bovenop zit een grote tros met kleine korreltjes die momenteel langzaam aan het rood kleuren is en erg mooie kleur schakelingen geeft in het landschap. Af en toe stukken met van dat hoge gele Afrikaanse gras doorspekt met bomen.

Dit is gierst geloof ik..
Omdat zowel Ralph en Iris als ikzelf langzamerhand laag aan de proviand zaten reden we Maroua in. Een redelijk grote stad waar we de auto voor de markt neer zette. Behalve wat frisdrank was er echter niks interessants te koop, de groente markt was duidelijk elders. Maar een restaurant met terras bood uitkomst en een stuk kip met patat deed wonderen, ondanks dat het vlees aan de kip met een vergrootglas gezocht moest worden. Maar wel lekker zo, met uitzicht op het drukke plein.

Net als in Nigeria erg veel dorpjes. Vaak aan elkaar geplakt, het ene dorp houd op, het volgende begint. Maar de dorpjes zijn veel kleinschaliger dan in Nigeria, waar in de ‘kleine’ dorpen duizenden mensen wonen. Hier is een dorpje een paar families met elk honderden kinderen. Kinderen kinderen kinderen, als paddestoelen.

Het ene dorp hield op, het volgende begon.
In een dorp was het markt. Ik had geen groente, geen melk, geen brood meer, dus stoppen en hopen. Maar in plaats van met gezonde dingen, kwam ik er met een zakje vette oliebollen en een verlept stokbrood vandaan. Op groente gebied was er weinig keus. Lady-fingers. Dat zijn van die groene soort worteltjes. Ik ken ze uit India, er zit weinig smaak aan. Als je ze iets te lang kookt worden ze slijmerig. Verder wat uien en vaag fruit wat er zuur uit zag. Hoe krijgen die mensen vitamines binnen? Het enige wat er veel te koop is, is vlees.

De ronde huisjes van Noord Kameroen
Vrouwen hebben hier veel fel gekleurde gewaden aan. En dan bedoel ik echt pijn aan de ogen fel. Knal rood, oranje, groen of diep hel-blauw. Erg mooi en heel opvallend. Ze lijken een beetje op de Sari’s uit India, lange doeken ook vaak over het hoofd geslagen en heel elegant (ook al zit er nogal eens een rimpelig oud vrouwtje onder de fraaie doeken).

Na deze zware dag rijden vonden we om 4 uur een heerlijk plekje tussen het Afrikaanse gras. Heerlijk echt…… tot het donker werd. De hoeveelheden insecten die toen op kwamen zetten waren zo enorm dat het niet meer doenlijk was om ook maar één lampje aan te laten. Een enorme hoeveelheid aan kleine zwarte torretjes stormde tegen mijn muggennet. In zulke grote hoeveelheden dat ze het elastiek van het muggen net opzij duwde en allemaal gezellig binnen kwamen. Ik schat een stuk of 10 duizend. Ook buiten zitten zonder licht resulteerde in een bombardement van kleine zwarte stink kevertjes, maar een oplossing, binnen in bed onder het muggengaas gaan liggen, zonder licht aan. Gezellig is anders.

De duizenden torretjes wilde allemaal op visite komen
De volgende morgen moest ik eerst een half uur kevertjes ruimen. Ik heb er wel 3000 uit de auto geveegd, en elke keer als ik de boel kever-vrij had, kwamen uit hoeken en gaten weer meer kevertjes gekropen. Als je kevertjes dood maakte, stonken ze, dus dat was geen optie.
Door dan maar naar het zuiden. Het doel was Lacdo, een groot stuwmeer. Ralph had een mooie slaapplek van iemand gekregen (het adres dan he). Het was niet zo ver meer, dus in ons vizier een lekkere middag aan het water zitten met een biertje. Ha, hoe anders pakte dat uit.

De dag begon goed, mooi weer. De weg veranderde in een glad nieuw aangelegd asfalt zonder gaten, het zonnetje scheen en met de zonnebril op is altijd alles mooier. De omgeving werd iets heuvel achtiger en het was zeer prettig rijden. De afslag naar het stuwmeer was vaag en stond op elke kaart anders. (gezamenlijk hadden we 4 verschillende kaarten, allen hadden een andere mening). Ralph wilde een piste rijden, ik gokte op een asfalt weg die er wat verderop misschien zou zijn. We troffen elkaar weer bij het meer.
Het was wat moeilijk de waarschijnlijk mooie slaap plek te vinden maar uiteindelijk vonden we de goede weg. Door een paar hele drukke dorpjes die, zo leek het wel, alleen maar uit joelende kinderen bestonden, daarna over een voetbalveld, tussen een rij lemen huisjes door. Dit werd gevolgd door een stuk zand pad en hierna zou ‘De blauwe lagoon’ voor ons zijn. Ik reed achter en had 6000 kinderen achter me aan. In de verwarring zag Ralph een stuk drijfzand over het hoofd en ik zie hem zo met zijn linker voor en achterwiel een meter in de blubber zakken. Hij helde zo ver over dat er enige angst was dat hij om zou kiepen. En daar sta je dan. Met een schare aan Afrikanen om je heen, zo ver in de blubber dat zelfs een krik niet meer onder de auto paste.

