20101103 – November 2010, Congo

De Congo inkomen was nog niet zo makkelijk. Gabon had de grens met Congo gesloten. Hoe lang dat ging duren, dat wst niemand. Met wat moeite kwam ik toch het land in, om er vervolgens ook weer zo snel mogenlijk uit te willen.

Precies bij de slagboom tussen Congo en Gabon hield de mooie asphalt straat op en werd de weg een zand pad. Er is op deze grens weg niet zo veel verkeer maar die vrachtwagens die er rijden hebben diepe geulen getrokken in het zandpad. Dat vergt wel wat moeite met rijden, zeker daar, waar de grond nog vochtig was van de regens van de vorige dag of waar het berg op of af ging. Daar was het net alsof je in een achtbaan zat want van sturen was geen sprake meer. De auto volgde automatisch de diepe geulen maar zwabberde wel heen en weer als een vaatdoek in de wind. Het leek net alsof ik flink gezopen had. Het was heel spannend rijden en omdat de zon die dag uitbundig scheen was het meeste zand, ondanks de diepe geulen, droog en was het onder het zand hard.

Route door Congo
Zonder ook maar een persoon gezien te hebben belande we dertig kilometer land inwaarts bij de douane post. Een rieten hutje, bemand door één man en zijn vrouw. Een bamboe slagboom van 2mm dikte ‘belette’ me de doorgang. Uitstappen en de grote zwarte grens beambte vriendelijke toespreken. Hij was verwonderd ons te zien, immers was de grens met Gabon dicht. Na wat heen en weer gepraat en inspectie van de paspoorten, melde de man dood leuk dat we een reservering van een Hotel in zijn land moesten hebben. Hij kwam op de proppen met allerlei regelementen en wilde niet van zijn eis afwijken. Na wat heen en weer gepraat te hebben over de onmogelijkheid van zijn eis, kwam de hoge hoed uit het konijn. Als we geen reservering hadden moesten een ieder een boete betalen van 15.000 CFA (20 euro). Duidelijk een list van de man om geld te verdienen. We keken elkaar aan en waren zonder spreken het met elkaar eens, hier wilde we niet in mee gaan. Ten eerste omdat het lariekoek was. Ik had aan de ambassade van Congo al gevraagd of dit een legitieme eis was, want ik had van andere reizigers dit probleem al eerder gehoord. Ten tweede omdat we, als we zouden betalen, eventuele komende reizigers dezelfde eis aan de broek zou krijgen van de man. Wij hadden geen geld zeiden we, en zo was er een pat stelling. Daar stonden we in het midden van niets. Terug gaan was geen optie (de grens was officieel gesloten). Koffie maken, wat rondhangen, niet laten merken dat je geïrriteerd bent. Kijken wie de langste adem had.

Dit zandpad van 400km (en hier was het nog redelijk) is de hoofdverbinings weg tussen Gabon en Congo
Op een gegeven moment verliet de man zijn eigen kantoortje met de opmerking… kom maar met een oplossing. Dat gaf nog enige houvast en na wat meer rondhangen stond Gonnie te praten met een lokaal die beweerde dat de grens beambte graag boeken las. Wij stelde een pakket met oude boeken samen, wat tijdschriften, een woordenboek. Ook kwam nu mijn monstertjes parfum naar boven, Ralph had nog een oud radiootje en al doende werd de man voorzien van een stapel kleine cadeautjes en ging hij, tegensputterend overstag. Het hele onderhandelings proces nam natuurlijk wel 2 uur in beslag. De man had geen haast. We parkeerden voor de nacht 30 km verderop wederom in de savanne en onder het genot van een biertje vierde we onze ‘overwinning’ van vandaag.

In de nacht begon het weer eens enorm te onweren en hozen. De volgende dag regende het nog en dat bleef zo de hele ochtend. De zandweg was een drijfzand weg geworden, rijden was geen optie en er was maar een ding om te doen…wachten. Het gaf me mooi tijd om dit verhaal te typen. Rond het middag uur hield de regen op en om een uur of 4 probeerde we een stuk te rijden. Dat viel niet mee, de weg was op diverse plaatsen compleet weg geslagen. Heel moeizaam zochten we ons een weg de goede richting uit, soms dwars door de savanne, soms over een pad, soms door moddergaten. Het was heel spannend in inspannend maar schoot niet op en toen we net voor zes uur de auto’s midden op de weg moesten laten staan omdat de regen weer begon hadden we 8 km gereden.

