20101105 – November 2010, Angola

In 5 dagen door Angola, dat was de opdracht. Over niet altijd strakke asfalt wegen (en nu zeg ik het netjes). Als ik dit schrijf, een paar weken later, stijgt mijn stress niveau nog immer. Leuk was het niet maar uiteindelijk toch nog gehaald.

Op 16 november melde ik me bij de grens post van Luvo in Angola. Ik had een vijf daags transit visa voor dit land. Had alles in het werk gesteld om een langer visa te krijgen maar het was me niet gelukt. Niet via de CIBT visa dienst, niet via het Angolese consulaat in Rotterdam en niet via de diverse ambassades van Angola onderweg. Angola is een groot land en er in vijf dagen doorheen moeten rijden was geen prettig vooruitzicht. Ik had van andere reizigers al vernomen dat de wegen deels slecht waren, het was nu ook nog eens regentijd en daarbij wil ik graag wat van een land zien. Maar dat zou me niet lukken, ik had me dus ingesteld op vijf dagen hard buffelen.

Route door Angola
Eigenlijk had mijn reis al sinds Nigeria in het teken gestaan van dit Visa. Het was maar twee maanden geldig dus heb ik veel te snel door Kameroen, Gabon, Congo en DRC moeten rijden om op tijd bij de Angolese grens te kunnen zijn. De Angolese overheid had dus al voor een deel mijn reis vergald.

De grenspost was nieuw en modern. Mooie wachtruimtes, computers, vriendelijk personeel, alles schoon, het deed me goede hoop geven over Angola. Om half elf waren alle paperassen klaar en reed ik de slechte piste op die me richting M’banza-Congo zouden brengen, de eerste stad op mijn weg naar het zuiden. Als alle wegen als deze zouden zijn in Angola, zouden die vijf dagen wel eens tien kunnen worden, om nog maar niet van mijn stress-niveau en gezondheid te spreken.

Langs de weg veel kleine dorpjes en overal stonden kinderen te schreeuwen en gillen. Ik voelde me alsof ik een overwinningsrit reed en toegejuicht werd door de mensen. Immers had ik de DRC overwonnen en ik was zo blij dat ik daar weg was. Hoe verder ik echter kwam op deze piste, hoe meer ik ging beseffen dat de kinderen (en niet alleen die) niet stonden te schreeuwen van enthousiasme, maar dat ze stonden te gillen om geld. De aantallen keren dat mensen langs de kant van de weg gewoon het geld gebaar (met duim en wijsvinger) maakte was niet normaal. Ook werd er veel over buiken gewreven om te melden dat men honger had. Dat ondanks dat men er niet hongerig uit zag. Geen dikke buikjes zoals in west Afrika maar gezond uitziende mensen. Veel moderne kleding, jeans, shirtjes. Mensen droegen veel sieraden, kralen of horloges.

Schoon landschap maar weinig bomen
Het overwinning gevoel maakte dus langzaam plaats voor verwondering en later minachting voor die mensen die zo schaamteloos en onvriendelijk stonden te bedelen. Het zwaaien naar mensen, wat in veel Afrikaanse landen toch altijd wel een groet terug bracht, resulteerde hier steevast in geldgebaren of schreeuwpartijen van ‘Ayuda me’ (help me), gepaard weer met geld gebaren of buik-wrijven. Ik dacht nog, wrijven helpt niet hoor.
Tijdens de diverse stops in dit land heb ik geprobeerd met mensen te praten maar het is me nooit gelukt. De enige reactie die je krijgt is ‘geef me geld, geef me je fiets, etc. Zonder zelfs maar een ‘hallo’, een ‘goedendag’ of een ‘waar kom je vandaan’. Zeer onprettig. Niet alleen dat maar als je eens stopt en je zegt ‘Hallo’ tegen iemand, en je krijgt dan alleen maar een bedel zin te horen, dat dan keer op keer, dan vergaat je op een gegeven moment de lol om te proberen met lokalen in contact te komen. En dat laat je het maar voor wat het is en gaat je zin in zo een land snel naar een dieptepunt.
Moet wel zeggen dat het in het noorden erger was dan in het zuiden. Zuidelijker wetd het allemaal wat relaxter en vriendelijker. Als ik meer tijd had gehad zou dat nog best een aardig land hebben kunnen zijn, maar ja….
In het noorden van Angola was, net als het zuiden van de DRC, de meeste bomen gekapt. Tenminste, daar ga ik vanuit. De grond leek me vruchtbaar genoeg, er groeide ook wel veel struiken maar bomen waren er weinig. Je zou denken veel akkerbouw te zien, maar het tegendeel was waar. Mensen hingen rond hun huisjes en leken weinig uit te voeren. Of dat dit was omdat ze lui waren of omdat de grond slecht was, ik weet het niet (hoewel ik wel zo mijn vermoedens had). Tja en als er niks verbouwd word, heb je ook niks te eten in dit deel van Afrika.