Oops, tot de assen in de modder
Dan beginnen de Afrikaanse toestanden. Iedereen weet het beter, iedereen heeft dollar tekens in de ogen, iedereen schreeuwt door elkaar heen en iedereen doet zijn ‘beetje’ om te helpen, meestal van de regen in de drup en tegen de wens in. Zo begonnen er plots afrikanen modder weg te scheppen met de handen, modder op die plekken waar de auto nog een beetje gestut werd. Als die modder weg was, zou de auto zeker om vallen. Na 5 keer vragen die modder NIET weg te scheppen snapte ze het, maar dan kwam er weer een andere Afrikaan die precies hetzelfde ging doen.
Eerst proberen een krik onder de auto te krijgen, zodat ie aan één kant wat opgekrikt kon worden en stenen onder de banden leggen. Pech, de grond was zo zacht dat de krik met ondersteunend hout zo de modder werd ingedrukt. Ook andere opties lukte niet, er bleef maar een ding over, kabel aan mijn auto, modder achter banden weg scheppen en de auto achteruit proberen uit de modder te trekken. Na veel graven, zandplaten en stenen leggen lukte het me om Ralph weer los te krijgen zonder dat hij omviel. Het was toen al bijna 6 uur en bijna donker.

Van dat soort acties word je intens moe. Niet eens zo zeer van het graven en de spanning, want als Ralph zijn auto om zou hebben gekiept was de ellende niet te overzien. Maar je wordt moe door de 75 rond hangende Afrikanen. Die praten allemaal tegelijk, hebben allemaal een mening, willen allemaal helpen, willen allemaal je aandacht trekken en zitten allemaal aan je auto. Je kan niet boos worden want dan kan de situatie zo omslaan in een bedreigende. Maar je moet het wel allemaal in de gaten houden en begeleiden, je moet masseren, grappig doen en vrienden maken, maar er ook voor zorgen dat de auto uit de modder komt. Je komt ogen en oren tekort en het kost bakken energie.

Er werd me verteld dat ik er goed in was. Vorige week had er blijkbaar ook iemand vast gezeten. Die persoon was lang niet zo vriendelijk als ik. Nu kan ik me dat goed voorstellen, ik denk als het mijn auto was ik ook niet zo echt frivool zou zijn. Later hoorde ik dat het John en Gon waren die er vast hadden gezeten. Maar die hadden het gepresteerd om, nadat ze eindelijk uitgegraven waren, de auto om te draaien en op de terugtocht een paar meter verder weer vast te zitten. Oops.

De hele middag had ik zo af en toe irritante kleine zwarte vliegjes van benen armen en hoofd plat geslagen die daar blijkbaar aan het bloed zuigen waren. Ik kende de vliegjes niet, maar volgens de lokalen heten die beesten de ‘moet-moet’. Toen ik na al het graven mijn vieze lange broek ruilde voor een korte, had ik in de kortste keren 30 of 40 van die rot vliegjes op mijn benen. Ik had het te laat in de gaten en het was een bloedige gezicht en snel ruilde ik de korte broek weer in. Maar de volgende drie dagen jeukte elk bultje als een gek en zat ik de helft van de dag te proberen niet de bultjes open te krabben.

De volgende ochtend moest hetzelfde riskante weggetje weer terug genomen worden. Dit keer kwam ik vast te zitten, maar niet zo erg als bij Ralph. Ik werd snel los getrokken en het laatste stuk van het weggetje was of door modder, of door water. Ralph koos voor modder. Ik zag zijn auto hotsen en botsen. Hij moest snelheid houden om niet vast te komen en zijn auto ging zo te keer dat ik bang was dat hij nu echt zou omvallen. Toch ging het goed. Ik koos, na lang beraad, om door het water te rijden. Op het diepste punt was het zo’n 70 cm meter diep, dat viel dus wel mee, maar als ik daar in modder zou zakken zou het bijna onmogelijk zijn om mezelf daar uit te graven. Met het zweet in de handen (en niet alleen daar), gaf ik gas om door het water te rijden, en ik moet zeggen, dat ging wonder boven wonder erg goed. Stoer kwam ik aan de overkant aan… pfff, no problem, this is a real MAN. Daarna snel stiekem het zweet uit allerlei lichaamsholtes droog gemaakt. Weer erg spannend begin van de dag.