Wat water op de weg, dus wachten
Die nacht regende het vroeg in de nacht zodat het in de ochtend redelijk was opgedroogd. Maar het pas had van al dat water van de afgelopen dagen en het weinige verkeer (verkeer rijd het zand weer plat en hard) veel te lijden gehad. Stukken weggeslagen weg van een paar honderd meter noopte soms tot halsbrekende avonturen. Er was een stuk, berg opwaarts, daar was de weg zo ver weggeregend dat we zelf met schoppen iets moesten fabrieken. In de vochtige warmte, omringd door stekende kleine irritante vliegjes schepte we zand in de kuilen en schepte het weg bij hoge stukken. John reed voor, die moest dus als eerste er door en zijn auto dreigde om te kiepen, zo schuin stond ie op een gegeven moment. Ik kiepte er nog snel wat zand in de nog immer gevaarlijk uitziende piste, deed een schietgebedje en reed langzaam omhoog, mijn auto steeds schuiner voelend. Op een gegeven moment vermoede ik echt dat ie op zijn kant zou gaan vallen. Uit gewoonte ging ik tegen de deur hangen als tegengewicht. Onzin natuurlijk maar elke kilo helpt. Met een zucht en een ‘broek vol’ trok de auto zich weer langzaam recht.

Hele stukken weg waren onbegaanbaar
Uiteindelijk om een uur of 1 een dorpje, hier was de douane gehuisvest. In het dorpje, waar natuurlijk veel volk op de weg loopt, was de weg nog modderiger dan de voorgaande stukken, kapot gelopen door het lokale volk. Bij een bocht in de weg was de modder minstens 30 cm diep en ik moest gas geven om er door te komen. Mijn auto maakte een zwiep waar een stunt rijder jaloers op zou zijn en ik trok met vol gas mijn auto weer in het spoor. Yipiaeeee…
De douane beambten hadden duidelijk niet veel te doen en zaten buiten onder een boom lekker te keuvelen. De mannen sprongen snel in actie, er werden stoelen aangesleept en er werd even tussen neus en lippen gemeld dat het stempelen van de carnets twee duizend CFA per stuk zou kosten. We keken elkaar aan met zo’n blik van…..zucht.. niet weer he.
Stug bleef ook nu het verhaal dat we echt geen franken bij ons hadden omdat we in Gabon alles gebruikt hebben voor diesel. Ach en wee, maar het is toch niet voor mij maar voor de overheid (ja duhh), en ik volg alleen maar de regels (ja dubbel duhh) en ik moet het van de chef (driedubbel duh). De verlossing kwam toen er vermeld werd dat de chef erge last van zijn rug had. Met het achter laten van wat van mijn oude rugklachten medicijnen en het meenemen van een politieman naar het volgde dorp 20 km verderop konden we zonder betalen verder.

Scheppen om verder te kunnen
Het asfalt begon ook 20 km verderop en die 20 km weg zijn waarschijnlijk de intenste rij ervaring van mijn nu 6 jaar durende rit. Van de 20 km waren er nog geen 2 achter de rug (wederom moeizaam door zand en modder ploeteren) toen het begon te regenen. Regenen tropische stijl dan he. Het duurde niet lang voor dat het pad voor grote stukken onderwater stond. Ik wilde graag die politie man afleveren dus ploeterde door. Geloof me, de waterplassen waren soms zo diep en angstig dat ik al mijn schietgebedjes naar al mijn bekende goden, afgoden en zelfs de duivel de revue liet passeren. Met wat hulp van de politieman, die de weg goed kende lukte me het, wonder boven wonder, 20km verderop op asfalt te komen. Daar werden we persoonlijk door de burgemeester van het dorp ontvangen met verse mango en een hand en nam ik afscheid van de politieman.

Door de modder baggeren
Ik moet wat mensen complimenteren hier. Zonder de hulp en de adviezen van Ralph en Iris en John en Gon had ik deze weg nooit durven en nooit kunnen rijden. Nou misschien wel kunnen, maar dan had die tien keer langer geduurd dan de drie dagen die het nu duurde. Ik moet ook mijn auto complimenteren want ik had echt niet verwacht dat ik op mijn gladde bandjes (gladialen) die paar honderd kilometer door die modder heen zou komen en dan ook nog zonder om te kiepen, zonder vast te komen te zitten in de zuigende modder en zonder grote ongelukken. Des te ironischer was het dan ook dat bij het parkeren voor de nacht ik vast kwam te zitten in een zacht en spekglad plekje modder van 2 vierkante meter. John en Gon lagen dubbel van het lachen.