Angola is 30 keer zo groot als Nederland. Met 18 miljoen mensen kan je je voorstellen dat het niet super dicht bevolkt is. Angola heeft pas vrede sinds 2002, na een 40 jarige bloedige oorlog tussen de Unita rebellen en de MPLA van de regering. Honderdduizenden mensen zijn in die tijd vermoord en gesneuveld, alle infrastructuur is systematisch vernield. Armoede, achterdocht en, in mijn ogen, gewelddadig gedrag is nog steeds aanwezig.
In 8 jaar vrede kan je natuurlijk niet alles weer recht zetten maar men is , zeker in het zuiden, hard op weg. De chinezen, lijken bezit genomen te hebben van het land. Overal zie je ze, ze doen al het bouw en ontwikkelingswerk, ongetwijfeld in ruil van een deel van de bodemschatten waar Angola rijk aan is. De Chinezen passen zich niet aan, bouwen chinezen dorpjes voor hun werknemers, overal borden in het chinees. Ik heb bedrijven gezien waar de naam er alleen maar in het chinees op staat, men neemt niet de moeite het er ook in het Portugees op te vermelden.

Restanten van de oorlog zijn nog duidelijk aanwezig
In M’Banza liep ik een ‘supermarkt’ in maar alles was zo duur. Het bleef bij een paar kokosnoten (lekker onder het rijden) en een blik worstjes. Hier begon ook de nieuwe chinees aangelegde weg richting kust en dat reed lekker na de hobbelweg. Om 18:00 uur hield ik het voor gezien en zette de auto in een afgelegen steengroeve. Die dag had ik maar 156 km van de 2000 gereden, die vijf dagen leken steeds moeilijker te gaan worden.
Dag twee van Angola was niet veel anders dan dag 1. Reed om 7 uur weg want ik moest km’s vreten. Aan de kust aangekomen, bij N’zeto hield de fraaie weg op en begon er een stuk weg wat zelfs mijn laagste verwachtingen overtrof.

Om depressief van te worden
Had gehoord dat het stuk naar Luanda (de hoofdstad) slecht zou zijn. Dit was de enige noord-zuid verbinding en het was een ramp. Een echte ramp met diepe diepe gaten. Aan deze weg was duidelijk geen eer meer te halen, ook niet door de Chinezen. Het leek er dan ook op dat ook die er niet aan wilde beginnen. Omdat het al de hele ochtend had geregend waren de omstandigheden nog slechter. De grote diepe gaten stonden vol met water waardoor je geen idee had hoe diep ze waren. Toch moest je er door en zo langzaam en moeizaam rijden door watergaten, door modder, was super zwaar. Zwaar voor mij, voor de auto, en voor mijn humeur.