Wat een bende
Verder zuidwaarts bleef de weg matig. Zag tot twee keer toe geparkeerde vrachtwagens, half op de weg, die door onoplettende en onvoorzichtige mede weg gebruikers niet waren opgemerkt. Onder een achterkant van een vrachtwagen lagen de restanten van een motorfiets, onder een andere een paar kilometer verder stond de resten van een minibusjes. In beide gevallen kan het niet goed afgelopen zijn. Het blijven gruwelijke taferelen en bewijs dat ook al sta je stil op de weg, je een dik ongeluk kan veroorzaken. Maar plek om van de weg af te stoppen is er meestal niet…

Dat doet me ineens denken aan die bromfietser gisteren. Ik remde hard voor een kuil in de weg en liet mijn auto rustig door het gat zakken. Een bromfietser achter me haalde me in en riep heel boos dat ik moest toeteren als ik remde. Hoe kan ik anders weten dat je remt. Woedend met zijn vuist zwaaiend reed hij me verder voorbij. Afrikaanse weg regels zijn soms niet helemaal logisch, maar als hij achter op mijn auto knalt, heb ik het uiteraard wel gedaan.

Even stoppen om koffie te drinken. Ik sta nog geen 3 minuten of er komt een auto aan rijden. Daar in zit een politie agent. Hij stapt niet uit maar roept me vanuit zijn geopend raam en dan volgt het volgende gesprek, vertaald uit het Frans:

Agent: Goede middag, gaat alles goed?
Ik: Ja zeker, alles gaat goed, en met U.
Agent: Met mij niet zo goed. Ik heb namelijk een camera nodig. Heb je een camera voor mij?
Ik: Sorry, wat bedoelt U?
Agent: Ik wil een camera hebben, kan je die van jou aan mij geven?
Ik: Maar agent, ik ben een toerist en maak graag foto’s en ik heb maar één camera, dus die houd ik zelf.
Agent: Ja maar ik heb hem echt nodig hoor, dus geef me nu maar je camera.
Ik: Het spijt me agent, maar dat kan ik echt niet doen.
Agent: Oh……….
Agent: ………. De agent kijkt boos, frons op zijn wenkbrauwen, kijkt wat rond. Plots leeft zijn gezicht weer op.
Agent: Geef me dan je fiets maar.
Ik: kan ik ook niet doen, maar weet je wat, vraag het mijn vrienden in die andere vrachtwagen, misschien hebben zij wel veel camera’s bij zich.
Dat Ralph en Iris geen Frans praten heb ik er per ongeluk niet bij verteld. Snappen jullie dat soort gedachten van zo’n agent?

In de middag ontmoete we , boven op een bergpas, Gon en John. Ook al een poosje op weg met hun DAF truck, zijn ze 10 maanden in Kameroen blijven hangen omdat ze werk hadden. Dat was klaar en ze wilde nu ook verder naar Zuid Afrika. Ik had al lang contact met ze via onze websites and mail maar nog nooit gezien. Toch was het alsof ik oude vrienden tegen kwam. Het hebben van dezelfde ervaringen en levenswijze doet vriendschappen ontstaan.

Aangenaam, ik ben John..
Als je eens tijd hebt moet je hun website bezoeken (http://www.adventuremotors.nl), Gon schrijft leuke, levendige en grappige verhalen die minimaal even leesbaar zijn als die van mij.

De volgende twee dagen bleven we met drie auto’s op de bergpas staan. Het was er heerlijk koel, in de nacht zelfs koud met 17 graden, er waren nagenoeg geen insecten en ook geen mensen in de buurt. Er gingen heel wat biertjes open en kwamen heel wat verhalen en ervaringen op tafel. We deden wat klein onderhoud aan de auto’s, spraken over toekomstige plannen om door de Congo’s en Angola heen te komen, dronken nog een biertje en klepte nog wat meer.

11 oktober richting zuiden.Er zijn twee wegen zuidwaards, maar een is in de regentijd niet begaanbaar. De andere is ook slecht. Men is bezig een nieuwe weg aan te leggen maar die is nog (lang) niet klaar. Gevolg is niet leuk. De weg bevat een lang stuk piste van een paar 100 km die erg slecht zou zijn. Ik had van andere reizigers al info dat er veel defecte en in de modder gezakte vrachtwagens op het pad zouden staan en dat het met regen vrijwel niet te doen was. Dus bidden dat het droog zou blijven.

De voorboden waren niet goed, de nacht voor vertrek regende het hard en langdurig. Dus spendeerde we wat extra tijd in de naburige stad Ngaoundére. Diesel tanken, water tanken, boodschappen doen. Er was een grote moderne bakker en voor de deur stond een echte Palestijn uit Gaza shoarma te bakken. Deze werd in een vers warm stokbrood gepropt en smaakte hemels.
De piste richting Garoua-Boulai was inderdaad slecht en we vorderde langzaam. Het was even wennen want nu reden we met drie vrachtwagens, het begon een hele kolonne te worden. Af en toe zaten er van die zachte modder plekken in de weg en het was goed opletten om niet vast te komen te zitten. Ik had al twee dagen keelpijn en die werd steeds erger dus ik wilde betijd stoppen. Vond een zeer prima plek in, zoals gewoonlijk, een gravel piste. Onder het genot van een biertje (medisch verantwoord, namelijk om de keelpijn bacillen af te voeren) en een heerlijk avondeten zagen we de zon ondergaan en de krekels opkomen. In de nacht nog steeds heerlijk koel met 22 graden, dus dat slapen ging prima.