Der hose vol
Genietend van een wel verdiend biertje was het gokken welke insecten ons deze avond het buiten zitten zou vergallen. Had ik in de loop van Afrika al aanvallen gehad van muggen, torretjes, sprinkhanen, motjes, vlinders, mout-mouts, onbekende vliegdingen en zo voort, het was vandaag de beurt aan de termieten. Zo gauw de schermer in viel vlogen er tienduizenden termieten de lucht in. Deze beesten vliegen een stuk, landen, verliezen hun vleugels om dan te proberen een nieuwe termieten kolonie te starten. Met tienduizenden vlogen ze de lucht in, het zag er werkelijk zwart van. Ze vliegen in je kleren, in je bier, en ergste van alles, in je auto. Op een gegeven moment was het buiten niet meer te harden, maar verkast naar binnen was het niet beter en ik bestede eerst een half uur de daar aanwezigen termieten te ruimen. De volgende ochtend moest ik minimaal een halve kilo vleugeltjes vegen. Vleugels op de grond, in mijn bed, in de kopjes, tussen de borden, zelfs in de toilet. Maar die laatste waren snel schoon gekregen.

Het mooie asfalt hield helaas maar 60 km stand, daarna volgde nog eens 60 km piste, soms even erg als de dag er voor. Modder, gaten, regen, alles volgde elkaar op. De Chinezen waren hard aan het bouwen aan de weg waardoor er veel omleidingen en onbegrijpbare stukken weg bij zaten. Ach, op een gegeven moment wen je er aan.
Langzaam kwamen we in de bewoonde wereld terug. Langs dorpjes schreeuwde de kinderen Ulèle of zoiets, het Congolees voor ‘blanke’ maar stoppen deed ik mooi niet. Naarmate je zuidelijker kwam was de weg eigenlijk een groot langgerekt dorp, de huizen lagen allemaal aan de weg. Omdat er geen stoep was liep iedereen op de weg, het was zeer opvallend hoeveel mensen er, zonder ook maar een blik op het verkeer te slaan, achteloos op de toch al smalle weg liepen. Ook veel mensen die doelloos langs de kant van de weg zitten, ogenschijnlijk niets doen, en dat de hele dag. (iets overigens wat je in veel van de omringende landen ook ziet. Om 7 uur in de ochtend zit men al naar het voorbijgaand verkeer te staren, alsof men daar door gehypnotiseerd is). Ook opvallend was dat er weinig afval lag en dat het gras, voor vele van de huisjes, netjes kort gemaaid was. Woest staan ze met lange machetes het gras kort te slaan, maar het resultaat, daar mogen ze trots op zijn.

Graven, de potten worden meegegeven voor ‘onderweg’
Kan je in Europa nog van buiten zien wat er binnen in een winkel wordt verkocht, in de Congo kan je dat niet. Er kon buiten een grote reclame van Coca Cola staan, was het hele pand geschilderd in de kleuren van een telefoon provider, dan konden ze rustig autobanden verkopen. Soms was dat warrig.
In de Congo zijn de kruiwagens weer terug als vervoermiddel. Er word hier niks meer op het hoofd gedragen, alles gaat in plastic tasjes of kruiwagens,, soms, heel soms, met een soort rieten rugzak.
De asfalt weg richting Brazzaville zelf was deels erg slecht, deels redelijk. Het wisselde elkaar om de 100 km wat af, alsof er maar geld was om een stuk te repareren elk jaar. Rond een van de dorpen, waa,r bleek achteraf, de president woonde, was alles netjes geasfalteerd en glad, lijnen op de weg, er waren zelfs straatvegers op straat. Maar zo gauw je het super moderne vliegveld voorbij was, waar de president vermoedelijk naar zijn werk vloog, veranderde de weg weer in gatenkaas.
.