Langzaam in de hoop dat het niet te diep zou zijn
Tot overmaat van ramp stond er een vrachtwagen, beladen met minimaal 40 ton hout, vast in de modder op een steil stuk. Met elke actie die de vrachtwagen chauffeur probeerde om los te komen, kwam de vrachtwagen schever over de weg te staan. Hij blokkeerde alles en te zien aan het aantal auto’s wat stond te wachten was dat al even zo. Er zit dan niks anders op dan weer wachten, met de 5 daags visa in het achterhoofd.

het luikte de truck niet weg te komen in de modder
Hier maakte ik ook weer een staaltje van onvriendelijk Angolees gedrag mee. Toen ik ging kijken naar de auto, werd me doodleuk gemeld dat ik maar even deze 40 tonner los moest trekken. Toen ik daar niet op reageerde begon men agressief gedrag te vertonen, een sukkel maakte een ‘ik schiet je met een pistool neer’ gebaar. Gelukkig met zijn vinger, maar toch. De sfeer was onprettig. In mijn beste spaans-Portugees probeerde ik uit te leggen dat mijn auto tien ton weegt en ik niet een 40 ton auto los kon trekken, nog afgezien van het feit dat ik geen kabel heb die dat aan zou kunnen. Maar men bleef ontevreden. Een paar minuten later kwam men zeuren dat ik een schep moest geven. Maar ik had het al gehad met deze mensen. Legde vriendelijk uit dat ik ten eerste een toerist was, waarom zou ik een schep hebben, en ten tweede er 40 vrachtwagens in de rij stonden, waarom vragen ze die niet om hulp. Dit was duidelijk weer zo’n staaltje van ‘de blanke moet het oplossen’ en als die het niet doet is ie een klootzak. Deze blanke wachtte wel. En dat wachten duurde 3 uur. Toen had men eindelijk het idee dat men de modder eens onder de banden van de vrachtwagen weg moesten halen om zo wat grip te krijgen en misschien de boel weer rijdend te krijgen. Na twee moeizame pogingen was de vrachtwagen iets vooruit gekomen en ontstond er een kleine opening aan de achterkant. Nam mijn kans waar, reed er naar toe steil de weg af, gleed in de modder er langs, glibberde bijna tegen de vrachtwagen aan, gleed daarna met de auto richting een andere vrachtwagen, kreeg mijn auto nog net op tijd onder controle en reed met een bonzend hart de file vrachtwagens voorbij, verder richting het zuiden.

Parkeerde die nacht langs de kant van de weg, om 10 uur in de avond, na dus een rit van 15 uur!!!. En met als resultaat…220 km die dag.
Dag drie begon zoals dag twee eindigde, hobbelend en glijdend, maar dit keer om 6 uur in de ochtend. Om een uur of 12 eindigde deze hel en kwam er glad asfalt in zicht. In Luanda aangekomen had ik heel gelukkig de GPS info van een andere reizigers zodat ik snel de rondweg vond in deze bouwput van een stad. Het leek wel alsof ik in China was. Er werd zoveel gebouwd dat het een zooitje was. Maar de nieuwe rondweg was een plaatje. Ook de tankstations waren super modern, wat een tegenstelling met de wegen in het noorden. Na Luanda door naar het zuiden ook weer over mooie wegen. De kustweg, met af en toe fraaie uitzichten over de zee was een genot om te rijden. Om 6 uur in de avond had ik er genoeg van en parkeerde langs de weg. Na deze rit van 11 uur had ik 313 km onder de motorkap zien verdwijnen.

Ik moet kilometers maken. Had nog twee dagen om bij de grens met Namibië te komen, een land wat er uit begon te zien (in mijn hoofd) als het beloofde land. Vertrok om 6 uur in de ochtend en reed vrijwel continu tot 8 uur in de avond. 14 uur rijden over redelijke wegen leverde 625 km op. Ik was ondertussen zo moe en gestrestst maar kon niet rusten.

Dit zuidelijke deel van Angola is best aardig. De kustweg die geheel geasfalteerd is kenmerkt zich door autowrakken. Gigantische aantallen autowrakken. Als er een scherpe afdaling of bocht was, lagen er soms wel 10 autowrakken, als de weg recht was zag je om de kilometer wel een auto staan die frontaal op een tegenligger was gebotst en waar gewoon niets van over is.. Je kan al van verre zien dat er een scherpe bocht aan kwam, dan stond het bezaait met auto wrakken langs de weg. Je merkt, geen beste bestuurders hier, de mensen rijden hier hard en onvoorzichtig, halen in als ze niks kunnen zien en hebben blijkbaar geen respect voor de weg. En dat moet je dan bekopen met een frontale botsing.