Met die modder gaten was het oppassen geblazen
Dag twee op de piste begon wederom met langzame vorderingen wegens het slechte zandpad. Om een uur of 11 dreigde de regen los te barsten en vonden we nog net op tijd een plekje in een gravel afgraving. Als dit pad nat is, is het spek glad en levens gevaarlijk. Het wegdek bestaat meestal uit platgereden aarde (klei) die, als het droog is, keihard is. Maar als het nat wordt is het net ijs, getuige ook de vele omgevallen vrachtwagens onderweg. De tijd maar nuttig besteed om te gaan lunchen. Om 2 uur leek het wegdek zo opgedroogd te zijn dat we door konden maar 15 km verder weer een tegenslag. Groot bord en een slagboom. Tussen 06:00 en 18:00 is de weg wegens bouw werkzaamheden gesloten. Met andere woorden, je kon er alleen in de nacht rijden.

Na een uur wachten kwam er een man met een heel groot geweer. Geen uniform, maar gewone kleding. Hij had een gevangene bij zich. De gevangene had alleen een broek aan, was geboeid aan handen en voeten en had een blinddoek om. De gevangene werd geslagen en geschopt en op de grond gegooid, onder het toeziend oog van iedereen. Zijn bewaker ging op zijn enkels en handen staan, sloeg de man omhoog, het kletste alsof ik in een slagerij stond. De man werd weer hardhandig op de grond gegooid, het was echt een akelig gezicht. Na een half uurtje kwam er een brommer aan en de bewaker sloeg zijn gevangene letterlijk op de brommer en met de gevangene tussen hem en de bestuurder reden ze weg. Geen idee wat de man gedaan had (als ie al iets gedaan had) maar zo’n behandeling verwacht je in Guantánamo bay, niet hier in het mooie Kameroen.

De gevangene, geboeid en geblinddoekt op de grond gesmeten
Een km of 5 voor het dorp had er een vrachtwagen met panne gestaan. Ik babbelde wat met de chauffeur en die claimde er al drie dagen te staan en honger te hebben, dus die had ik de restanten van mijn lunch gegeven, wat vlees en een stokbrood. Deze man kwam nu het dorp binnen lopen en vroeg me waarom we stonden te wachten. Je moet wat met de slagboom man praten, dan mag je er vast door. Enfin, het koste wat praten en 10 zakjes whisky (van elk een slok) en we mochten door. Het werd al snel donker en omdat ze zo met de weg bezig waren was het moeilijk een plek te vinden.
Elk redelijk dorp heeft een schooltje. Maar die zien er echt niet uit. Vier vieze groezelige muren, wat gaten er in voor ramen, uiteraard zonder glas of zelfs maar kozijnen. Ook geen deur, binnen vaak geen meubilair, de kids zitten op de grond. Ik zou er niet graag naar school gaan maar hier is men heel gelukkig als er een schooltje is. Als het dorp te klein is moeten de kinderen ver lopen om naar het schooltje in het volgende dorp te gaan, veel kinderen prefereren dan ook om te werken op het land en genieten geen enkele schoolopleiding.

Snap er niks van.. me motor viel er ineens uit
De mensen zijn redelijk vriendelijk, er wordt veel gezwaaid en gelachen als je terug zwaait. Een heel klein beetje contact heb je zo met de lokale bevolking. Maar stoppen doe je niet snel, er wordt te veel ‘geef me dit’ of ‘geef me dat’ geschreeuwd, in het Frans uiteraard. Die hele vriendelijkheid hield op toen we in de buurt van de centraal Afrikaanse republiek kwamen. Er werd niet meer gezwaaid en mensen keken me achterdochtig na. Duidelijk een grens gebied waar wat spanningen zitten.

Het landschap veranderde langzaam van bomen en struiken met Afrikaans gras er tussen naar tropische jungle met bananen bomen, klimop en een groene muur links en rechts. De temperatuur ging wat omhoog en het werd vochtiger.