Schiet weer niet op zo
Er waren, in tegenstelling tot Nigeria, vrijwel geen benzine stations. Ook niet bij de grotere dorpen, dus blij dat ik een volle tank had meegenomen uit Gabon. Verkeer was er ook erg weinig op de weg naar Brazzaville
Verder door naar Brazzaville, de hoofdstad van Congo. Het was 350 km. Ruimt men in de meeste landen de restanten van auto ongelukken op, in de Congo laat men die staan. Dus elke km stond er wel een auto wrak en zo gauw er een bocht in de weg was werden die aantallen groter. Ook erg veel vlinders en motten, net als in Gabon eigenlijk. Alle kleuren van de regenboog fladderde lustig rond in het landschap wat heuvelachtig en doorspekt met struikjes was.

Congo is ongeveer 8x zo groot als Nederland en telt 3 miljoen mensen. Het land bestaat voor een groot deel uit savanne maar meer aan de kust is er regenwoud en mangrove bossen. Door het land stroomt een van de grootste Afrikaanse rivieren, de Congo. Het heeft een haven, Point-Noire en het land grenst aan Gabon en aan zijn grote broertje de DRC. Omdat het zowat op de evenaar ligt is het er het hele jaar warm en regent het er regelmatig.

Bij een tol poort moest ik een tol ticket van het belachelijke bedrag van 3500 Cfa kopen. Bij het binnen rijden van de hoofdstad, 100 km verderop, een tweede tol-post. Ook daar wederom 3500 Cfa, echt schandalig veel geld. Maar erger was dat er bij die post een ventje stond die claimde van de douane te zijn. Hij wilde de papieren zien. Ik had er al geen goed gevoel over en gaf hem alleen kopieën van mijn papieren. De man was onvriendelijk en zeurderig. Ralf en ik (John en Gon kwamen later) moesten mee naar een kantoor. Daar begon de man op een blanco A4tje de volgende tekst te schrijven: toestemming om in Brazzaville te rijden voor de toeristische auto. Hij zette er wat stempels op, deed zijn handtekening er op en melde nors dat we hem 200 Cfa per auto voor dit vodje moesten geven. Hij maakte de fout mij het vodje te geven, inclusief al mijn papieren. Ik was al pissig over die belachelijke tol, en nu wilde deze snuiter me ook nog eens afzetten, want wat hij beweerde was puur lariekoek. Ralph en ik keken mekaar aan, we stonden tegelijkertijd op. Ik gooide het vodje letterlijk in zijn gezichte en vermelde dat ik het niet nodig had en hij geen cent van me zou krijgen. Ralph deed hetzelfde, we liepen het kantoor uit naar onze auto’s, achtervolgd door de ‘douane pik’ die schreeuwend melde dat we moesten blijven. Ik startte de auto en reed weg. Een security man die op het kabaal was komen aflopen sprong voor mijn auto maar ik gaf gewoon gas en hij moest op zij springen. En weg waren we. Wat een gezeik zeg, en wat een lul verhaal. Welkom in Brazzaville.

Veel mooie gekleurde vlinders overal
Ik vond al snel het Hippocamp, een hotel-restaurant midden in de stad waar veel overlanders verblijven. Je mag gratis op hun parkeer terrein staan als je er maar eet. Er is een douche om te gerbuiken en een toilet. Vele overlanders waren er lovend over. Het eten was ook erg goed maar erg duur, de eigenaar, een Fransman, vond ik onsympathiek en nors. Dit in tegenstelling tot de verhalen van vele, ik heb hem misschien in een slechte bui getroffen.
Na een bezoek aan de Casino supermarkt, waar de prijzen zo hoog lagen dat je tranen in je ogen kreeg, begon het grote gelazer. Wee moesten vervoer zien te vinden van Brazzaville naar Kinshasa. Kinshasha is de hoofdstad van de DRC en ligt aan de overkant van de Congo rivier die hier 5 km breed is. Maar je kon het goed zien liggen. Er is een haven waar een ferry heen en weer gaat. De stroming was zeer sterk maar voor een goede kapitein te doen. Lijkt me dus niet zo’n probleem om een bootje naar de overkant te pakken. Toch….?
Er zijn op de diverse reizigers internet forums hele discussies over deze overtocht die als een van de moeilijkste, duurste, stress gevende overtochten van heel Afrika gezien word. We waren dus gewaarschuwd, maar wat we in de haven aantroffen overtrof al onze al zeer lage verwachtingen.

