20101104 – November 2010, Congo DRC

Dit wordt een niet al te lang verhaal met weinig foto’s. De DRC is niet zo fotogeniek, plus was er niet veel tijd voor foto’s want ik moest snel door rijden. Daarbij vind ik het het niet waard om foto’s over de DRC te plaatsen. Ondanks dat ik blij was de Congo te verlaten, kwam ik van de drup in de stortregen.

De grens slagboom van de DRC was dicht en op slot, geen mens te bekennen. Beneden in het dal, een kilometer verder op was een dorpje, en heel langzaam kwamen er wat mensen onze kant op lopen. Na een stief kwartiertje stonden we handen te schudden met wel 7 mensen die alle claimde douane, immigratie en sanitation (gezondheidsdienst) te zijn. Niet een droeg een uniform, dus geen idee wie wat was. De man met grootste bek was waarschijnlijk het opperhoofd en duidelijk niet aardig. Hij praatte luid en onvriendelijk, gebood ons onze papieren te geven. Paspoort, auto papieren (ik nam aan dat hij carnet bedoelde) en inentings boekjes. Voor dat hij de douane slagboom van het slot wilde halen wilde hij eerst de auto’s inspecteren. Ook dat ging niet prettig. Alle 7 man doken in de achterste auto, die van Ralph en Iris. Elk kastje moest open, elk ding wat er gezien werd, werd eerst opgeschreven en daarna er bij vermeld dat dat toch wel een leuk cadeau voor hun zou zijn. De achterkleppen moesten open, zelfs de rij cabine werd geïnspecteerd. Ik werd door de onprettige houding van al die mensen ook geïrriteerd. Moest dat nu allemaal zo onvriendelijk en omslachtig? Maar je kan geen stennis gaan maken, de slagboom was nog dicht.

Route door Congo. Het is maar een piepklein stukkie
Ik was als tweede aan de buurt en gebood eerst de 7 man om hun schoenen uit te trekken voor ze in mijn auto kwamen. Dat stuitte duidelijk op bezwaar maar ik bleef volhouden. Dit is mijn huis, en daar gelden die regels melde ik. Maar dit is mijn land en ik heb het voor het zeggen morde de vervelende grote bek-man. Toch trok ook hij zijn plastieken zwemschoenen uit, en met zijn voeten, (die even vies waren als zijn schoenen), stapte hij op mijn schone vloertje (ok ok, zo schoon was ie ook niet). Ook bij mij moest hij alles zien. Zelfs mijn computer moest ik voor hem aanzetten. Ik stond te knarsetanden en had jeukende handen, op mijn tong lagen allerlei verwensingen die ik hem graag had toegesnauwd maar kon niets anders dan lachen en vriendelijk zijn. Wel als een boer met kiespijn, dat kan ik je verzekeren. In elk kastje stond wel ene mooi cadeau voor de grote-bek. Maar gaande weg ontdooide de man iets, hij vergat wat kastjes, mijn belofte om hem toch echt wel wat leuks te geven deed hem zelfs voor het eerst lachen. Met een klap op de schouder verliet hij mijn auto, vergat mijn cabine en liep naar de volgende.

Een dik uur duurde deze ellende, toen ging de slagboom van slot. We mochten het dorpje in rijden, onze papieren werden door de een of andere sjaak meegenomen naar een kantoortje. We moesten mee. Daar werd van alles over ons in een groot boek geschreven. Dat duurde weer een uur, de man schreef alsof hij op de lagere school in groep 4 zat. Uit een la werden plots formulieren tevoorschijn getoverd. Die moesten we invullen, er was een ‘belasting’ van 10 US$ per formulier. ECHT NIET schreeuwde we alle vijf in koor. Dit was duidelijk corruptie van de eerste klas, dus weigerde we te betalen. Praten als Brugmanns hielp ook hier weer niet. Dat werd wachten. Er ging weer een uur voorbij, er werd een strijdplan opgesteld. We verzamelde wat cadeau’tjes voor de douanier om hem zo om te kopen. Dat had bij Congo gewerkt, zou hier toch ook moeten lukken. Ik gooide in een plastic zak een tweedehands telefoon, Ralph een paar schoenen, Gonnie een grote buro calculator, het werd een bonte verzameling. Met deze cadeaus naar de man. ‘Ja maar het was wel weinig’, ach en wee. Uiteindelijk ging ook hij overstag. Maar zei ik er bij, je krijgt ze pas als alle papieren klaar zijn. Ontevreden ging hij aan het ‘werk’.