Het was droog de volgende dag en de piste werd beter omdat men er aan het werk is. Na een uurtje karren weer een dorp met een slagboom en een groot bord “verboden te rijden tussen 6:00 en 18:00 uur. Maar ik had me lesje geleerd en begon gelijk op de slagboom man in te praten. Die durfde de beslissing niet te maken en zegt letterlijk ‘ You have to ask the white, he will be here shortly”. Het is geen Boss, chief of Manager, het is ‘The White’. Die kwam 10 minuten later, bleek een schappelijke Portugees te zijn en we waren snel op weg, een rij wachtende vrachtwagens achter ons latend. De weg wisselde tussen pracht nieuw asfalt en schrikbarende piste. Het ergst was het net voor Garoua-Boulai. Daar loopt de weg vlak langs de Centraal Afrikaanse Republiek op en de Kameroense overheid had waarschijnlijk geen zin daar de weg te verbeteren. Het schijnt dat ‘s nacht veel criminelen uit deze Afrikaanse Republiek de grens over komen, moorden, stelen en zo voort om dan in de nacht weer schielijk terug naar hun eigen land te vluchten waar ze dus nooit opgepakt worden. Op één kilometer weg heb ik 5 omgevallen vrachtwagens gezien, 3 plekken waar alleen de lading lag en de vrachtwagen afgesleept was en één heel groot gat in de weg waar ik echt de hele auto in kwijt kon (en daar moest ik door). Mijn eerste echte moddergat overleefde ik met vlag en wimpel maar de weg tot Garoua-Boulai nam een hele poos in beslag.

De pistes zijn soms erg gevaarlijk, zeker als je niet kan rijden.
Voorbij Garoua-Boulai was ‘saai’ asfalt. Saai omdat er niet zo veel te zien was, links en rechts een muur van groen. Er werd weer veel zooi langs de kant van de weg gedroogd, ook weer dat witte goedje wat ik in Nigeria ook al zag. Daar had ik aangenomen dat het een soort gefermenteerde melk was maar het bleek gemalen (fijngehakte) yam pulp te zijn die aan het fermenteren was en vies rook. Een beetje een geur van azijn en behang plaksel. Overal langs de weg zaten mensen in de yams te hakken om ze fijn te malen en andere mensen weer de drap in kleine hoopjes langs de kant van de weg deponerend.

Bij Bartoua aangekomen kreeg ik het idee dat ze niet van toeristen houden. Voor binnenkomst bij de stad, een erg vervelende irritante controle. De man deed zijn werk, maar op zo’n manier dat het niet prettig was. Een km verderop een mannetje met een hesje op de weg. Geef me je rijbewijs zegt ie tegen Ralph. Waarom zegt Ralph, wie ben jij? Enfin, er ontstond een welles-niets spel maar we konden niet door. Dat nam weer 15 minuten in beslag. In het centrum van Bartoua wilde we wat boodschappen doen en we parkeerde de auto vlak bij de markt. Bij terug komst waren ze bij Ralph bezig een wielklem te zetten. Echt waar. Om zijn enorme grote off-road banden. In Afrika, waar iedereen altijd de auto midden op de weg parkeert. Ik stond achter hem en reed onmiddellijk weg want ze wilde mij ook een klem gaan geven. ‘Schrijf het nummer op’ schreeuwden te beambte tegen elkaar, maar ik sjeesde weg. Wat een gedoe, men rook duidelijk geld. John bleef achter en even overwoog ik terug te keren om ze te helpen, maar beide zijn grote mensen en hebben mijn handje niet nodig. Daarbij riskeerde ik dan ook een bon, liever niet natuurlijk. Dus reed ik de stad uit en wachtte daar op de twee andere auto’s. Spendeerde de tijd met wat kletsen met vrachtwagen chauffeurs, altijd nuttig.

Joepie, een wielklem in Afrika
In de tussentijd hadden de twee andere auto’s grote problemen. We hadden geparkeerd op een plek waar het niet mocht, boete was 50.000 frank, een belachelijk bedrag natuurlijk. De politie werd er bij gehaald en het duurde vrij lang voor Ralph&Iris en John&Gon zich los hadden gepraat. Uiteraard zonder wat betaald te hebben.

De weg vanaf Bertoua was 60 km wederom slechte piste, daarna weer perfect asfalt. Maar door de slechte piste en de ellende bij de parkeer politie gingen we Yaounde niet meer halen op vrijdag morgen. Dus besloten we om het weekend maar ergens rustig te parkeren en bij te komen van de afgelopen weken die toch best spannende momenten had.

Een dagje rust
In Youande vonden we de ‘Foyer International de l’Eglise Presbytérienne’, een adres waar andere overlanders ook gebruik van hadden gemaakt. Duidelijk iets met een of andere kerk te maken, had deze kerk-gemeenschap een groot grasveld waar we op mochten staan. Helaas hebben de presbeterianen blijkbaar een andere bijbel dan die ik ken. In die van hun staat waarschijnlijk niet dat je een vermoeide reiziger een slaapplaats en wat eten zou moeten geven. Hullie zijn versie zegt dat je een vermoeide reiziger eens flink moest uitkleden. Je snapt het, er moest fors gedokt worden per nacht. Daar boven op rekende onze lieve heer ook nog eens 1,2 euro per 20 liter water, een prijs die zelfs voor Europa belachelijk zou zijn. Dat, tezamen met het sompige grasveld, een oude dame die steen en been klaagde over alles wat je deed en de care-taker die elke ochtend om 4 uur !!! in de ochtend gras stond te maaien, deed ons besluiten niet lang te blijven. Nu hadden we zeker een week in Yaounde nodig om alle visa’s te regelen dus moest er een andere plek gevonden worden. Bij toeval vond Ralph een parkeerplek bij een klooster, boven op een berg geheel Yaoundé over kijkend. Wat een super plaats, en nog gratis ook.