Het begon al bij het proberen binnen te rijden in de haven met onze taxi. STOP, entree geld, 2000 Cfa. Ja doei, ga een beetje betalen om een kaartje te mogen kopen, dus uitstappen en lopend het haven terrein op. STOP, entree geld 150 Cfa. John maakt een zwaai met zijn arm zo van, rot op, en loopt gewoon door. Ik er achter aan, uiteraard ook zonder te betalen, een zwik schreeuwende geldkloppers achter ons latend.

Het haven terrein bestaat eigenlijk uit een lange (zand) straat van ongeveer een kilopmeter met links en rechts de verscheidene kantore, douane, politie, verschepers, restaurantjes en andere uitbaters. In Europa zouden we er wat gezelligs van gemaakt hebben, in Afrika maken ze er een tering zooi van.
Ik moet even iets uitleggen. De ferry naar de andere kant gaat twee keer per dag. Buiten dat zijn er nog wat privé bootjes die heen en weer pendelen en zelfs pirokjes (van die kano’s). Maar het gros van het volk gaat met de ferry. Nu is er de regel dat gehandicapte gratis overtocht hebben. Sociaal zou je denken. Dat wel, maar in Afrika wordt daar onmiddellijk misbruik van gemaakt. De gehandicapte worden gebruikt als koeriers om goederen over te schepen van de een naar de andere kant en dat gaat zo massaal dat de kilometer lange straat zwart ziet van de gehandicapte. Mensen in rolstoelen (die kunnen lekker veel meenemen) hadden duidelijk de overhand maar ook blinde, kreupele en verstandelijk gehandicapte bevolkte de straat. Een groot cookoo’s nest. Allemaal in de hoop op een vrachtje, waardoor ze zelf ook weer wat konden verdienen.
De gehandicapte moeten ook wel eens naar de WC, dus ongeveer halverwege het midden van de straat (sorry) was er een gat in een muur, hoppa, toilet is geboren, de lucht krijg je er gratis bij. Het was warm die dag, 35 graden, de zon scheen genadeloos, en we liepen daar om een ticket te kopen voor de volgende dag. Tja, ticket office nergens te vinden. Er waren sowieso geen grote auto’s die de overtocht maakte, dat had me al wat moeten waarschuwen. Op zoek naar het ticket bureau werden we van de ene kant naar de andere gestuurd, ik heb de straat wel 20 keer heen en weer gelopen. In de hitte , de stank, en tussen de gehandicapte door was het geen pretje. Uiteindelijk sprak ik een mijnheer die wist dat ik bij mijnheer Lekoez moest zijn (ik kan het verkeerd spellen) maar voor ik het hokje van deze mijnheer vond was er weer een uur verder. Hij zat namelijk aan de achterkant van de straat, in een kantoor wat je alleen kon bereiken door via het politie kantoor naar de achterkant te lopen, dan om een hek over het gras een onbetekenende deur in te duiken. Voor mensen die ook moeten verschepen, zijn kantoor zit dus op waypoint S 04 16.325 E 015 17.626.
Deze mijnheer, aanvankelijk vriendelijk, melde me dat mijn auto niet op de ferry zou passen en ik een ponton noest huren. Kosten 75.000 cfa. Maar, mijn auto was misschien te klein voor een ponton, dus misschien had ik er wel twee nodig, dus 150.000 cfa (kosten dus 225 euro). Ik schrok daar wel wat van, want ik had ook gehoord en gelezen dat als je eenmaal een prijs weet, je die rustig kan verdubbelen vanwege de diverse smeergelden die je moest gaan betalen, los nog van de 20.000 cfa haven entree. Te veel geld allemaal voor een 5km boot ritje, er moest een andere oplossing komen.
Ook van andere had ik gelezen (lang leve het internet) dat die met een vrachtwagen ongeveer 70-90000 cfa kwijt waren met alles drop en dran. Maar, en daar kwam ik een uurtje later pas achter, dat was toen de grote ferry-boot er nog was. En die was 4 maanden geleden stuk gegaan (had ik ook al van andere gehoord) en was nog steeds niet gerepareerd. Ter vervanging was er dat kleine ferrybootje wat eigenlijk niet geschikt was voor auto’s, laat staan grote auto’s.
Ondertussen was John de andere kant van de haven uitgelopen en had daar verderop diverse pontons zien liggen. Het idee werd geopperd om zelf een ponton te huren met een schip en zo over te varen. Dus hoppa, op zoek naar een schipper. Toen we er uiteindelijk een vonden verwees hij ons door naar een kantoor in de haven. Tja, we zouden wel een groot ponton kunnen huren maar dan moesten we met mijnheer Delima spreken, en die was er morgen pas weer. Het was ondertussen al 4 uur, en moe en verslagen keerde ik terug naar de auto. Morgen weer een dag.