Ondertussen had piet grote-bek onze carnets meegenomen, dus er kwam eindelijk actie. Echter zat een uur later de grote bek nog steeds met die carnets voor zijn snufferd zonder dat hij ook maar ergens een stempel op had gezet. Hij begon ook al wat fatsig te reageren, hij dronk een of ander lokaal drankje. Toen gebeurde er twee dingen tegelijk. De paspoort man had alle paspoorten gestempeld, op die van Gonnie na. En de grote-bek man met onze carnets, waarvan wij al die tijd gedacht hadden dat hij douane was, ontpopte zich niet als douane maar als de sanitation man. Hij moest dus kijken of we gezond waren, en niemand snapte waarom hij dan steeds zo’n grote bek had en wat hij met onze carnets deed. John schoot dit alles in het verkeerde keelgat. We stonden immers al 4 uur te wachten op twee stempeltjes, die goochemerds hadden verder niets te doen. Hij stapte in zijn truck, reed naar het hutje van de grote-bek, parkeerde zijn auto 2 mm van de voordeur van de hut, deed zijn grote lampen aan en drukte 2 minuten lang op zijn mega-luide claxon. Daarna liep hij naar binnen, graaide alle papieren uit de grote-bek zijn handen en liep weg, grote bek achter latend die van ontsteltenis niet wist wat hij doen moest.

Ondertussen stonden Gon en ik met cadeau’s bij de politie. Had het relaas van John gehoord en begreep dat onze carnets dus niet gestempeld waren of zouden worden. Had daarom de telefoon uit de zak met cadeau ’s gehaald en in mijn zak gestopt. Ik dacht, als zij ons lopen te neppen, kan ik het ook. Met heel veel overredingskracht kreeg Gon de man dat die de laatste stempels zette. Gon graaide de paspoorten uit zijn hand, ik gooide de zak met cadeaus in een hoek en we stoven het kantoor uit. Ik had de plastic zak stevig in een knoop gesloten, dat zou ons een minuut tijd moeten geven, net genoeg om weg te komen. Als betrapte dieven in de nacht deden we een snel-wandeling terug naar de auto’s, onderweg roepend naar de andere ‘in de auto…snel…snel”. Als de lui in de gaten kregen dat hun cadeaus gehalveerd waren zouden ze ons zeker de doorgang gaan blokkeren. Twee minuten later stoven we het dorp uit. Het was ondertussen nacht en we reden 5 km verder over de verschrikkelijke slechte weg om te overnachten.

Dat was een heel spannend avontuur. Een avontuur wat nog een staartje zou krijgen. Een avontuur die kenmerkend zou worden voor de DRC.

Ook in DRC geen snelwegen
De volgende dag reden we naar Luozi. Daar zou dan eindelijk de ferry over de Congo rivier moeten zijn. De piste was slecht maar we waren wat gewend. Om 1 uur arriveerde we in Luozi zonder ook maar een enkele auto tegen gekomen te zijn. Op het hoofd kruispunt, natuurlijk een politie post. Na het controleren van al onze gegevens werd er vermeld dat we ons moesten melden bij de politie chef. Ja maar waarom dan? Ja, gewoon, je moet je even registreren en dan ben je weg. Haha, dom van ons dat we er in trapte. Ik kreeg een agent mee in de auto en we reden de twee km naar het immigratie en politie centrum. De grote chef, die ons ontboden had, was er niet, maar zou zo komen. Dus weer wachten. Na een uur kwam de sjaak. Ik zal het verhaal proberen kort te houden want je snapt het vast wel, we moesten de formulieren wederom invullen en 10 dollar achter laten. De chef had gisteren telefoon gekregen van de douanier in het dorp dat we niet betaald hadden, dus het leek erop dat alles zich ging herhalen. Corruptie komt hier van boven af, dat was duidelijk. Wij waren de Gans en wij moesten gouden eieren leggen. Of hij zag ons als blanke kip die geplukt moest worden. Na wat onderhandelen kreeg ik de 10 dollar naar benee tot 5 dollar de man. Weer was er een uur voorbij. Ik gaf als tegeneis dat ik die 5 dollar zou betalen maar alleen als alle papieren in 30 minuten klaar zouden zijn en pas op het moment dat we weg konden rijden. Dat leek te gaan lukken en ik had het geld in mijn vestzak om aan de politiechef te gaan geven. Ondertussen was de sanitation man van Luozi opgetrommeld en die begon over onze inentingen te klagen. Er heerste een polio epidemie in Congo en we hadden niet de juiste inentingen. Weer een uur verder kwam het hoge woord er uit. We moesten ook betalen aan de inenting man omdat we niet de juiste prikken hadden. Bij mij brak toen het lontje. Ik werd gek van dat gezeik. Gon, als opper graaister graaide de vaccinatie boekjes uit de handen van de man en we reden weg. Ik liet het geld voor de politie chef nog achter en zonder problemen namen we de ferry naar de overkant van de Congo. Kosten…. 25 dollar. Terwijl ze in Brazzaville zo rond de 1000 per auto wilde hebben. Toch snel verdient, en het maakt die paar dollar smeergeld meer dan goed.

John en Gonm vermaakte zich met de kids
Het was ondertussen de 14e, ik MOEST eigenlijk de 16e Angola in. Dit vanwege mijn visa. Dus namen we afscheid van John en Gon, waar we een maand mee samen hebben gereisd. Zij gingen door naar Matadi om te proberen een Angola visa te bemachtigen. Wij reden rechtsreeks naar een andere grenspost, die bij Luvo. Daar wilde we ons die zelfde dag uit laten stempelen zodat we de volgende dag vroeg bij de Angola grens zouden zijn, immers moest ik in 5 dagen het hele land door dus wilde die tijd zo veel mogelijk benutten.