Elk voordeel hebt zijn nadeel. Deze super plek was vrij ver van het centrum en, zo bleek later, stonden we op de wei van een Maria-vererings beweging. Om 6 uur in de ochtend kwamen mensen (meestal vrouwen, meestal forse vrouwen met dikke schuddende billen), de berg opgelopen (en das een hele klim) om bij een geïmproviseerd altaar onder een grote rots, maria liederen te gaan zingen. Waren die in het begin nog leuk om aan te horen, na een paar dagen gezang begon het minder leuk te worden.
Op vrijdag was er een officiële mis. De priester had een geluids installatie bij zich en geloof me, de mis duurde van half 10 in de ochtend, tot half 5 in de middag. Continu. Zingen, preken, zingen, zingen, preken, het bleef maar door gaan. Iris had mensen flauw zien vallen tijdens de mis, ik hoorde sommige gillen en schreeuwen alsof de duivel ter plekke werd uitgebannen.

Onder al deze Maria verering reden we heen en weer naar de diverse Ambasades en consulaten. Op zich was het verkrijgen van de visa’s niet moeilijk. Formulier in vullen met allerlei onzinnige informatie, veel geld achter laten met foto’s en een paar dagen later weer terug komen om de boel op te halen. Visa’s voor DRC (Democratic Republic of Congo), Gabon en Congo (Brazaville) werden geregeld.
Ik kreeg ondertussen van het CIBT visa bureau in Rotterdam bericht dat de Angolese ambassade geweigerd had om mijn visa aanvraag in behandeling te nemen. Dit ondanks eerdere beloftes en toezeggingen van het Angolese consulaat in Rotterdam en het CIBT visum dienst. De visum dienst stuurde me gelijk met een kluitje het riet in met zo’n mail van ‘tja, jammer dan, het is nou eenmaal zo, ajuu paraplu’. Dat hebben ze later dan wel weer goed gemaakt, maar pas na lang aandringen en helaas zonder resultaat.
Nog vervelender was dat het nu al eind oktober is en dat mijn Angola visa eind november afloopt. Dat geeft me minder dan een maand om helemaal naar de Angolese grens te rijden en dat is vrijwel onmogelijk en zet me in een moeilijk pakket. Zonder visa voor Angola kan ik eigenlijk net zo goed omkeren.
Ik heb twee opties. Héél hard en veel gaan rijden, in de hoop dat ik de Angolese grens op tijd haal. Of anders bidden en smeken dat het Angolese consulaat in Matadi (pal aan de grens met Angola) mij een visa wil geven. Bij beide opties is succes onwaarschijnlijk maar veel keuze heb ik niet.

Angola staat al jaren bekend om zijn visa problemen. Om de een of andere reden wil dit land liever geen buitenlanders hebben en maakt het voor een ieder zo moeilijk mogelijk om hun land te bezoeken. Buiten een gigantische bureaucratische rompslomp zijn er verhalen van weken wachten op een visa (de consul is even op vakantie), belachelijke prijzen, een visa aanvragen van 30 dagen en dan maar 5 dagen krijgen en ga zo maar door. Ik had zelf in Abuja ook maar een 5 daagse transit visa gekregen, dit om heel onduidelijke domme redenen. Mijn visa voor Nigeria was maar 30 dagen, dus kreeg ik voor Angola maar 5 dagen….duhhh). In 5 dagen door dat gigantische land is onmogelijk, en men weet dat. Toch volhard men in die belachelijke korte visa’s. Toerisme staat duidelijk niet op de Agenda van Angola.