Ondertussen stonden we nog geparkeerd bij het Hotel-restaurant Hippocamp. Gerund door een Fransoos die getrouwd was met een Vietnamese werd deze plek geroemd om zijn gratis parkeerplek (als je er at), de geweldige atmosfeer, de vriendelijke eigenaar en natuurlijk het lekkere eten. Mijnheer de Fransoos had een off-day, eigenlijk een off-week. Hij was humeurig, klaagde over grote auto’s op zijn parkeerplek, weigerde ons internet toegang. Dat maakte het verblijf er niet prettiger op, er heerste een beetje een gespannen sfeer. Maar het eten was lekker, dat maakte dan wel weer veel goed.

Brazzaville als stad is niets bijzonders. Ook niet echt onprettig, maar gewoon een drukke stad met veel mensen, verkeer en lawaai. En erg warm en veel muggen. Door de stad heen op weg naar de haven de volgende dag was dan ook worstelen door het verkeer. Bij de haven aangekomen was de betreffende man er nog steeds niet, maar ik vond een heel snel pratende half blanke Fransman die ons wel kon helpen. Hij stuurde ons naar een kantoortje en daar kregen we te horen dat we onze auto’s op een ponton konden zetten maar dat dit met een kraan moest, er op rijden was absoluut niet mogelijk. Dit vertellende begon de man een pro forma rekening te maken voor het takelen van drie auto’s op een ponton. Terwijl hij aan het schrijven ging werden mijn ogen steeds groter. Ik liep de deur uit met een pro forma rekening van 1 miljoen franc !!! 1500 euro alleen om te takelen. Dan moesten we daarna de overtocht nog betalen en aan de andere kant zouden we dan ook getakeld moeten worden, snel uitrekenen zou dat grapje 1500 euro per auto gaan kosten. Om 5 km water over te steken. Die lui zijn gek.

De offerte
Na een half uurtje nog op de ‘chef’ te hebben ingepraat dat dit soort praktijken toch belachelijk zijn, dat we maar zielige toeristen zijn, bleek alle moeite hopeloos. Ralph begon te zeggen dat ie weg wilde rijden, hij had op de kaart een andere route in petto. Een route die nog nooit iemand genomen had en waarover weinig tot geen informatie bestond. John en ik besloten nog een keer een poging te wagen bij mijnheer Lekoez. Weer het hele eind terug gelopen, bij mijnheer Lekoez aangeklopt. Die bleek vandaag in een veel beter humeur en toen hij de pro forma zag schrok ook hij een beetje. Toen net toevallig de kleine ferry aankwam opperde hij dat we daar maar eens naar moesten gaan kijken. De ferry bleek inderdaad gewoon een passagiers bootje, maar qua formaat zou er net een vrachtwagen in de breedte op kunnen. Of het bootje het gewicht zou kunnen dragen was weer een ander verhaal en zou een gok zijn. Maar andere opties hadden we niet. Mijnheer Lekoez wilde ons auto’s zien, en als hij dacht dat het zou gaan zouden we op die manier stuk voor stuk over kunnen.
Met de taxi terug naar de auto’s, daar aangekomen stond hij diep en lang te fronsen. Ok zegt ie, ik wil het risico wel nemen. De ferry gaat twee keer per dag, er kan er een vanmiddag mee, een morgen vroeg en een morgen middag. Ik zag iedereen oplichten van blijdschap. Maar, kwam de aap uit de Afrikaanse mouw, vanwege het risico wil ik 150.000 franc per auto.
Ook met hem soebatten over de prijs was onvruchtbaar en toen we hem toch echt vertelde dat we dat niet wilde betalen draaide hij zich gewoon om en liep weg. Hij dacht ons bij de spreekwoordelijke kloten te hebben. Einde oefening.