Droevige getuige van het nog niet zo lang geleden verleden
Dag vijf moest ik bij de grens zien te komen. Helaas pindakaas, er kwam weer een stuk weg wat verschrikkelijk was. Men was ook hier niet aan het werk aan de weg. Zo vreemd. Glad fraai asfalt en dan ineens, midden in de bush-bush houd het op en verandert het in een oorlogsveld. Het was hier droog waardoor het ook nog eens stofte. Wederom onprettig rijden en ik haalde de grens niet. Dit ondanks dat ik om kwart voor vijf !! in de ochtend weg reed, en door karde tot half tien in de avond. Vrijwel zonder stoppen. Deze dag van bijna 16 uur rijden leverde 430 km op, ik kwam er 130 tekort tot de grens. Bewusteloos sliep ik die nacht.
De laatste 139 km werden op dag 6 beslecht. Ik had van ander gehoord en gelezen dat deze grens niet moeilijk zou zijn. Maar ik was een dag over mijn visa heen. Het begon al helemaal verkeerd. Bij het presenteren van mijn carnet werd me doodleuk verteld dat ik even 30 dollar neer moest tellen voor de stempel. Ja GVD, Ik begon te soebatten, te smeken, te schelden, niets hielp. Ik besloot, geheel tegen mijn principes in, het geld te betalen, ik wilde weg hier. Ik moest weg, wilde geen seconde meer in dit land blijven. Toch duurde het nog 3 uur voor ik Angola verliet. Het was zondag, de man achter het douane loket werkte zijn eerste dag. Het duurde en duurde en mijn adrenaline niveau begon gevaarlijke hoogtes aan te nemen. Maar uiteindelijk kwam de stempel. Over mijn visa werd niks gezegd, en das maar goed ook want als ze door ook over waren gaan zeuren (er zijn mensen die 150 USD per dag overschrijding moeten betalen) was ik waarschijnlijk ontploft en had ik mijn auto dwars door alle slagbomen Namibië in gereden.

Eindelijk Namibië kon de vakantie beginnen. Ik kreeg een drie maanden visa, moest wat geld aan wegen belasting betalen en reed het walhalla binnen.

Over Angola kan ik kort zijn. Het is dat ik er door moest, anders had ik er nooit geweest. De oorlog zit nog duidelijk in de bloed van de mensen en dat zal wel een generatie zo duren. Tot die tijd zie je mij niet meer terug. Laat die Chinezen de boontjes maar doppen, daar komen ze nog wel van terug.
Angola is duidelijk nog niet klaar voor toerisme.
Nog even terug komend over het vragen van geld bij de douane. Dat hoef je in principe niet te betalen. Ralph en Iris hebben geweigerd het te betalen (Ralph had blijkbaar meer uithoudingsvermogen dan ik) en heeft, na 4 uur aan die grens gestaan te hebben de grote baas te pakken gekregen die hem toestemming gaf zo de grens over te rijden. Normaliter zou ik ook niet betaald hebben. Dit is slecht en werkt meer corruptie alleen maar inde hand, nog los van het feit dat eventueel komende toeristen hierdoor ook wel eens met dit probleem te maken kunnen krijgen. Ik neem me dan ook voor in de toekomst meer geduld te hebben.
Diesel in Angola is goedkoop. Met 400 quanza (30 cent of zo) kan je je tank nog eens vol gooien. Maar zeker in het noorden is diesel niet makkelijk aan te komen. Vanwege de slechte wegen zijn de aanvoerlijnen onbetrouwbaar dus rijd niet met lege tank Angola binnen. Een biertje (33 cl) kost 150 quanza in het noorden, 80 quanza in het zuiden.