Deze vrachtwagen was net omgedonderd
Yaoundé, de hoofdstad van Kameroen, is niet een zeer moeilijke stad. Tuurlijk is het er druk, er is veel verkeer en zijn veel mensen maar de stad is redelijk nieuw opgezet en daardoor berijdbaar. Yaoundé ligt op en rond een aantal heuvels en dat maakt het wel apart. Ook apart zijn de honderdduizenden gele taxi’s, sommige zulke wrakken dat het enige wat goed functioneert de claxon is. Uiteraard stoppen ze allemaal midden op de weg om passagiers op te pikken. In Yaoundé ga je aan de weg staan, de taxi’s komen langs en je roept dan waar je naar toe gaat en wat je wilt betalen. Elke taxi zal voor je stoppen. Je kan je de verkeers chaos wel indenken als er iemand langs de weg gaat staan. En er staan op elke weg honderden mensen langs de weg want de meeste mensen gebruiken taxi’s. Bussen heb ik vrijwel niet gezien in Yaoundé.
Het is momenteel redelijk koel in Yaoundé. De temperatuur zakt in de nacht naar 20 graden. Er zijn weinig muggen, weinig mout-mouts en weinig see-me-nots. De mout-mout, daar heb ik eerder over geschreven, zijn van die kleine vliegjes die heel onschuldig lijken. Als de zon schijnt zijn ze dat ook, maar wee je gebeente als de zon achter een wolk zit of achter de horizon verdwijnt. Dan steken ze als gekken.
De see-me-nots (niet de officiële naam maar zo worden ze in America genoemd) zijn hele kleine mugjes. Je ziet ze vrijwel niet, horen doe je ze helemaal niet, maar als ze je steken heb je een uur later een grote rode bult. Deze jeukt de volgende dag erg maar is dan de dag erna geheel verdwenen.
Had ik in het midden van Kameroen erg last van de laatste twee, hier zijn er weinig, weer een pluspunt voor Yaoundé. Toch reed ik voor het weekend, alleen, richting jungle om toch nog wat gezien te hebben van de omgeving. Parkeerde voor 2 nachten op een graveluitgraving in het midden van nowhere. Even geen Maria gezang voor mij aub. De weg er naar toe was stijl en modderig, ik had geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het zou gaan regenen. Maandag ochtend wilde ik terug naar Yaounde, maar uiteraard regende het de hele nacht. De weg terug was zo modderig glad geworden dat er over heen rijden zeer onverantwoord en zelfs gevaarlijk was. Toch reed ik hem en maakte een paar zeer angstige momenten mee. Ik gleed langzaam de berg af, zonder dat ik controle had over mijn auto. Elk moment verwachte ik in de diepe greppels links of rechts van het modder pad terecht te komen, waardoor ik gigantisch vast zou komen te zitten of waardoor mijn auto zou omkiepen, maar elke keer als ik net dreigde uit de auto te gaan springen, trok mijn super-MAN zich weer een beetje recht. Over de twee km glibberpad deed ik een uur, en een half uur om mijn trillende handen tot rust te brengen. En het leuke is, het staat allemaal op video.

Het lijkt zo onschuldig maar het was een schaats-modderbaan
Op maandag de 25ste was dan eindelijk de laatste visa binnen. Gabon. Was ik al gewaarschuwd dat Gabonezen niet echt prettige mensen waren, de ambassade van Gabon bevestigde dat even snel. Stug, ronduit onvriendelijk, ongemanierd en ook nog sikkeneurig. Alle mensen waar ik mee te maken had op de ambassade van Gabon leden onder deze Gabon-ziekte, tot aan de portier toe. Het leek de Nederlandse ambassade in Tunesië wel, bah bah. Had ik om een 30 dagen visa gevraagd, ik kreeg een 15 dagen visa. Nou ja, als alle Gabonezen inderdaad zo zijn als het ambassade personeel, dan heb ik aan een 15 dagen visa meer dan genoeg want dan rijd ik als een streep door hun pokke landje.

We wilde dinsdag vroeg de stad Yaoundé verlaten richting de badplaats Kribi. Omdat onze slaapplaats op Mont Febé precies aan de verkeerde kant van de stad was verkaste we die nacht naar een kerk parkeerplaats aan het zuiden van Yaoundé. We werden die nacht lastig gevallen door een stuk of 4 of 5 debielen. Echt debielen. Debiel A kwam naast onze auto’s staan en stond drie kwartier in zichzelf te lullen, te wijzen in de lucht, rare geluiden te maken. Debiel B kwam ineens vol overtuiging zeggen dat hij voor de kerk werkte en hij het niet kon hebben dat er onbekende op zijn terrein stonden. De man stond uitvoerig onzin te vertellen, ik was er van overtuigd dat hij niet 100% was maar je weet het nooit. Nelly, een aardige zwarte dame wilde graag met me naar Kribi. Ze had ooit het bed gedeeld met een witte Fransoos en dat had haar een half blank kind opgeleverd. Ze deed veel moeite om me te overtuigen, ze wilde ook graag met me trouwen, maar heb toch maar gemeld dat ik liever alleen verder rijd. Maar mocht iemand nog interesse hebben, ik heb haar mail adres.
Daarna kwamen er in de nacht twee ‘security’ mensen die volgens mij te veel in het glaasje had gekeken, er hing een oude dame rond die dacht dat ze Maria was en bij iedereen probeerde om haar hand op hun hoofd te leggen. Midden in de nacht stond er ineens iemand naast onze auto’s te schreeuwen en, zo bleek in de ochtend, had tegen het wiel van de auto van Ralph staan zeiken. Ook midden in de nacht reed een brommer 20 keer rond onze auto’s en stond wat later een auto een lang uur met zijn gaspedaal te spelen 5 meter van ons vandaan. Enfin, de parkeerplaats leek wel een verzamelplaats voor vage mensen. Sliep dus niet goed

De weg naar Kribi, de badplaats van Kameroen was goed. In Kribi vonden we het Tara Plage beach restaurant. We parkeerde aan het strand en spendeerde een lekkere dag met een lange strandwandeling naar een waterval. Iets verderop zou een pygmee dorp zijn. Ik had er al een paar in Kribi zien lopen, het waren gewone lilliputters. Het bezoek aan dat dorp liet ik dus voorbijgaan, daarvoor in de plaats aten we ‘s avonds op het strand grote borden met verse garnalen, zo van het vuur. Helaas barste er net toen de garnalen op waren een enorm noodweer los. De bliksem sloeg in niet ver van ons vandaan, de mooie rode zonsondergang van de dag er voor herhaalde zich niet.