Ondertussen kreeg ik een mail van het consulaat van Angola in Rotterdam. Ze wilde mijn visa aanvraag eventueel toch wel in overweging nemen, ik moest wel even wat info verstrekken, iets wat ik 3 maanden geleden ook al uitvoerig gedaan had. Blijkbaar was men dat alweer vergeten. Ook waren de visa regels veranderd. Geloof het of niet, om een toeristen visum te kunnen krijgen moet er een gelegaliseerde uitnodiging via een notaris van een privé persoon uit Angola worden aangeleverd. Absurd.

Hier een stuk uit de mail met wat ze verzochten:

1 kopie bankafschrift inscannen en mailen
(ja, die heb ik altijd bij me onderweg natuurlijk…duhhhhh
1 brief met uitleg schrijven.
Brief moet zijn:
Volledig
Duidelijk
Uitgebreid
Aan alle eisen voldoen
Getypt zijn
In Engelse taal
Gericht aan :
Consul van het Consulaat van Angola in Rotterdam

Uitleg en inhoud:
Wie bent u (naam, adres, telnr, geboorte datum, geboorte plaats, paspoort nummer)
Wat wilt u ( visum)
Waarom (redenen van uw reis, uitleg van reis, doel van reis etc)
Alle data en info waar u in de omliggende landen bent (van – tot)
Alle data en info waar u Angola binnenkomt (datum binnenkomst en naam grensovergang)
Alle data en info waar u Angola verlaat (datum binnenkomst en naam grensovergang)
Alle informatie waar u gaat verblijven in Angola
De uitnodiging van de lokaal, ondertekend door een notaris.
Ondertekenen en in scannen en mailen naar xxxxxx

Als ik in Nederland zou zijn zou dit al moeilijk zijn, onderweg vrijwel onmogelijk. Ik heb maar gelijk gemaild en gevraagd of ze een Angolese zonnesteek hadden opgelopen, die lui zijn echt geschuffeld.

De nieuw geplande route zou ons door onbekend gebied voeren. Vanaf Brazzaville een stukje oost, dan schuin naar beneden naar een klein plaatsje dat Boko hete. Vanaf daar zou er een weg bestaan richting Luozi dat net in de DRC ligt, en daar zou dan weer een kleine ferry zijn die ons over de Congo zou kunnen zetten. Maar dit alles is gok werk, of die ferry nog bestaat, niet kapot is of groot genoeg is voor onze auto’s, of er uberhaubt wel een weg is en of die bereidbaar is, allemaal gok werk.

De route naar Boko gaat door rebellen gebied. Deze rebellen, de Ninja’s geheten, streven al jaren voor onafhankelijkheid (zucht, zoals altijd weer). Er waren het afgelopen jaar wat vorderingen geweest met gesprekken met deze rebellen en de omgeving zou momenteel matig veilig zijn.
Het stuk rijden naar Boko was, met uitzondering van de vele vele checkpoints, zonder problemen. En als blanke moet je in Afrika ALTIJD stoppen, terwijl het andere verkeer door gewuifd word. Dat is wel eens vervelend.
Langs de weg wordt veel verkocht. De, meestal vrouwen, schreeuwen je na. Kom bij me kopen Papa !!!. Iedereen heet hier papa. Veel mango’s langs de kant van de weg, de bomen hangen er weer zwaar van. Jammie
In Louingui was de immigratie post. Daar kijk men erg verbaasd ons te zien. Wij waren de eerste toeristen die ze ooit gezien hadden en ze wisten niet goed wat ze met ons aan moesten. Opper chef immigratie, een oude dove man, vroeg wel 10 keer dezelfde vragen. Had ie tien minuten daarvoor onze inenting boekjes gezien, nu wilde hij ze weer zien. Hij gebood een andere , ook niet zo intelligent uitziende man, om al onze gegevens op te schrijven in een schrift dat op zijn schoolschrift leek. Minutieus ging hij aan de slag. Juist voor dit soort aangelegenheden hebben wij de ‘fiche de police’, een zelf gemaakt velletje met al onze gegevens. Dit laat je achter bij de checkpoints zodat ze niet hoeven te schrijven, scheelt een hoop tijd. Deze man had het echter niet door en begon minutieus alle gegevens van de ‘fiche de police’ over te schrijven. Ook na diverse malen vertellen dat hij het blaadje mocht houden en dus niet hoefde te schrijven bleef hij stoïcijns doorschrijven. Het duurde en duurde en toen we uiteindelijk na twee uur door mochten was het bijna donker. Een plekje vonden we op een braak stukje land aan de kant van de weg. Tien meter van twee graven sliepen we prima in het midden van rebellen land.