Bij de grens aangekomen presenteerde we onze paspoorten. Nee zegt de agent. De chef heeft gebeld, jullie moeten naar Matadi. De moed zakte me in mijn kleine teen. Die hebben onderling gebeld en willen ons nog eens te grazen nemen. Daarbij was Matadi 80 km verder en dat zou ik die dag nooit meer halen. Stoïcijns bleef ik dus mijn paspoort naar de man uitgestoken houden. Hij was druk bezig met het innen van smeergeld van de lokalen, die moesten allemaal 500 frank neertellen als ze voorbij wilde. Na een paar minuten keek hij weer mijn kant uit en vroeg: Met hoeveel zijn jullie. Ik zeg, met twee auto’s. Oh, zei die. Maar jullie waren toch met drie? Nee hoor, we zijn altijd met twee loog ik even hard als de ambtenaren hier. Ohh, zucht ie, pakt mijn paspoort en begint te bellen. Ik voelde het aan komen natuurlijk, die was met zijn chef aan het bellen om verifiëren dat ik dezelfde was als een paar dagen geleden. Maar hij kreeg zijn chef blijkbaar niet te pakken en hij begon mijn gegevens op te schrijven in zijn grote boek. Tot twee keer toe ging zijn mobiele telefoon en tot twee keer toe voelde ik het onheil naderen. Hij was klaar met schrijven, hield de paspoorten vast en zegt: Jullie moeten daar naar de douane, ik houd je paspoorten vast. Die kan je, als je de grens over gaat, bij de immigratie weer ophalen. Ik geloofde het nog steeds niet, zou het geluk zich keren?

Bij de douane was het ook weer raak. Waar zijn je auto papieren vraagt ie. Vanwege de ellende bij de binnenkomst was er geen carnet (auto-invoer document) afgestempeld. Ik vertelde hem dat ze dat document niet wilde accepteren bij binnenkomst. Dat wilde hij niet geloven en bleef herhalen dat we dan een straf moesten betalen. Mijn stress niveau stond langzaam op 10 en ik stond klaar om te ontploffen, wat een stelletje ratdraaiers hier. Blijkbaar zag de man dat, en plots draaide hij om als een Jehova getuige die een ongelovige zag. Weet je wat ik doe.. ik stempel gewoon je uitreis strookje. Dan heb je geen inreis stempel, maar wel een uitreis, dan heb ik mijn plicht gedaan en dan zijn we klaar. Tjakka, stempel erop, scheur het strookje er af en klaar was ie. Ik kon mijn ogen niet geloven. Hij vroeg niet meer om geld en was super aardig. Op de vraag of we die nacht voor zijn douane kantoor mochten slapen antwoorde hij bevestigend en zo spendeerde we de avond op 1 km afstand van Angola. Ondertussen had Ralph, op mijn verzoek, de passen terug gehaald van het immigratie kantoor. “s avonds gaf ik de douane man een glas whisky. Met de mededeling dat omdat hij aardig was, ik dat ook was, genoot hij van een glaasje onvervalste imitatie whisky uit Ghana. Lekker zegt ie, is het dure whisky? Op de zeer goedkope zakjes whisky stond dat het Black Diamond whisky was. Ik had zijn glas in de auto ingeschonken, dus dat kon hij niet weten. Vertelde de man dat hij erg dure black label wiskey dronk. Hij genoot nog meer.

De volgende ochtend ging de grens open om 7 uur. Afrikaanse tijd dan, want de mijnheer met de sleutel voor de slagboom kwam om half acht aankakken. Na een kilomter rijden was er de immigratie kantoor. We moesten nog steeds uit gestempeld worden. Ook nu weer werd er argwanend gevraagd waar de derde auto was. Nee, wij rijden altijd met twee hoor. Toch was het nog spannend. Er moesten weer allerlei formulieren ingevuld worden, er werden vage vragen gesteld maar na een uur was toch alles klaar en reed ik de brug over Angola binnen. Eindelijk, wat was ik blij. Ik was nog nooit zo blij dat ik een land verlaten had.

Terug kijken op de DRC vond ik dit een verschrikkelijk land. Niet alleen zijn alle ambtenaren corrupt maar iedereen is er op uit om je en oor aan te naaien. De lokale bevolking is vriendelijk maar zeer zeer ontevreden en schooi-e-rig. Deze ervaringen zijn denk ik mede te danken aan de haast die ik had om snel het land door te kunnen, en zo dus niet kunnen ‘genieten’ van de DRC. Kinshasa zal op zich nog wel een boeiende stad zijn, die heb ik helaas gemist. De overtocht daar, per veerboot is ondoenlijk, zeker totdat de grote ferry weer gemaakt is. En dat kan nog maanden duren, of langer.
Verder is het land arm, de wegen zijn deels erg slecht en de prijzen van bijna alles is zeer hoog. Krijg niet het idee dat de mensen harde werkers zijn en men blijft dus arm.
Conclusie in één zin: van mij mogen ze het hele land asfalteren, met alle ambtenaren er bij, het gaat er dan alleen maar op vooruit.