Die was van de dag er voor dus.
Er zijn twee manieren om vanuit Kribi naar Gabon te rijden. De kortste weg is de rechtstreekse piste van Kribi naar Ebolowa. Maar de geruchten gingen dat die piste niet goed was. Toch wilde ik, als het droog was gebleven, de gok wagen. De andere optie is om helemaal terug naar Yaoundé te rijden en vanaf daar zuidwaarts naar Ebolowa. Dat is allemaal prima asfalt weg, maar wel 300 km om rijden. We spraken af dat, als het die nacht droog zou blijven, we met drie vrachtwagens de piste zouden rijden. Echter regende het fors en besloot ik om toch over het comfortabele asfalt om te rijden, de andere twee auto’s namen de piste. Ik voltooide mijn weg in een dag. Een mooie slingerende weg door de jungle. Bij de grens aangekomen waren er van de andere twee auto’s geen spoor te bekennen. Omdat ik toch moest wachten, ik kon immers pas maandag de grens over, verdeed ik de zaterdag met het rond hangen op de zaterdagse grens markt. Best nog wel een flinke markt en ik scoorde een aantal aparte artikelen. Een oplaadbare LED lamp 15 ledjes die in de avond zo fel bleek dat ik er pijn van aan mijn ogen kreeg. Kosten: 2000 CFA (2,5 euro). Een brok chocolade. Tenminste, zo werd het aangeprezen. Maar het werd duidelijk niet van chocolade bonen gemaakt maar van iets anders. Een blok van een halve kilo. Ik moest het gebruiken om saus te maken werd me verteld. Op de vraag hoe, hoe lang en zo, kon men geen antwoord geven. Kosten 500 CFA (80 cent). Een pak met zakjes met drank. Ik had ooit al eens whisky en gin gekocht, nu vond ik Rum-cafe punch en dat leek me spannend. 20 zakjes dus 20 glaasjes. Kosten 1500 CFA (2 euro). Ik wilde ook mijn bier voorraad aanvullen maar daar vroegen ze te veel voor. Ik heb lang over de markt gelopen en werd overal als ‘Le Blanc’ aangesproken. Als ik dan ‘Le Noir’ terug zei moest men altijd lachen, dat zijn ze blijkbaar niet gewend. Ik kocht ook wat groente maar die waren in verhouding weer duur. Vond zowaar een bosje prei (jammie, dat word nasi maken), en wat wortelen. Goedkoper waren de grote avocado’s voor 50 frank per stuk (eum, das zo weinig, dat ga ik niet eens uitrekenen).
De markt was super druk en eigenlijk heel gezellig. Veel etens tentjes, veel volk. Er werden erg veel bananen verkocht. Niet per stuk maar aan de stronk. Ik kocht een klein stronkje met zo 15 grote bananen die heerlijk smaakte. Kosten, 400 CFA (70 cent). Later in de middag begon het te stort regenen. De markt veranderde van een gezellige drukte in een modderbad en de lol was er van af. Parkeerde voor de nacht aan de grens, wachten op mijn collega’s die blijkbaar moeite hadden met de piste.

De volgende dag kwamen de andere twee inderdaad aankakken. De piste op zich was hun niet tegen gevallen, maar men was bezig om alle houten bruggen te vervangen voor betonnen, en men had noodoplossingen verzonnen die ernstige modder gaten veroorzaakte, sommige met 70 cm diep water er in. Deze gaten hadden veel tijd gekost, waardoor ik dus bijna 2 dagen eerder bij de grens was. Mijn keuze om om te rijden was dus, voor mij althans, de juiste geweest.

Tezamen verlieten we de volgende dag Kameroen, richting Gabon. Een land waar ik een hard hoofd in heb.
Terug kijkend op Kameroen heb ik er gemengde gevoelens over. Het land op zich heeft wel boeiende zaken te bieden, een aantal waar ik niet geweest ben. Als topper Mount kameroen, de hoogste berg van west Afrika, de ‘ring road’, een avontuurlijk stuk ‘weg’ in het zuid-westen van het land. De regentijd dwong me deze zaken te laten liggen. Maar of ik ooit terug ga om ze te bekijken, daar moet ik nog eens over nadenken. Ik vond persoonlijk de mensen te zeurderig, de infrastructuur te slecht en de daarbij horende 30 dagen visa te kort.