De volgende dag zou er een worden waarvan ik nog wel eens zal dromen. Natte dromen. Maar dan van het zweet. De weg werd slechter en slechter, smaller en smaller en werd uiteindelijk zo slecht dat er stukken waren waar ik echt dacht dat we niet doorheen zouden komen. Toen het ook nog begon te regenen werd het pad zo glibberig dat ik na een flinke schuiver het verstandiger vond om de zon af te wachten. Die kwam er na een uurtje bij en hoppa, door met de geit.

Goedkijken voor je rijd
Uiteraard had ik steeds als ik iemand zag (en dat was niet vaak) gevraagd over de weg en het werd steeds duidelijker dat er net over de grens met DRC ook een ferry was.
In het plaatsje Manianga, op sommige kaarten Pioka geheten, zouden we ook over kunnen. Er zou een ponton-ferry zijn. Dat zou wel eens een hele mooie oplossing kunnen zijn. Maar de weg bleef slechter worden. Ik begon te twijfelen of we wel op het goede pad zaten en omdat er niemand in de buurt is om te vragen moet je zelf met gps en de diverse kaarten proberen de weg te vinden. Tussen ons drieën hebben we wel 8 verschillende kaarten van dit gebied. Alle geven het anders aan. Raar maar waar, de meest correcte bleek de oude Russische kaart uit het jaar nul te zijn. Stukken weg waren een rivier geworden en met stenen gevuld om er toch nog over te kunnen. Op zich is dat al moeilijk rijden maar als die weg dan ook nog een super-steil omlaag gaat is het angstaanjagend.
Om 5 uur stond ik voor een omleiding. In die zin dat het pad zich splitste en het breedste pad onbereden was, het kleine pad ging dwars over een berg liep. Dat pad was zo steil was dat ik bang was dat de auto in tweeën zou breken of dat ik de bak achterop zou verliezen. Boven aangekomen zag ik dat het pad nog zeker een paar uur zou duren (ik zag het ver weg over de bergen toppen kronkelen) en ik hield stil voor de nacht, boven op de berg, uitzicht op de Congo aan de ene kant en rebellen gebied aan de andere kant. Omdat het dreigde te gaan onweren en we boven op een berg stonden bedacht ik samen met John een bliksem afleider constructie.

Bergje op, en dan weer af glibberen
In de morgen begon het te regenen. In regen kan je absoluut niet rijden hier, de weg gaat zo steil omhoog en omlaag, is zo slecht en glibberig, je weet dan zeker dat je verongelukt. Weer wachten dus. Het werd 13:00 uur voor de regen ophield en dan moest het pad nog drogen. Om een uur of 14:30 durfde ik wel weer verder. Heel en heel langzaam zakte ik de berg af. Als ik nu zou gaan glijden zou dit mijn laatste verhaal zijn. Het feit dat ik dit nog kan plaatsen moet je doen vermoeden dat het goed afgelopen is. Anderhalf uur later stonden we voor de gesloten grenspost van de DRC. Opgelucht. Maar ik wist toen nog niet wat er zou gaan komen…….

Samenvattend vond ik de Congo niet echt een super land. Met een corrupte ambtenaren bestand kom je niet ver, en corruptie is aan de orde van de dag. Daarbij is het een nationale sport om de blanke man zoveel mogelijk geld afhandig te maken in een zo kort mogelijk tijdbestek.
De lokale bevolking is op zich vriendelijk maar loopt erg te schooien, alhoewel ik ook wel wat leuke en aardige mensen getroffen heb. De hoofdstad Brazzaville is wel ok maar niet super boeiend. Het landschap van Congo is wel redelijk boeiend met fraaie hoge heuvels in het zuiden en mooie savanne in het noorden. Voor mij…ik hoef er de eerste 20 jaar niet naar terug. Om te onthouden:
Stokbrood tussen de 100 en 150 Frank (in Brazzaville het duurst). Diesel 420 frank maar niet altijd beschikbaar. Wegen zijn of erg goed of verschrikkelijk slecht. De verbindingsweg tussen Gabon en Congo is een giller en vergt een flinke zak met moed, durf en geduld. Maar geduld lijkt me het beste want over 10 jaar ligt er vast een mooie asfalt weg.